GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

„Zonder mij kunt gij niets doen.”

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

„Zonder mij kunt gij niets doen.”

10 minuten leestijd

Ik ben de wijnstok, en gij de ranken; die in mij blijft, en ik in hem, die draagt veel vrucht: ant zonder mij kunt gij niets doen. Joh. 15:5.

Gewoonlijk doen bij onze vruchtbooraen de kUine tn jijne twijgen het meest; want juist van die dunne takjes plukt ge in den herfst de beste vrucht. Wat dus noch de dikke stam noch de zware ranken doen konden, dat hebben, als de zomer om is, die versch uitgebotte twijgjes gedaan; zij hebben de druiftrossen gemaakt; en van dat dunne vruchthout wordt de muskadel geplukt.

Die twijgjes kunnen dus veel., zeer veel doen; edoch onder één beding, en dat beding is, dat die kleine, dunne twijgjes stevig aan den boom blijven zitten. Immers begaat gij de onvoorzichtigheid, om het twijgje ook maar even te knak ken, dan is het ' op eenmaal uit, dan verdort het, en kan het niets meer doen

Elke boom spreekt dus in de natuur tot al zijn twijgjes en al zijn vruchthout: Zonder mij kunt gij niets doen. Van mij afgekapt, of ook maar afgeknakt, voelt gij u geen levenssap meer I toevloeien. In mij vastgegroeid, kunt ge vrucht doen rijpen, en die rrucht, als ze straks gerijpt is, aan den menach in den schoot doen vallen. Maar ook, van mij afgescheurd, dan is op eenmaal al uw macht vergaan, kunt ge geen enkelen bloesem meer doen uitbotten, geen enkele vrucht zich meer doen zetten. In mij vastzittende vermoogt ge als vruchthout alles^ maar ook, zonder mij, omdat ik uw boom ben, vermoogt ge als vruchthout niets.

Dit nu is het, wat onze hoogste Profeet en Leeraar, bijzonderlijk van den wijnstok heeft opgemerkt In den wijnstok inzittende, kunnen de ranken overvloediglijk vrucht dragen, maar zonder den wijnstok, buiten den wijnstok, en van den wijnstok losgemaakt, zijn ze niets dan brandhout, en kunnen ze, wat aangaat het vrucht voortbrengen, niets, volstrekt niets meer doen.

Nu was dit niet iets, dat Jezus als een nieuwe ontdekking aan zijn jongeren meedeelde. Integendeel, dat dit zoo was, wisten de discipelen ook wel; juist zooals ook nu nog elke opgeschoten knaap dit weet. Of wie onder ons zou een door den wind afgebroken twijgje oprapen en bewaren, denkende: Er zal toch nog wel vrucht aan komen.

Jezus sprak met dit te zeggen, dus niets nieuws uit. Veeleer onderstelde hij, dat elk van zijn jongeren het ook wel wist, en er evenzoo over dacht.

En het nieuwe kwam er eerst in, toen Jezus dit zeer gewone uit het leven van boom en tak, van wijnstok en rank, nu opeens op zichzelven toepaste, en met andere woorden dit tot zijn jongeren, in hen tot heel zijn kerk, en in zijn Kerk tot elk van zijn uitverkorenen zeide: »Gij zijt het vruchthout, aan uw twijgjes moet de vrucht uitbotten, zich zetten en rijpen, en dat kan, daartoe zijt. ge bekwaamd. Overvloediglijk vrucht voortbrengen, en straks als ze gerijpt is, die voor de eere van uw God en voor het heil uws naasten afwerpen, ' daf kunt gij doen\ rtiits, en dit beding is onverbiddelijk, mits. ge met de geestelijke vezelen des geloofs in mij als uw Wijnstok vast blijft zitten. Want, en prent u dit diep in, zijt ge eenmaal van mij losgemaakt, of ook maar a^eknakt, zoodat uit mij u het levenssap ophoudt toe te vloeien, dan rijpt er niet één enkele vrucht meer aan uw twijgje. Zonder het levenssap uit den Wijnstok kan de rank en aan die rank het twijgje niets, volstrekt niets doen."

Ge ziet hieruit, hoe dikwijls dit besliste en aangrijpende woord v^n Jezus: »Zonder mij kunt gij niets doen", mis wordt verstaan.

Veelal toch wordt het op zichzelf genomen, los van het verband waarin Jezus het sprak, en dan duidt men het op de Goddelijke hulpe, die Jezus ons in zijn genade moet verleenen, om ons voornemen te doen slagen en gelukken.

