„Hervormde” Politiek.
Van meer dan één kant hoort men, dat hier en daar door Synodale predikanten pogingen in het werk worden gesteld, om «Hervormde" politiek te gaan drijven.
Gelijk de Roomsche kerk ook als kerk een politieke ról speelt, zoo willen deze mannen broeders, dat ook de Hervormde kerkgenooten hun politiek zullen hebben, hun kiesvereenigingen, hun politiek blad.
Dat dit op; teleurstelling moet uitloopen, ligt voor de hand.
Vooreerst, omdat A^ Hervormde kerk elk ^ eigen beginsel mist, hopeloos verdeeld in eigen boezem is, en zelfs op religieus terrein tot niet één gemeenschappelijke actie bekwaam is.
Maar ook omdat politiek nu eenmaal niet kerkelijk is te drijven, dan met het oog op enkele bepaald kerkelijke belangen.
Op politiek gebied zijn allerlei vraagstukken, die met de kerk niets hoegenaamd uitstaande hebben, en waarin alleen te kiezen valt naar vaste beginselen of met het oog op practisch belang.
Zelfs de Roomschen toonen ons, hoe machteloos een politiek optreden is, dat als zoodanig een kerkelijk karakter wil dragen.
Hier zal men dientengevolge het zonderling schouwspel aanschouwen, dat er een politieke^ actie opkomt zonder politieke beginselen, zonder politieke kennis en zonder politieke mannen.
Het zal een dominees-spelletje worden, om hun invloed te doen gelden ter afbreking van de Christelijk-historische politiek. Niets anders,
Benoeming.
Als opvolger van Prof. De Cock is tot docent te Kampen benoemd Ds. Biesterveld te Rotterdam, ïvjen - ook d& lierantxjjn.. gelukwensch aanbiedt, met de bede, dat onze God, wiens alle Wijsheid is, hem in dit zijn ambt ten zegen stelle.
We maken dan ook op deze benoeming, als zoodanig, geen de minste aanmerking. Eer vertrouwen we, dat de vakken, die Ds. Biesterveld doceeren zal, bij hem in veilige handen zijn.
Slechts zij met een enkel woord uitgesproken, dat het toch op den duur geen goeden indruk kan maken, indien men stelselmatig voor Kampen aldoor mannen blijft benoemen, die uit de oude A's komen.
Recht goed onder ons zal het dan eerst worden, indien er te Amsterdam wat A's bij de B's komen, en zoo ook te Kampen wat B's bij de A's.
Eerst op die manier raken ze beiden de wereld uit.
Te Amsterdam heeft men door een, zelfs herhaalde, benoeming genoegzaam blijk gegeven, dat men dien weg der vermenging wel op wilde.
Volgde men dien weg nu ook te Kampen, dan zou ook van die zijde de tegenstelling allengs verflauwen, en de hefde voor deze School bij alle kerken dieper wortel schieten.
Voorzichtig.
De heer H. den Ouden uit Boskoop meldt ons, dat zich bij hem vervoegd heeft zekere A. Vermeulen, thans wonende te Zevenhuizen, verzoekende bijdragen voor zijn studie, daar hij te Gouda voor den Dienst des Woords zou worden opgeleid.
Dit voor goede munt opnemende, had hij dan ook op die lijst geteekend; maar bij nader onderzoek te Gouda bleek hem, dat van dat voorgeven niets aan was.
Ook vernam hij dat in de Bazuin No. ^j, tegen dezen heer A. Vermeulen reeds gewaarschuwd was, en dat deze waarschuwing later in de Zuidholl. Kerkbode en het Kerkblad herhaald was.
Men zij dus voorzichtig.
Er schijnt hier misleiding plaats te hebben. Eh wie nu toch geeft, ook na gewaarschuwd te zijn, heeft het zichzelf te wijten, zoo hij er in loopt.
Krachtsverspilling.
III
Verstaan de Gereformeerde kerken haar roeping, dan zullen ze er steeds op bedacht zijn, om, indien mogelijk, als docenten aan haar Theologische School die mannen te benoemen, die er vanzelf voor zijn aangewezen.
Goed bezien is zulk een benoeming in normale omstandigheden ook uiterst gemakkelijk; althans zoolang er geschikte mannen beschikbaar zijn. Dan toch komt in den regel vanzelf uit, wie de man is, die in het hoofdvak, waarvoor de benoeming moet plaats hebben, de sporen heeft verdiend, en die man wordt het.
Valt er een docentenplaats open voor de studie van het Oude Testament, en is v er een man beschikbaar, die algemeen in de wetenschappelijke wereld als met die v studie vertrouwd bekend staat, dan neemt n men hem. Moet het een man voor de Kerkhistorie zijn, dan onderzoekt men, wie daarin s de matador is. En zoo gaat het voor alle in vakken.
Belieft het nu God den Heere om, als er en katheder openkomt, voor dien katheder ulk een man van vijf talenten aan te bieden, ie zou dan aarzeleri, en wie zou niet tertond toetasten, om zulk een man ook voor er kerken »eigen inrichting" te winnen?
Het is zoo, het lastige geval kan zich ok voordoen, dat er een vanzelf door zijn tudiën aangewezen candidaat ontbreekt. elfs de Rijks-universiteiten hadden maar al e dikwijls over die ongelegenheid te klagen. En dan wordt het lastig.
Dan toch moet men óf een buitenlander nemen, die zich gemeenlijk weinig in onze kringen thuis gevoelt, óf een jongeren broeder van goeden aanleg benoemen, die nog wel in geen bepaald vak uitkwam en veel minder nog reeds zijn meesterschap toonde, maar van \vien verwacht wordt, dat er een docent, met eere, uit hem groeien zal.
Vooral bij den tegenwoordigen toestand der Gereformeerde kerken, zoo hier te lande, als elders, heeft men wel eens dien weg moeten inslaan; maar men weet dan ook van de Schotsche, Zwitsersche en Amerikaansche scholen, met hoeveel gevaar dit gepaard ging, op wat teleurstelling het meer dan eens uitliep, en welke schade er door aan de kerken is toegebracht. In het Canton de Vaud kan men letterlijk zeggen, dat heel de Vrije kerk er soms door is verwoest.
En dit is natuurlijk.
Immers men doet dan een benoeming in den blinde. Mert neemt iemand van goeden aanleg en uitnmntende intentie, maar die zelf nog in het minst niet weet, tot welke resultaten zijn speciale studiën hem zullen leiden, en van wien de kerken het dus nog veel minder weten.
Gaat nu zoo iemand met zijn studie den verkeerden weg op, dan komt dit kwaad niet opeens, maar langzaam en ongemerkt. Hij helt eerst misschien maar een centimeter buiten de lijn van het fundament. Edoch, rusteloos gaat dit scheef hellen door. En het einde is, dat het kwaad reeds overal in de kerken zit, eer het aan de school veor ieder merkbaar uitkomt.
Men weet hoe het met Prof. Astié is gegaan.
Is nu op die wijze de keuze soms reeds zeer bemoeielijkt, ook al hebt ge maar ééne inrichting voor de Theologie, "dan wordt het kwaad natuurlijk op eenmaal dubbelzoo erg, indien ge in eenzelfden kring van Christus' kerk twee zulke inrichtingen naast elkander plaatst.
""Gelijk' het tegenwoordig staat, •kunt ge niet wel met minder dan vier a vijf mannen toe. Zeker, acht was nog veel wenschelijker, want het veld der Theologie is zeer uitgebreid. Maar ten onzent is vier k vijf nog het meest gewone cijfer. Leiden heeft er vijf, Utrecht vier, Amsterdam vijf, Groningen vier.
Doch minder gaat moeilijk, want vergeet niet dat aan de Rijksuniversiteiten geen Dogmatiek enz. gedoceerd wordt, zoodat er dan nog twee kerkelijke docenten bijkomen. Nu is het natuurlijk niet zoo gemakkelijk, om vier, als om acht katheders goed te bezetten, en reeds hieruit blijkt, hoe uw kans, om uw katheders met terdege wetenschappelijke mannen te bezetten, op de helft daalt, als ge twee, in plaats van ééne inrichting bezetten moet.
