Haat en Liefde.
Amsterdam, 19 Januari 1894.
Meer dan eens hebben we ons kras en scherp uitgelaten, in dien zin, dat het Genootschappelijk keurslijf, waarin men sinds 1816 onze aloude Gereformeerde kerken bekneld hield, en ten deele nog houdt, ons onverzoenüjken /iaat inboezemt.
Dit brieft men dan zóó over, alsof wij dezen haat zouden toedragen ^an al wat thans onder dfen naam van de Nederland-
sche Hervormde Kerk reilt en zeilt. Toch deed men dit tegen beter weten in.
Overduidelijk toch is steeds door ons uitgesproken en zelfs op den voorgrond gesteld, dat we scherp onderscheiden tusschen het in 1816 opgerichte Genootschap, waarin men de overblijfselen onzer aloude Gereformeerde kerken geëmballeerd heeft, en die overblijfselen zelve.
Dat Genootschap heeft niets ^eerbiedwaardigs, niets Christelijks, niets kerkelijks, maar is een strop, dien men om den halsj|van onze aloude kerken heeft gehaald, om haar Gereformeerd kerkelijk leven te verstikken.
Is het nu logisch, is het consequent of niet, dat wie deze overblijfselen van het Gereformeerd verleden liefheeft, haat en moet haten dien strik van het Genootschap ?
Leert niet juist de Christus ons, dat uw liefde ondiep en onoprecht is, indien ze geen haat kweekt tegen hetgeen het leven en de eere van wat ge lief hebt te na komt?
Juist deze haat tegen het opgedrongen, van elders aangebrachte en doodelijke Genootschap is dus niets dan een uitvloeisel van onze hartelijke liefde voor al wat erin de banden van dit Genootschap nog als overblijfsel van het Gereformeerd verleden onzer vaderen kwijnend voortbestaat.
En daarom, juist dat we het Genootschap als doodelijken strik durven haten, is een bewijs voor onze eigen conscientie, dat onze liefde voor al wat er vjn Christus nog onder het Genootschap voortkwijnt, niet gebluscht is, maar krachtig doorwerkt.
Zóó lief hebben we deze overblijfselen, dat we onzerzijds geen poging onbeproefd laten, om ze te verlossen^van de booze macht, die ze in haar doodelijke omarming al meer den levensadem uitdrukt.
Onze kerken in Indië.
Gelijk men zich herinnert, wekte het hier te lande min aangename gevoelens op, toen men tijdens de Synode te Dordt vernam, hoe te Batavia en te Soerabaya de Gereformeerde kerk een aparten dienst voor kleurlingen hield en een anderen voor »blank man."
Met name Ds. Sikkel goot over deze splitsing zijn toorn uit in de Zuidhollandsche Kerkbode, en wel met een artikel, dat ook de Heraut overnam.
Thans ontvingen we naar aanleiding van dit incident een schrijven van den heer. A. W. F. Idenburg, kapitein der genie, te Batavia, die ons meldt dat de gegeven voorstelling niet strookt met de werkelijkheid.
' Volgens zijne medededeeling is er geen sprake van, dat men blank en zwart zou scheiden, maar dwingt de taal van den Javaan tot het houden van afzonderlijke diensten, terwijl hij overigens de verzekering geeft, dat de Europeesche belijders hun ge kleurde broeders en zusters in geen enkel opzicht als behoorende tot een mindere kaste beschouwen.
Deze mededeeling verblijdt ons ten zeerste, vooral zoo die mag gevolgd worden door een volledige mededeeling van de feiten.
Gaarne toch zouden we vernemen, of de Javaansche 'kerk een eigen organisatie, en dus eigen kerkeraad, bezit; in welk verband c. q. deze kerkeraad met den anderen kerkeraad staat; of de Javanen allen of slechts voor een deel in den Javaanschen dienst komen ; of zij zelven dezen afzonderlijken dienst verlangd hebben; of ook de bediening der Sacramenten in tweeërlei taal geschiedt; of de Javanen die Hollandsch verstaan ook in den Hollandschen dienst komen; en zooveel meer.
Niets toch is meer geschikt te achten, om den min aangenamen indruk weg te nemen, dan concrete, feitelijke beschrijving van den toestand.
En mag dan ten slotte elke bedenking vervallen, dan zijn we overtuigd dat niemand meer dan Ds. Sikkel zich verheugen zal over zijn ongelijk.
Het is toch niet zoo, dat hij zelf verkeerd oordeelde.