Het krijgt dan geheel gelijken zin, alsof iemand zeide: rZonder God kan ik niets doen."

Het wordt dan verstaan van onze crèatuurlijke onmacht; en immers niets, niets kan ooit aan het machteloos creatuur gelukken, tenzij de almogende en alomtegenwoordige kracht Gods hem daarbij schraagt en draagt.

Zoo wordt dan dat schoone, rijke zeggen: »Zonder mij kunt gij niets doen", opgevat in den zin van het Voorzienigheidsgeloof, en schijnt het ons aan te sporen, om bij geen ding het gebed en de smeeking te verzaken, maar bij ÜS. w we ondernemen, de machttge hulpe en den onverwinlijken bijstand van onzen God in Christus in te roepen.

Doch hoe waar dit alles bok zij, toch heeft dit alles met wat Jezus hier zegt, niets te maken.

Jezus spreekt daar niet van. Hij spreekt van heel iets anders.

Niet van uw plannen en voornemens, maar uitsluitend van uw dure roeping, om vrucht te dragen voor de eere van uw God.

Niet van zijn genadige hulpe, als aan wien alle macht in hemel en op aarde is gegeven; maar uitsluitend van het levenssap der ziel, dat u uit hem, als uw Wijnstok moet toevloeien.

En zoo ook niet van uw crèatuurlijke beperktheid en onmacht als schepsel; maar, heel anders, uitsluitend van uw volstrekt onvermogen, als geloovige, om eenige geloofsvrucht voort te brengen, buiten het geestelijk levensverband, waarin uw ziel met hem, als het Hoofd des Lichaams moet staan.

Wie één plante met mij is, wil Jezus zeggen, die draagt vanzelf vrucht; maar ook, wie als afgescheurde rank of tak, naast mij als zijn plante, komt liggen, is tot alle vrucht dragen volstrektelijk onbekwaam.

jZonder mij kunt gij niets doen" beduidt: Zonder levensgemeenschap met uw Heiland, mist gij elk vermogen, om zelfs het kleinste geloofsvruchtje voort te brengen.

Nu is het juist en scherp inzien van deze duidelijke beteekenis van Jezus' zeggen waarlijk niet onverschillig.

Duidt ge toch dit zijn woord mis, en denkt ge daarbij aan de genadige hulpe van Jezus voor het welslagen van wat ge onderneemt, dan komt het u slechts een enkel maal in den zin, als ge voor de uitvoering van een nieuw plan u opmaakt.

Maar verstaat ge het, in dien duidelijken zin, waarin Jezus het bedoeld heeft, dan is het een geloüfswoord voor eiken dag., dat u eiken morgen bij uw ontwaken tegenklinkt, en dat u eiken avond, eer ge u ter ruste legt, óf vertroost óf oordeelt.

Immers vrucht dragen moet het geloof volstrekt niet alleen bij wat ge onderneemt voor de kerk, voor de zending, voor de school of voor de armverzorging; maar vrucht dragen moet ge, allereerst zelfs, 'm uvi dagelijksch leven in uw beroep en in uw kuisgezin.

Geen dag, wat zeg ik, geen morgen, geen middag en geen avond mag er voorbijgaan, dat ge geen vrucht draagt voor de eere van uw God.

Heel uw leven, op den Sabbat en in de week, en al die dagen lang in elk u voorkomend geval, moet dat vrucht dragen voortgaan.

Er moet een vrucht dragen des geloofs in alles zijn. In al uw arbeid, in al uw omgang, in al uw zorge, in al uw moeite, tot zelfs in alle verdriet en alle lijden, dat u overkomt.

Vrucht des geloofs, vrucht tot Gods eere in uw omgang met uzelven, in de vorming van uw karakter, in de ontwikkeling van uw geest, in het beteugelen van uw hartstochten, in het inbinden van uw drift en uw humeur, in het afstaan van ijdelheid, in het dempen van uw trots en hoogmoed, in het reinigen van uw hart.

Vrucht des geloofs, vrucht tot eere van uw ; God, moet er zijn in uw betrekking tot uw man of vrouw, in uw zorge voor de kinderen, die uw God u gaf, in uw verkeer met uw broeders en zusters, in uw verhouding tot uw dienstbaren, of, zoo ge zelf dienstbaar zijt, in uw verhouding tot wie over u gesteld zijn.