Twee inrichtingen heeft dus altoos op zichzelf reeds veel tegen zich; vooral zoo ge niet veel verschot hebt, en de personen vanj^jbeteekenis, waarover ge beschikken kunt, zeer weinigen in aantal zijn.
En toch ligt hierin nog niet het grootste bezwaar.
Er komt namelijk nog een ander, een veel ernstiger, bezwaar bij.
Dit tweede bezwaar vloeit voort uit den tegenwoordigen stand van de theologische wetenschap.
Gelijk toch alle deskundigen zonder voorbehoud toegeven, moet de kracht der Theologie in den tegenwoordigen tijd ten principale gezocht in bijzondere studiën.
De tijd is voorbij, dat een theoloog alle vakken onder de knie had, en desnoods inelk vak college kon geven.
Daartoe is elk der vakken veel te uitgebreid van omvang geworden, zijn de vraagstukken die bij elk vak rijzen, veel te talrijk, en eischt elke vraag op zichzelve een veel te omvattend onderzoek.
In den regel kan men dan ook zeggen, dat zelfs zeer knappe theologen, zoo ze iets wezenlijks praesteeren zullen, kwalijk meer dan één vak voor hun rekening kunnen nemen, om vooral op dat ééne vak al hun kracht en al hun ijver te richten.
Neem b. v. de Kerkhistorie, en vraag aan wien ge wilt, of het mogelijk is, om als ge de Kerkhistorie voor uw rekening hebt, daarin werkelijk iets van aanbelang te praesteeren, en er dan nog meerdere vakken bij te nemen.
Dan immers zal elk deskundige u antwoorden, dat reeds de Kerkhistorie op zichzelve zoo buitengemeen uitgebreid is, dat zelfs de knapste theoloog, ook al geeft hij zich uitsluitend en geheel aan dit vak, nog nooit meer dan< p/« enkel deel van dit vak grondig en uit de bronnen zal kunnen nagaan.
De Kerkhistorie der eerste eeuw eischt op zichzelve een menschenleven. Die der Middeneeuwen opent een geheel ander, nog breeder veld. De Kerkhistorie der Reformatie opent tegenwoordig een veld, dat bijna niet is af te zien. En de Kerkhistorie van de Gereformeerde kerken, speciaal in Nederland, biedt waarlijk aan den besten onderzoeker reeds meer dan hij in een lang leven af kan.
Ditzelfde nu ware evenzoo aan te toonen van de overige vakken.
Reeds het op de hoogte van den stand van uw vak te komen, eischt een inspanning, die jaren vereischt.
En waar dit nu reeds tot beperking van studiekennis aan alle scholen dwingt, is dit in nog veel hooger mate het geval met de Gereformeerde Theologie.
Hier toch staat men voor een akker, die bijna anderhalve eeuw braak lag.
Na Bernard de Moor kan men niet wel zeggen dat er theologen van Gereformeerden huize aan onze Academiën zijn opgestaan, die de beginselen van uit den wortel hebben opgehaald.
Tusschen deze toenmalige epigonen en ons gaapt nu meer dan een eeuw, waarin de .stand der quaestiën geheel is omgezet, geheel andere vraagstukken gerezen zijn, en geen fundament ongeschokt genist heeft.
Alles moet dus thans geheel opnieuw van uit den wortel worden opgehaald.
Wat Hodge en anderen ons boden, achten we daarom niet gering, maar het was geen principieele studie. Wat Heppe, Ebrard e.a. in Duitschland leverden, heeft alleen waarde in zooverre het historische bouwstof bijeenbracht, maar het gaf geen Gereformeerde Theologie.
En al heeft men zich ook een tijdlang, zelfs in Kampen, met de handboeken van wijlen Prof. Van Oosterzee beholpen, toch gevoelt een ieder, dat men hiermee een Theologie binnenloodst, die, hoe: goed ook bedoeld, meer aan een schoongApluktftn rui-
ker, dan aan het planten van de Gereformeerde stekken, deed denken.
. Zonder overdrijving mag dan ook gezegd, dat een principieel Gereformeerde Theologie thans eerst aan het opkomen is.