Hij ging af, en moest wel afgaan, op de mededeelingen die op de Synodale vergadering verstrekt zijn.
VV^etenaohappelijke opleiding.
III.
Wetenschappelijke opleiding moet natuurlijk daar gezocht, waar de wetenschap haar vormende kracht openbaart. Gelijk men zwemmen alleen in het water leert, en jagen waar het wild zit, zoo ook moet men, om een wetenschappelijke opleiding te ontvangen, ook daar gaan waar de wetenschap is en bloeit.
Dit is zoo duidelijk en springt derwijs overtuigend in het oog, dat er voorts geen woord aan behoefde verspild te worden, indien de Theologie, als wetenschap (en om haar is het hier in hoofdzaak te doen) niet in een eenigszins exceptioneele positie verkeerde.
Toch hebben we de quaestie zóó algemeen opgevat, omdat «wetenschappelijke opleiding" op zichzelve volstrekt niet een uitsluitend Theologische is, of zijn kan.
Steeds heeft men dan ook gevoeld en begrepen, dat voor de »wetenschappelijke opleiding" van de Dienaren des Woords een cursus in de Theologie én onvoldoende én onmogelijk was, tenzij er een opleiding in de wetenschap in het algemeen aan vooraf en mede gepaard ging.
Die voorafgaande opleiding noemt men dan gemeenlijk: de propaedeuse, en de daartoe strekkende studie: depr-opaedeutische.
Die propaedeuse valt dan weder in twee deelen uiteen, die men gemeenlijk de gymnasiale en de academisch-propaedeutische studiën noemt, die elk een afzonderlijk karakter dragen.
De gymnasiale studiën dragen eea passief, de academisch-propaedeutische studiën een actief karakter.
Hiermede bedoelen we, dat op het gymnasium de kweekeling doet wat hem gezegd en leert en afmaakt wat hem opgegeven wordt. Hij leert pas op het veld der wetenschap loopen, en loopt zelf nog niet. Daarom gaat hij in den leiband, en blijft in dien leiband voortloopen, tot een ander hem keurt en in staat verklaart, om nu zelf te loopen.
In zooverre is de gymnasiale opleiding dus passief, d. w. z. de kweekeling is lijdelijk en wordt geleid.
Anders daarentegen is het met de academisch-propaedeutische studiën gesteld. Ook hier is nog wel leiding, gelijk bij alle studie, totdat men gedoctoreerd is, of de hoogeschool met minder graad verlaat; maar bij deze studiën is de kweekeling niet een lasthebber, die doet wat hem gezegd wordt, maar vrij man, om zus of zóó te kiezen, en de leiding geheel of ten deele door vrijen gang te vervangen.
Men kan meer nog zeggen. Bij goede academische propaedeuse, zal de leiding altoos slechts ten deele worden gegeven, en de gang gedeeltelijk aan eigen inzicht worden overgelaten.
Wie aan een academie slechts taakwerk doet, gelijk op een gymnasium, en niet ook zelf studeert, begrijpt zijn positie niet, en moge honderdmaal student betiteld worden, maar is het niet. Student is alleen hij, die de kunst verstaat, om ook zelfstandig en vrij te studeeren.
Ook al zet men bij de academische propaedeuse ten deele dezelfde studiën voort, die men op het gymnasium behandelde, toch studeert men er anders in, en juist dat anders studeeren, verleent aan de studie het academisch stempel.
En hier nu juist raken we aan de beteekenis der «wetenschappelijke opleiding."
Maar al te dikwijls wordt zekere - xgeleerdhetd' inet wetenschappelijken zin verward.
Als iemand Latijn en Grieksch, en zelfs Hebreeuwsch, leert, beeldt men zich maar al te vaak in, dat dit nu xvetenschappelijk is, ook al heeft het er op zich zelf nog niets meê te maken.
Wat reden toch zou er zijn, waarom iemand die Fransch, Duitsch en Engelsch leert, niet wetenschappelijk zou studeeren, en iemand, die Latijn, Grieksch en Hebreeuwsch leert, wel?
Een taal blijft een taal, en of het nu levende of doode talen zijn, doet er op zich zelf niets toe. De kennis van een doode taal moge u een geleerd voorkomen geven, omdat niet iedereen zulk een taal kent, maar het drukt op uw studie nog volstrekt niet het merk der wetenschappelijkheid.