En zoo ook, vrucht des geloofs, vrucht tot eere van uw God, moet er aan de twijgen uwer j ziel bloeien en rijpen, bij het u kwijten van uw levenstaak, __^ bij _^^ ___. het verzorgen ^__ van alle ding I dat u is toevertrouwd, bij het volvoeren van de dagelijksche levenstaak, bij het afdoen van wat u eiken dag als taak i» opgelegd.

In en bij dit alles, zult ge ais geloovige, als kind van üod^ u niet tevreden stellen met een vrucht van burgerlijke gerechtigheid, maar zult ge een vrucht des geloofs dragen, en elke dag is verspeeld en verzondigd, waarop de hemelsche Landman die geloojsvrucht niet aan uw takken vindt.

Zoo keert Jezus met dat diepe woord; ? Zonder mij kunt gij niets doen, " ook tot u in^ in uw huis. Hij zoekt er u meê op in uw woning. Hij roept het u toe 'eiken morgen en eiken avond. Hij verzelt er u mede bij allen arbeid. Hij fluistert het u in bij elke moeielijkheid, waarvoor ge in het dagelijksch leven komt te staan.

Niets zonder levensverband met mij. Gij staat, als geloovige, niet op u zelf. Gij zijt niet zelf een boom, met eigen wortel, maar slechts een tak, een twijg, een rank. Niet in u, in mij alleen is de wortel, en alleen uit dien wortel kan het levenssap des geloofs u toekomen. Wat wildet gij dan doen zonder mij?

Zij het dus al, dat gij matiglijk leeft, en sül uw arbeid' verricht, en vrede houdt met wie om u zijn, toch is dit alles nooit een geloofsvrucht, als het uit u zelven opkomt, als gij dat in eigen kracht zoo wrocht.

Ge teelt dan niet anders dan een wrange, bittere; wormstekige vrucht, die uw God niet tot zijn eere plukt, maar als onbruikbaar wegwerpt; juist zooals gij in den herfst het Onrijpe, aangestokene ocrft uitschiet, om alleen het goede, rijpe poft in uw korven te verzaiiielen.

En daarom, zal uw leven een lei'en des geloofs zijn, en een vrucht des geloofs dragen, dan komt al dit eigen, werk niet eenmaal in aanmerking, en telt alleen datgene meê, wat uit Jezus in u kwam, en door hem, door zijn gemeenschap, door het uit hem u toevloeiend levenssap tot een vrucht des geloojs gemaakt is.

Doch dan volgt hier ook uit, dat al uw ijver om niet is en al uw inspanning niet gedijen kan, indien niet dagelijks die gemeenschap met den Wijnstok door u gezocht en bevestigd wordt.

Gte leidt het leven van een Christen, van een kind van God niet, zoo ge, ja, belijdt, dat Christus uw Heiland is, maar nu voorts buiten hem otn, en buiten zijn gemeenschap, uw leven inricht, uw dag besteedt en uw taak afwerkt.

Christen is alleen hij, die in Christus is ingeplant, en, eenmaal in hem ingeplant, die inplanting eiken dag overweegt, er meê rekent, er uit leeft.

En daarom baat het vi niet, of ge al, bij een enkele moeielijke zaak die u voorkomt, tot uw Jezus uw toevlucht neemt; want immers dan zijt ge niet aan hem gewend, dan is hij u als een vreemde; als een Heiland, die van verre staat; en nu, voor dat ééne oogenblik tot u komen en u uithelpen moet.

Neen, om als een kind van God te leven, moet uw leven eiken dag uit den wortel, die in Christus is, opbloeien, al den dag door de overmacht die de Wijnstok over de rank heeft, beheerscht worden, en moet heel uw leven doo dat in Christus ingeplant zijn u dragen.

Zonder mij kunt gij niets doen.^ is niet enke at een waarschuwing, om niets zonder Jezus te beginnen, maar ook een prikkel, die u in de ziel dringt, om u te zeggen, dat er vrucht van eiken dag moet zijn, en dat ge daarom eiken dag van uw leven zoeken zult die innige levensgemeenschap met uw Heiland, waaruit alleen de kracht, om vruchten tot Gods eer te dragen, u toekomt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 25 februari 1894

De Heraut | 4 Pagina's

„Zonder mij kunt gij niets doen.”

Bekijk de hele uitgave van zondag 25 februari 1894

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken