„Zijn zelfs offerande.”
Om de zonde te niet te doen, door zijn zelfs offerande. Hebr. 9 : 261^.
Christus en die geknüsf\ blijft zoolang we onze pelgrimsreize op aarde voortzetten, het heilig parool, de leuze vol mysterie, het woord der eeuwen, dat ons bezielt.
Onze belijdenis is niet een opkomen voor een afgetrokken waarheid, geen ijveren voor een dor stelsel, geen getuigenis, dat over onze lippen komt, om voor denkbeelden en voorstellingen aanhangers te winnen: maar de vrucht van geloof.^ van geloof in een geestelijke werkelijkheid die, belichaamd in heel een reeks aangrijpende gebeurtenissen, als een eigen wereld vol licht en liefde en leven voor ons treedt, en van die heilige geschiedenis is de Christus het één en eenig middenpunt.
We zijn Christenen. Dus is wat ons onderscheidt, niet dat we aan God gelooven, want dat deed Melchizedek ook; maar wat ons kenteekent is onze heilige Doop, en die Doop is ons bediend in Christus' naam, opdat we als zijn gekochten, belijden zouden den Drieëenigen God.
Christus, en hij alleen maakt scheiding tusschen ons en hen die geen Christenen zijn.
En de Christus maakt scheiding tusschen hen en ons, niet zooals Mohammed scheiding maakt tusschen de Muzelmannen en die zij de »ongeloovigen" noemen. Alzoo niet omdat we in hem den stichter van onze religie eeren, noch ook omdat we ons houden'aan zijn inzettingen en zijn leer tot de onze maakten; maar omdat een mystieke, geheimzinnige levensband ons aan den Christus z'^rbindt, en met hem saam\)\\sA^ in één lichaam.
De heilige apostelen roemen niet, dat ze van Christus zijn, omdat ze houden wat hij beval, en zich houden bij zijn orakelen, maar omdat ze betuigen konden : ^Niet meer ik lecf^ maar Christus leeft in mif'\ of anders gezegd omdat ze roemen konden: Hij is onze AVijnstok, en 171 hetn zijn wij als ranken^ dragende vruch uit wat die Wijnstok voor zijn ranken is.
Ze schuiven daarom den Christus wel nooit voor den Vader, maar kunnen toch niet anders dan door hem tot den Vader gaan.
Christus is hun Hoofd en Koning, hun Middelaar en Goël, hun Profeet en hun medelijdende Hoogepriester.
Uit hem, als het eenig middenpunt, vloeit alle licht dat hun toestraalt, en naar hem straalt alle hoogere levensuiting uit hun hart terug.
Er is geen naam onder den hemel bekend, die voor de apostelen boven den naam van den Christus uitgaat.
En daarom, «Christus en die gekruist" is het inbegrip van hun geloof, de saamvatting van hun prediking, de schoone vertolking van wat de hope wekt in hun hart.
Dat ïgekruist" moet er bij; want juist daarin dat Christus gekruist is, ligt al het tragischgeheimzinnige, het teeder wegsleepende, het zieiaangrijpende en hartveroverende van hun prediking.
Wel liepen de discipelen, ook eer Jezus leed en stierf, hem na, sloten ze zich bij hem aan, hadden ze hem lief, en waren ze bereid hun leven voor hem te zetten; maar toch eerst na Golgotha valt hun het bedeksel van de oogen, wordt de sluier weggenomen die zijn wezenlijke grootheid voor hem verborg, en zien ze nu van achteren een heerlijkheid in hem openbaar worden, als ze van te voren van verre niet hadden vermoed.
Want wel wisten ze van te voren, dat hij lijden ging, maar toen baden ze dat lijden nog af, wilden ze dat lijden voorkomen, en konden ze zelfs niet inleven in de gedachte, dat zóó smadelijke dood over hem komen zou.
Eerst moest het lijden er zijn, moest dat lijden doorworsteld en ten einde toe volbracht worden, en toen eerst, toen ze voor de vrucht, voor het rijk gevolg, voor de geestelijke uitwerking van dat lijden stonden, toen ontwaarden ze, wat goud er in blonk, wat Goddelijke majesteit er in verscholen lag, en hoe eerst door dat kruis de Christus waarlijk de Gezalfde God, en het voorwerfi hunner aanbidding was geworden.
Vooraf hadden ze gewaand, dat het kruis de grootheid van Jezus zou doen tanen, en zie, nu van achteren gaat het oog hun open voor het feit, dat eerst door dat kruis hun Heiland groot boven alles is geworden.
Het is nu niet: »de Christus", en, helaas, die Christus aan het kruis gestorven, maar heel anders: : Die Christus zonder het kruis voor hen voorbijgegaa7i.i en die Christus met zijn kruis d Christus in zijn glorie voor hen geworden.
En daarom : ^Christus en die gekruist", aldus weerklinkt van die ure af de taal huns roemens.
En het is die taal des roemens die de wereld is ingegaan; die de eeuwen doorklonken heeft; en die als een klank van zegepraal en overwinning ook ons zielsoor bereikt heeft.
Het was de »zelfsofferande" waarin het mysterie van verlossende, heiligende kracht school, en die ons de wondere kracht van het kruis van Golgotha vertolkt.
7.t\iopoffering had de wereld ook vóór het kruis gekend. Onder alle volken had de heldenmoed geblonken, die zich voor het vaderland in den dood wierp, of in de toewijding der liefde zelfs het leven geen te kostelij ken prijs achtte.