Het is waar, dat de Grieksche en Latijnsche talen in grammaticaal en etymologisch opzicht het oordeel meer oefenen, dan het Fransch en Engelsch; en ook is het waar, dat deze talen in den regel op een meer oordeelkundige wijze onderwezen worden. Maar als talen blijven ze talen, en de vrouwkens die te Rome het Grieksch spraken, gelijk onze aristocratische dames het Fransch. of Engelsch, waren daarom nog in geen enkel opzicht wetenschappelijk gevormd.
Men moet zich heel dat, denkbeeld, ^Isof L; .tijn, Grieksch en Hebreeuwsch iemand tot een wetenschappelijk man maakten, voorgoed uit het hoofd zetten. Studie van talen, voorzoover ze alleen strekt, om er een schrijver in te kunnen lezen, is en blijft ge wone schoolstudie.
Ja, men kan verder gaan.
Hetgeen de meesten, die studeerden, op later leeftijd van hun Latijn, Grieksch, en vooral Hebreeuwsch overhielden, is vaak zoo onbeduidend, dat er van het geregeld lezen en verstaan van een Latijnsch, Grieksch of Hebreeuwsch boek in de verte geen sprake komt.
Menigeen die Fransch, Duitsch of Engelsch leerde, en op een kantoor zit, heeft het dan ook in de studie dezer j talen niet zelden veel verder gebracht, en is in staat een boek in die talen vlot te lezen en te verstaan.
Vergelijk nu daarmee hetgeen, dat velen van het Hebreeuwsch weten, die soms niet in staat zijn, een enkel Bijbelvers-vlot en vloeiend te lezen, om nu van het verstaan niet eenmaal te spreken, en ge gevoelt aanstonds, dat, moest dit wetenschappelijk heeten, de mannen der wetenschap heusch niet in de kerk, maar veeleer op het kantoor moesten gezocht worden.
Gewone leeken mogen tegen een jong man, die een mondjevol Latijn en Grieksch kent, als tegen een wonder van geleerdheid opzien, de kenner weet wel beter, en zal nooit de fout begaan, om in al zulke kennis ooit een wetenschappelijk merk te zien.
En ditzelfde nu geldt evenzoo van andere vakken.
Wie wiskunde, natuurkunde, geschiedenis, aardrijkskunde enz. uit een handboek studeert; dit handboek doorwerkt; en zoo op de hoogte van deze vakken komt, is nog in geen enkel opzicht een wetenschappelijk gevormd man.
Al zulk leeren toch is eenvoudig een in zich opnemen van wat in eén klein bestek naar zekere orde is bijeengevoegd, en staat dan ook precies op één lijn met hetgeen geleerd wordt op een lagere school voor meer uitgebreid onderwijs.
En zoo nu kan men voortgaan, en zeggen, dat wie eenige medische handboeken er in pompt, en nu op zijn examen toont, te weten wat er in staat, wel blijk geeft van volharding en goed geheugen, maar nog volstrekt niet wetenschappelijk gevormd is.
En dus ook, dat wie zekere theologische handboeken of dictaten van gelijk allooi, blaadje voor blaadje geëxcerpeerd en in zijn geheugen geprent heeft, wel slagen kan op een niet grondig examen, maar daarom nog niets heeft van een wetenschappelijk gevormd theoloog.
Als inen naar Amerika oversteekt, merkt men dit terstond.
Daar toch is het op verscheidene Colleges de gewoonte, dat men de kweekelingen voor elk jaar een zeker stel handboeken in handen geeft, ze deze handboeken laat doorstudeeren, en na afloop van het jaar onderzoekt, of ze die handboeken er in hebben.
Op die wijs verzamelen deze kweekelingen dan zekere hoeveelheid kennis en formules en namen en jaartallen, en slagen op hun examen; maar als men ze nu nader aan den tand voelt, om te onderzoeken, of ze ook wetenschappelijk inzicht in hun vak bezitten, dan vindt men zich bitter teleurgesteld.
Dit maakt dan ook, dat de knappere Amerikaansche kweekelingen thans bij geheele scharen de zee oversteken, en zich naar de Duitsche universiteiten begeven, om achter de zaken te komen.
Kennis van opgezamelde geleerdheid is op zichzelf nog niets anders dan een resultaat van lectuur en geheugenwerk, en kenmerkt nog in niets den wetenschappelijken man.
Wel heeft de wetenschappelijke man ook deze kennis noodig. Ook hij kan zich van dat geheugenwerk niet ontslagen achten. Dan toch zou hij in ijdele phantasie verloopen en elke aansluiting aan de realiteit missen. Maar op zichzelf is het allerminst aan dit geheugenwerk, dat hij zijn wetenschappelijk karakter ontleent.
