Buitenland.
Duitschland. Quaestie over den doop van
een kind. In Wurtemberg deed predikant Schrempf, die door liet hoogste kerkbestuur verleden jaar werd afgezet, omdat hij verklaard had het niet in de apostolische geloofsbelijdenis te kunnen vinden, in den laatsten tijd opnieuw van zich spreken, Eenigen tijd geleden werd Schrempf een doch» tertje geboren. Aanstonds met dit kind naat den doop te gaan, lag niet op den weg van den gewezen predikant, vooral met omdat 72 gemeenteleden een petitie aan het Consistorium gezonden hadden, om meer vrijheid in zake de leer te vragen, Schrempf hoopte, dat het antwoord op die petitie ook de doopquaestie zou oplossen. Doch het antwoord van het hoogste kerkbestuur over de landskerk van Wurtemberg bevatte niets over de vraag of bij het voorlezen van het doopformulier ook de 12 artikelen moesten gelezen worden.
Schrempf stond nu voor een moeilijk geval. Hij wilde zijn kind niet laten doopen wanneer de 12 artikelen er bij werden gelezen en hij kon er niet toe besluiten om het elders te laten doopen.
Den 2Ssten Juli 1S93 besloot hij aan de kerkelijke autoriteit in Cannstatt te verzoeken, dat zijn dochtertje door den doop »in den naam van Jezus", of »in den naam van Vader, Zoon en H. Geest", doch zonder dat daarbij gebruik gemaakt werd van de apostoUsche geloofsbelijdenis, in de Evangelische kerk van Wurtemberg zon opgenomen worden.
Het Consistorium, tot hetwelk dit verzoek werd overgebracht, kon het niet toestaan, omdat de 12 artikelen een bestanddeel uitmaken van de liturgie voor het bedienen van derTH, Doop vastgesteld. Het Consistorium gaf dit dan ook aan Schrempf te kennen, hem tevens, en te recht, mededeelende, dat het als een bestuurslichaam niet de bevoegdheid had om verandering te brengen in de liturgie der kerk. Evenwel erkende het Consistorium, dat het gebruik maken v^n de apostolische geloofsbelijdenis, op zich zelven beschouwd, niet noodzakelijk was bij den doop.
Na dit antwoord te hebben ontvangen, besloot Schrempf zijn kindje te laten doopen op de wijze gelijk hij dit goed achtte, om dan daarna te vragen het kind in het doopregister in te schrijven.
In de Luthersche kerk heeft gemeenlijk de doop in de huizen plaats, en zoo besloot dan Schrempf het in huis door een zijner vrienden te laten doopen. Prof. Dr. Diez, die vroeger predikant geweest was, liet zich hiertoe vinden. Het kind werd gedooptj »in deh; naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes 5" in plaats van de liturgie te gebruiken hield de hoogleeraar een vrije toespraak, terwijl aan de doopgetuigen, waaronder een predikant, de vraag werd voorgelegd, of zij in gemeenschap met de ouders er voor zorgen wilden, dat het kind tot het geloof in Christus opgevoed zou worden. Niet alleen legden de doopgetuigen deze gelofte af, maar zij teekenden ook eene oorkonde waarin verklaard werd, dat en op hoedanige wijze de doop van het kind had plaats gehad. Dit stuk zond Schrempf naar de kerkelijke autoriteit met verzoek het kind als gedoopt in de registers der landskerk in te schrijven.
Doch ook dit verzoek werd van de hand gewezen. De doop werd wel als geldig erkend, doch omdat daarbij het geordende ambt op eigenmachtige wijze op zij gezet was, en wijl willekeurig verandering gebracht was in de doopliturgie, kon het bestuur niet aannemen, de doop van het kind te erkennen als een doop in den zin van de Wurtembergschc landskerk. De beide predikanten, die tot den doop, hetzij als voorganger of als getuige, hadden medegewerkt, werden voor het Consistorium geroepen, en toen hunne verklaringen niet voldoende waren, ernstig berispt.
Het komt ons voor, dat het kerkbestuur door zoo op te treden verkeerd heeft gehandeld. De doop van het kind als een doop in den naam van den Drieëenigen God had moeten erkend, doch de kerkelijke tucht had te voren op Schrempf oeten toegepast worden, omdat het gebleken as, dat hij niet vereenigd was met dè apostb' sche geloofsbelijdenis. Men kan wel denken, at deze zaak de gemoederen der Wurtembergers eer in beweging gebracht heeft.
Rusland. Terwijl Luthersche predikanten en gemeenteleden in de Oostzec-provinciën, wanneer zij wegens vermeende beleediging der Griekschorthodoxe kerk of om andere redenen, huime belijdenis betreffende, voor de rechtbank geroepen werden, en er tot dusver bijna op konden rekenen, dat zij veroordeeld werden, zoo hoort men onlangs telkens van vrijspraak. Zou er een wenk door de regeering gekomen zijn, om voortaan wat zachter te handelen?
Zeker is het, dat, volgens Senaatsbesluit, pastor Luther te Reval, die wegens het verrichten van ambtshandelingen in tegenspraak met de wet aangeklaagd was, is vrijgesproken; terwijl Otto Wollmar, die zijne kinderen geen Griekschorthodoxe opvoeding had gegeven en daarom tot drie maanden gevangenisstraf veroordeeld was, eveneens is vrijgesproken.
Een lid van de Russische keizerlijke familie prins Gahtzin, is volgens een bericht van de New-Yorker World onlangs lid geworden van het heilsleger. Deze vorst kwam in October 1893 naar Washington en stond op het punt, ten behoeve van de keizerlijke geographische vereeniging te St. Petersburg, zijne reis rondom de aarde voort te zetten, waartoe hij Ruslands hoofdstad voor drie jaren had veriaten. Te Washington leerde hij het heilsleger kennen, waarop hij met de kringen waarin hij verkeerde brak, en naar New-York reisde. Daar trad hij. in eene vergadering van het leger des heils voor de eerste maal openlijk op en betuigde, dat hij Jgered" was, en zich aan den dienst van God wilde overgeven."
De Russische prins is nu van plan om zich weldra naar Londen te begeven, om daar met igeneraal" Booth te spreken over zijn plan om Siberië tot een arbeidsveld voor de evangehsatie van het Heilsleger te maken. Ik ben zeer verheugd^ zoo sprak hij, dat ik een weg gevonden heb, om mijn persoon en mijn geld op de beste wijze te kunnen gebruiken. Siberië is op zich zelven niet zoo vreeselijk, maar de reis er heen. Daarom is het imijn plan hier en daar aan de landstraat, waareeds roövelen jammeriijk omgekomen zijn, hui
zen te bouwen, om hen, die naar het verbanningsoord vervoerd worden, rust en lafenis te bieden. Evenwel moet de Russische prins daartoe verlof ontvangen van den Czaar. Prins Galitzin houdt zich er van overtuigd, dat hij den keizer aller Russen voor zijn plan winnen zal en zelfs van hem ook hulpe zal ontvangen om het ten uitvoer te brengen.
Wij gelooven, dat zoolang het heilsleger bloot philantropisch arbeiden wil, de Russische keizer aan de plannen van den prins geen weerstand bieden zal. Maar wordt het openbaar, dat het heilsleger een scheppen wil, uitgesproken. organisatie voor de orthodoxen dan zal het > veto" wel worden
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 27 mei 1894
De Heraut | 4 Pagina's