Hoe diep onze menschelijke natuur ook door de zonde gezonken was, zooveel vonkskens van hoogeren zin glinsterden, dank zij de gemeene genade, nog wel in de borst van de edelen van ons geslacht, dat de overlevering onder alle natiën nog van veel schoonen heldenmoed en zoo niets ontziende toewijding wist te verhalen.
Ook in het stille huisgezin was zoo menigmaal dezelfde schoone trek in de toewijding van vrouw en moeder gezien.
Soms had zelfs een slaaf om zijn meester te redden den dood getrotseerd.
En toch dit alles was nog de Dzelfsofferandé" niet.
Die kon geen onzer, die kon geen kind des menschen, in zonde geboren, brengen, want die szelfsofferande" moest op het altaar Godes gebracht, en op het altaar Gods mag niets komen, dat bevlekt, verminkt of onrein is.
Niet het trotseeren van den dood stempelde dit zich overgeven tot een offerande. Die offerande ontving haar stempel eerst door de volkomenheid der toewijding aan Hem, uit wien ons leven en heel ons aanzijn was, en wien deswege heel dat aanzijn, nu en eeuwiglijk toekomt.
Dat die »zeifsofferande" door den dood gaat, is zelfs bijkomstig. In het paradijs ware die zelfsofferande zelfs van alle aanraking met den dood vrij gebleven, indien de eerste Adam die »zelfsofferande" niet, door ze zelf te verzaken, op den tweeden Adam gelegd had.
Bij de engelen Gods is szehsofferande", want ze kennen geen ander doel, dan om zich Gode te geven, Gode toe te wijden, en voor hun God te leven,
En zoé "'«sêteia-ètfetle »zelfsofferandè" onder menschen geschitterd hebben, indien niet de zonde het offer ontreinigd, en de «offerande" van 's menschen zij onmogelijk had gemaakt.
Om u zei ven Gode te kannen offeren moet ge eerst rein, moet uw kleed wit als sneeuw en uw gewaad als witte woUe zijn.
Dan, maar ook dan eerst kan uw leveji een »zelfsofferande" voor uw God zijn.
Anders niet.
Eén enkel gebrek, de minste vlek of rimpel, maakt uw persoon gansch ongeschikt, om een offerande Gode te zijn.
Wie zich, «bevlekt, met schuld bedekt en door , duizend zonden misvormd, " aanbiedt bij het altaar Gods, wordt onverbiddelijk, onherroepelijk afgewezen.
God duldt niets dan wat vlekkeloos en onbestraffelijk rein is, op zijn heilig altaar.
En daarom kondt gij., kon niet één mensch, de zelfsofferande brengen, en is die dan ook nooit te voren gebracht, en zou die nooit gebracht zijn, indien in Jezus niet de Heilige verschenen ware.
I Ontvangen van den HeiUgen Geest" en daarom «afgescheiden van de zondaren, " dat is zijn eeretitel, de eenige eeretitel waardoor de Christus bekwaamd werd, om die nog ongekende, steeds afgeëischte, maar nooit gebrachte «zelfsofferande" Gode op te dragen.
Toen hij hij het altaar Gods verscheen, werd hij niet afgewezen; want hij was rein.
Rein, niet alleen toen menschen hem keurden; maar ook toen hij gekeurd werd door het heilig oog zijns Gods.
Hoe ook als goud gelouterd, niets bleek aan hem te zijn, dan wat in heiligheid gelijk stond met het zeer fijne goud van Ofir.
Ware het nu om zichzelf alleen geweest, dat hij verscheen, zoo zou ook Jezus, evenals de engelen Gods in de hemelen, op aarde zijne zelfsofferande gebracht hebben in zijn leven, en t door zijn leven alleen.
Dat er de dood bijkwam, was door uw toedoen, en om uwentwil.
Het is onze schuld, het is om onze zonde, dat deze offerande der volkomen toewijding aan God, dat deze zelfsofferande door zijn bloed moest bezegeld worden.
Want Jezus had geen gemeenschap met den dood dan om onzentwil.
De dood is uit de zonde, en gelijk uw Heiland builen zonde stond, zoo ook stond hij buiten allen dood en tegen allen dood over. En eerst toen hij mu zonde op zich nam, toen trok hij, als nasleep van die zonde, ook den vreeselijken dood over zich.
Zoo is dan zijne «zelfsofferande uw offerande geworden, en wie door het geloof in dat kruis zich verliezen, in dat kruis wegzinken, in dat kruis geheel opgaan mag, die is toen Christus stierf in en met hem gestorven, en heeft toen hij zijn offerande volbracht, in die zelfsofferande van Christus, ook zich zelven Gode opgedragen.
Wonder mysterie!
En nog wonderbaarder dat die zelfsofferande van Christus ii, terwijl ge nog uw vlekken en uw smetten houdt, toch smetteloos en vlekkeloos voor uw God stelt, zoodat gij, in Christus verzoend, in Christus gerechtvaardigd, en in Christus geheiligd, thans, naar het heilig woord van den apostel, ook tt zelven stellen kunt tot een heilige Gode welbehaaglijke offerande.
Uw «zelfsofferande" als vrucht van de zelfsofferande van uw Heiland.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 18 maart 1894
De Heraut | 4 Pagina's