Dit wordt zoo scherp uitgesproken, niettegenstaande we zeer wel onderscheiden tusschen een man van wetetischap, en een man die wetenschappelijk opgeleid is.
»Man van wetenschap" kan men .nooit dan bij uitzondering wezen, en nooit hebben de Gereformeerde kerken dan ook bedoeld, dat al hare Dienaren aan zoo hoogen eisch Voldoen moesten.
»Man van wetenschap" is niemand dan bij Godes gratie, indien namelijk zijn God die hem schiep, er hem den aanleg voor verleende, en zijn God die zijn levenslot leidde, hem de gelegenheid schonk, om dien aanleg te ontwikkelen.
Om »man van wetenschap" te zijn, moet men extraordinaire gaven bezitten, die slechts het deel van zeer enkelen zijn, en in staat blijken, om zelf aan het wetenschappelijk onderzoek mede deel te nemen, en de wetenschap, op welk punt dan ook, verder te helpen.
Dit nu van alle artsen, van alle advocaten, van alle docenten, of ook van alle predikanten te vergen, zou eenvoudig ongerijmd zijn. Bij elk van deze studiën zijn honderdtallen personen voor de practijk noodig, en de mannen van wetenschap telt ge nooit anders dan bij tientallen; en zelfs dat is nog te hoog gerekend.
Maar wat wel van den arts, den advocaat, den docent, en zoo ook van den predikant gevorderd wordt, is dat hij swtttnschappe-
lijk gevormd" zij, en dat hem dus ee «wetenschappelijke opleiding" ten deel valle. En het was met het oog hierop, dat we aantoonden, hoe ook dit doel «nog volstrekt niet bereikt is, ook al heeft men een paar doode talen geleerd, en zich eenige handboeken, of dictaten van gelijk 'gehalte, in het geheugen geprent.
Handboekje.
Handvan de Gaarne bevelen we ook nu het boekje der Geref. kerken voor 1894 heeren Feringa en Littooy aan. j
We doen dit niet, om dat van den heer-Van der Sluys lager te schatten, maar wijl alleen het eerste ons.ter recensie werd toegezonden.
Die recensie kan ditmaal jvooral gunstig zijn om de opneming van de Gereformeerde kerken in Amerika, zóó accuraat als alléén een cijferaar als Ds. Joldersma dit levert, maar vooral om wat de redactie hieromtrent in het midden brengt.
We lezen toch op blz. 238:
Indien mogelijk nemen wij in een volgenden jaargang weer andere Kerkengroepen van Geref. huize op. Zeer wenschen wij, dat toenemende belangstelling beide in-en buiten Nederland en Noord-Amerika ons dit mogelijk make. Het is voor de Geref. Kerken noodzakelijk, en voor ons hart een behoefte, dat steeds meer de Catholiciteit (de algemeenheid en geestelijke eenheid) der Geref. Kerken openbaar worde, en worde in het oog gehouden. Tegen een en ander, wat op het Geref. Concilie ten vorigen jare te Toronto in Canada gehouden, geschied of gezegd is, inoge wellicht bedenking wezen, en een w e r e 1 d-synode van zulk een omvang misschien nog niet in het eerste drietal jaren te bereiken zijn, toch achten wij het een begeerlijk (en misschien nog niet eenmaal zoozeer verwijderd) ideaal, de innerlijke eenheid der Geref. Kerken bij toenemende handhaving van zelfstandigheid en decentralisatie te zien uitkomen op een in geregelde perioden terugkeerende w e r e 1 d-synode, die dan tot onze Generale (beter: Nationale) Synoden ongeveer in verhouding zal staan als Dordrecht 1618/19 tot Dordrecht 1893.
De Gereformeerde is te ruim van hart om zich te kunnen beperken binnen de enge grenzen van één land of één taal. En in onze tijden van wereldverkeer, zijn er te veel gemeenschappelijke belangen, die naar Art. 30 onzer K. O. tehuis behooren bij een uitgebreider vergadering, dan eenige Nationale Synode. En bij de groote worsteling, die steeds sneller nadert, zoowel als met het oog op den heiligen en heerlijken arbeid der Heidenzending, moet ons wel alles welkom zijn, wat met strenge toepassing van het sSouverein in eigen kring" ook het eendrachtelijk bijeen op gemeenschappelijk gebied" ons nader brengt.