Wat arbeid, wat inspanning, wat toewijding van de beste krachten zal het dan niet vorderen, eer geheel het veld der Theologie van uit deze zuiverder beginselen weer zoo zal zijn doorzocht en onderzocht, dat men zal kunnen zeggen, weer met een eigen Theologie gereed te zijn. En hoe wil men nu, dat hier iets van kome, en dat deze arbeid zóó ondernomen worde, dat we de eere onzer vaderen herwinnen, indien men aan tweemaal vier mannen de taak oplegt, om te beginnen 7> iet twee analen hetzelfde te doen .-
Is dit geen krachtsverspilling?
Stel ge hebt twee mannen, die waarlijk als Kerkhistorici met eere genoemd mogen worden, is het dan niet zonde en jammer, indien ge beiden, noem ze A en B, noodzaakt, om elk, in afzonderlijke colleges, h^el het veld dier historie af te loopen; alzoo op twee plaatsen, beide malen voor een klein getal jonge mannen, hetzelfde te zeggen, en indien ge op die wijs hun de mogelijkheid afsnijdt, om zich elk aan een eigv n deel dezer historie te kunnen wijden ?
En ware het niet verstandiger, zou het ons niet meer vooruit brengen, zou het de eere van den Gereformeerden naam niet meer verhoogen, indien ge dezen beiden mannen de gelegenheid gciaft, om de taak onder zich te verdeelen, zoodat b v. de één zich aan de Kerkhistorie der eerste eeuwen kon wijden, en de ander zich uitsluitend werpen kon op de historie der Reformatie?
Dit springt zoo in het oog, dat een kind het vatten kan.
»Verdeeling van arbeid" is de tooverspreuk onzer eeuw geworden. Op elk terrein ziet men in, dat alleen door verdeeling van arbeid iets groots is te bereiken. Het stelsel van weleer, dat alle7i hetzelfde deden, is derwijs onprofijtelijk gebleken, en bij de vermeerdering van den arbeid zoo te eenen male onuitvoerbaar, dat men he overal opgaf, en allerwegen en op elk terrein in »verdeeling van den arbeid" heil zocht.
En is dit nu zoo, gaat het dan aan, da de Gereformeerde kerken zich houden, als leefden ze buiten haar tijd, als hadden ze van dezen omkeer in den toestand niets gemerkt, ja, als hadden ze er zelfs niet aan gedacht, om orde op deze zaken te stellen.
Krachtsverspilling, en niets minder dan dat is het, als ge slechts over twee mannen voor één vak te beschikken hebt, en ge noodzaakt beiden om hun tijd met hetzelfde te verdoen.
Dat wordt monnikenwerk, waardoor niemand gebaat' wordt, en waarbij de kerken ongemeen schade lijden.
Sterker nog, zulk een krachtsverspilling ichijnt ons toe sonde voor God te zijn.
We leven in een hachlijken tijd. Geheel de veste van ons geloof wordt belegerd. Op elk punt letterlijk wordt de waarheid des Heeren en de eere onzer vaderen aangevallen.
Heel de kerk is in nood.
En als nu God de Heere in zijn genade nog zoo goedertieren is, om ons zeker klein aantal mannen te schenken, die iets uitrichten, iets tot stand brengen, iets verweren, en iets opbouwen konden, zullen wij dan in onze bekrompenheid en enghartigheid zeggen, dat die enkele mannen hun tijd en hun kracht voor de helft moeten te niet doen) door tweemaal hetzelfde te doceeren ?
Krachtsverspilling is hier een verspillen van zeer edele krachten, die God de Heere nooit anders dan zeer spaarzamelijk geeft, en die vooral in onze dagen zeer zeldzaam zijn.
En waar nu in het spaarzaam voorkomen van deze krachten vanzelf de aanwijzing van Gods wege ligt, om er zuinig mee om te gaan, en geen enkele kracht te vermorsen, zal onze dwaasheid de wijsheid Gods dan te niet doen, en een stelsel invoeren, dat als zoodanig op de meest ruwe en in het oog loopende krachtsverspilling berekend is?
Óns dunkt, dit kan niet, dit mag niet, dit zou, als onze kerken er in volhardden, een kwaad worden, waar een oordeel op moest volgen.