Geen Roomschmakend Catholiciseeren, gelijk helaas velen in Engeland zoeken; geen eenheid door verflauwing der grenzen, gelijk helaas velen uit Duitschland geleerd hebben. Maar strenge toepassing der tweeledige waarheid: Eensdeels, dat elk lid van het lichaam van Christus niet slechts een deel is, maar zelf een lid. Maar dan ook anderdeels, dat wij elkanders leden zijn.
Wellicht bieden, evenals nu onze broeder uit de Ref. Ch., zich tot dit doel anderen uit andere Kerkengroepen ons aan. Wellicht ook kunnen wij zelven anderen vragen. Zij in elk geval, dit begin een begin. En zij straks het noemen van alle Gereformeerde Kerken (indien mogelijk in één boek, zinnebeeld van werkelijke eenheid op Kerkelijk gebied.
Door de sterke handhaving van de zelfstandigheid der plaatselijke Kerken zijn de Geref. Kerken in elk land in gevaar zich enghartig terug te trekken en af te zonderen. En toch is (mits streng op eenheid in leer en Kerkregeering geacht worden) juist door de sterke handhaving van de zelfstandigheid der plaatselijke Kerken, ruimere en diepere eenheid voor de Geref. Kerken het best te verkrijgen.
bedoeld en keurig ge Dit is kostelijk zegd.
Vraagt men ons nu, of daarom dit boekske reeds is wat het zijn moet, en of er geen enkele vlek op kleeft, dan gaan we zóóver in onze approbatie nog niet.
Niet correct b. v. is het, wanneer in zulk een handboekje de heeren Heemskerk, Van Andel en Kuyper als Deputaten voor correspondentie met de hooge Overheid worden opgegeven, terwijl ze alleen gelast zijn, om met bedoelde Deputaten c. q. voor één enkel belang saam te werken.
Het is niet goed, dat particuliere bladen als de Heraut enz. als kerkelijke bladen vv^orden opgegeven, d. w. z.: bladen van kerkelijke strekking, en dat men de Roeper weglaat.
Het gaat niet aan bij Amsterdams kerk B de lijst der predikanten met Ds. Van Son te laten beginnen, waar men weet dat deze kerk het beginsel handhaaft, dat haar emeritipredikanten in hun rang gehandhaafd blijven.
Het is niet accuraat, dat op blz. 179 de officieele titel van Docettten vervangen wordt door dien van »Hoogleeraren". Al zijn wij toch de eersten geweest, die in particuliere betiteling deze Docenten Professoren genoemd hebben, toch mag in officieele opgaven zulk een verwisseling van titel niet plaats grijpen.
Ook in de noodeloos bijgevoegde titels is de opgave te slordig. De heeren Van Löben Sels en Seret worden als leden der Tweede Kamer, de heer Heemskerk alleen als lid van den Gemeenteraad geciteerd. De heer Van Heemstra wordt gequalificeerd als lid der Provinciale Staten, de heer Hovy, die dit ook is, alleen als Gemeenteraadslid.
Nu van tweeën één: Ge laat óf al die bijtitels weg, óf ge geeft ze hetzij volledig, hetzij naar rang.
En zoo zijn er meer kleine vlekken, die we aan de exstinctieve kracht van heeren redacteuren aanbevelen.
Wat de volgorde betreft, zij opgemerkt, dat men óf van beneden .naar boven, óf van boven naar beneden moet.
Gaat men van beneden naar boven, dan moet eerst de Classis komen, dan de Provinciale en dan de Generale Synode.
Gaat men van boven naar beneden, dan gaat de generale Synode voorop, en volgt de ProvincMle en de Clüssis.
n I ^Wat jnu gedaan is, eerst de Provinciale Synode geven, dan de Classis, en daarna de Generale Synode is niet logisch.
De opgaven van het. zielental konden vollediger zijn. Men behoeft niet te wachten op inkomende berichten, men kan de officieele opgaven raadplegen.
Doch waartoe meer?
Met wat goeden wil zal ook dit handboekje elk jaar wel beter loopen, en misschien geeft de uitgever, de heer Le Cointre, ons dan mettertijd ook wel een beter titelblad, ontdaan van al die kunstletters, minder overladen én accurater.
Nu toch schijnt het alsof de statistiek der Bentheimsche kerk ook al van Ds. Joldersma is ; iets wat we betwijfelen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 21 januari 1894
De Heraut | 4 Pagina's