Van elke kracht die God geeft, moet komen wat er van komen kan, en zal de kerk des Heeren Gode rekenschap geven.
Stilzitten,
Nog altoos kruisen zich in onze kerken de denkbeelden over den dienst der ouderlingen en diakenen.
Naar de oorspronkelijke bedoeling van onze Kerkenordening, dit valt niet te ontkennen, scheen het de meest gewenschte toestand, dat beurtelings alle geschikte broederen tot dezen dienst zouden geroepen worden.
De dienst werd op twee jaren gesteld, en de onmiddellijke weerinkiezing eer verboden, dan aangemoedigd. Er staat toch in art. 27 D. K.: «alle jaar sal 't halve deel verandert, en anderen in de plaats gestelt •worden."
Men bezag de zaak toen eenigszins uit een ideaal oogpunt.
Bij het opgewekte geestelijk leven dat destijds heerschte, stelde men zich voor, dat het beschikbaar personeel allerwegen tamelijk groot zou zijn, en dat gestadige afvvisseling er toe zou bijdragen om een ieder op zijn beurt in den gang van het kerkelijk leven in te leiden, en zoodoende het meeleven met de gemeente aan te wakkeren.
Aan die schooue verwachting heeft intusschen de uitkomst niet beantwoord.
Toen het geestelijk leven zonk, bleek het al moeilijker, vooral in kleine gemeenten, wesienHjk* ouderlingen te vinden, die in de waarheid thuis, geestelijk rijp, met gaven van wijzen zin en verstandig beleid bedeeld bleen, en zoo kwam men er op vele dorpen l ras toe, om wat men had te houden. In de steden ging het iets beter, vooral omdat tiestijds het aantal ouderlingen en diakenen in de groote steden veel kleiner was dan thans. Maar toch ook daar bleek e keuze al spoedig minder ruim te zijn an men zich had voorgesteld.
Zoo kwam het, dat allengs van wisseling in het personeel steeds minder te hopen viel, en goede ouderlingen eens gekozen veel te lang bleven doordienen.
Later mengde zich daar heerschzucht in, en begonnen de eens zittende mannen voorde bestendiging van hun heerschappij te waken.
En ten slotte was weerinkiezing van wie aftrad allengs zoo vaste regel geworden, dat men /«V^herkiezing als een blaam beschouwde, en zich soms niet ontzag, zelf, of bij monde van zijn vrienden, tegen zulk een onderstelde beleediging te protesteeren.
Dit deed dan het vleésch, dat helaas ook op kerkelijk gebied telkens nog zoo groote rol speelt.
Thans echter na de Reformatie, die de atmosfeer eenigszins zuiverde, beginnen in onze vrije kerken weer gezonder denkbeelden boven te komen.
Wel werkt ook hier het vleesch nog na en ontwaart men meer dan eens, dat een ouderling of diaken het )> eens burgemeester altijd" burgemeester" op ztchzelven toepast, of ook dat gemeenteleden, die niet te lagen dunk van zichzelven hebben, er op uit zijn, om ook zelf etns gekozen te worden ; maar dit zijn toch uitzonderingen ; en naar waarheid mag gezegd, dat men thans de zaak weer meer met het oog op den welstand der gemeente beziet.
Men vraagt niet zoo meer: »Wat vind ik aangenaam? " maar: »Wat eischt het welbegrepen belang der gemeente? "
En bij dezen stand der quaestie wint thans steeds meer het gevoelen veld, dat het goed zal zijn, aan het altoos doorzitten van dezelfde personen in het ambt op zulk een wijze een eind te maken, dat de keuze der gemeente weer vrij worde.
Dat is ze nu feitelijk niet.
Zoolang toch een ? ? ? > ^-herkiezing nog den indruk maakt van een blaam, een afkeuring of een beleediging, is het gansch natuurlijk, dat de gemeente deze onaangenaamheid aan broederen, die haar trouw gediend hebben, spaart.
Die vrijheid nu kan de gemeente alleen dan herwinnen, indien bepaald wordt, dat een aftredend ouderling of diaken, na één of twee diensten, minstens een jaar stil moet zitten.
Of dit na eiken dienst kan, hangt van plaatselijke omstandigheden af. Misschien dat het meestal noodzakelijk blijken zal, na één dienst onverwijlde herkiezing te blijven toelaten.
Maar na twee achtereenvolgende diensten is dit niet noodig.
Na twee volbrachte diensten kan me zeer goed, althans voor één jaar, de aftredende personen niet herkiesbaar stellen.
Dan is de gemeente weer vrij.
Dan komen er vanzelf andere personen in het ambt.
En zoodoende krijgt men ook voor de toekomst ruimer keuze.
Acta.
De Synodale Acta zijn uit. Een prachtig boekdeel, waarin ge om trijd de keurigheid van saamstelling en de etheid van uitvoering bewondert.
Alleen het fraaie boek is wat duur. Drie gulden twintig kan niet ieder betalen, n dus blijven de Acta onbekend.
Daarom rees bij ons de vraag, 01 het niet verstandiger ware, voortaan alle mededeeling an de discussiën achterwege te laten.
Dan kwam het boek spoediger gereed, veel meer onder ieders bereik, en zou het reeder kring bestrijken.
Recenasie.
Bij den uitgever Gezelle Meerburg te Heusden zag het licht de rectorale redevoering van den heer L. Lindeboom, getiteld: Godgeleerden, met aanteekeningen en bijlagen.
Met waardeering namen we van deze rede kennis, in zooverre er uit bleek, hoe ernstig de toeleg van den redenaar is, om de Waarheid Gods tegen alle gevaar dat haar van de valschelijk dusgenaamde wetenschap bedreigd heeft en nog bedreigen kan, te verdedigen.
Men hoort zoo zelden in onze dagen een positief geluid, dat het u altoos goed doet, zoo ge weer eens een kloek pleidooi hoort voor de beveiliging van de veste onzes Gods.
Zulk een pleidooi nu voert in deze rede ook de heer Lindeboom, en in dit pleidooi komen hier en daar ontegenzeggelijk goede stukken voor.
Gaarne dragen we het dan ook, dat de geachte redenaar zijn Kampensch geschut nu eu dan, onder het afvuren, op Amsterdam richt; temeer daar het schot steeds over onze veste heenvloog.
Indien toch de zaken hier lagen, gelijk hij die zich voorstelt, dan zou een, misschien iets zachter te uiten, protest stellig niet misplaatst zijn geweest.
Nu echter is dit niet het geval, geijk dat ook hem wel blijken zal, als zeker werk, waarvan thans nog slechts het eerste deel het licht zag, straks voltooid zal zijn.
Enkele uitlatingen, die niet zonder beenking zijn, weuschen we daarom voorsands niet te releveeren.
Mochten we nochtans een enkele vraag oen, het zou deze zijn, of wie officieel als ector van de School der kerken redevoert, iet in zckcrei» zi» in naam van alU keren spreekt.
Een omstandigheid, die dan weer de vraag zou wettigen, of dit officieele kerkelijk karakter van zulk een woord zoo geheel en al uit het oog mag worden verloren, als het ditn^aal nu en dan ge schied is,
Intusschen hierop hebben de gedeputeerde curatoren in eerste instantie, en de kerken in tweede instantie toe te zien. Wij veroorloofden ons slechts de vraag te stellen; gaarne aannemende, dat de redenaar zich zelven die vraag tiiet gedaan heeft.
Het Tijdschrift voor Gereformeerde Theologie is tot onze blijdschap herrezen en zal nu door den heer Nauta, te Velzen, worden uitgegeven.
Ook onderging het deze verandering, dat de redactie uitgebreid werd, en dat ook A-mannen in deze redactie zitting namen. Vooral dit laatste is uitnemend.
Alles moet thans gekruist en dooreengemengd worden.
We hopen van harte, dat deze verjongingskuur en deze toevoer van nieuw levensbloed het tijdschrift een nieuwe periode van bloei moge profeteeren.
Het is nog slechts een kleine plant; maar wat klein is kan groéie.i. '
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 11 maart 1894
De Heraut | 6 Pagina's