Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

„Dezer Wereld niet gulijhborning.”

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

„Dezer Wereld niet gulijhborning.”

9 minuten leestijd

En wordt dezer wereld niet gelijkvormig, maar wordt veranderd door de vernieuwing uws gemoeds, opdat gij moogt beproeven, welke de goede, en welbehaaglijke en volmaakte wil van God zij. Rom. 12 ; 2.

Voor kort schreef Jan Holland in de Tijd^ een Roomsch dagblad, dat een Calvinist daarom zoo onuitstaanbaar was, omdat hij u terstond aan alles merken liet, dat hij Gereformeerd was.

Hoeveel overdrijving hierin school bleek uit niets sterker dan uit zijn potsierlijke mededeeling dat men het Calvinisme o. a. kennen kon uit 'den man, die nooit ^Donderdag'' wilde zeggen, maar altijd sprak van »den dag die op Woensdag volgt". • .

Dat is het ophangen van een spotbeekl, met een teekenen naar het leven. _

Maar dat nu daargelaten, lag er in zijn hoofdopmerking waarheid, dat ge met een goed-Gereformeerde geen halven dag in gezelschap kunt wezen, of ge merkt wien ge voor u hebt, terwijl men met een Roomsche, een Remonstrant, of wat niet al, soms dagen kan verkeeren, zonder dat ge aan iets verschil bespeurt.

Nu was dit van Jan Holland natuurlijk als blaam bedoeld, en strekte om ons in de oogen van de lezers van de Tijd als een soort onmogelijke, onhandelbare en onbruikbare lieden voor te stellen.

Ons echter belet dit niet, deze kwaad bedoelde opmerking als een eere aan te grijpen, en zelfs de vraag te opperen, of er ook zelfs onder de lezers van de Tijd geen vroraa Roomsche zoij kunnen zijn, die bij zich zelven dacht: »Dat is nog zoo kwaad niet van die Calvinisten, dat ze hun vizier open hebben; of heeft niet. ook de heilige apostel betuigd, dat een goed Christen der wereld niet gelijkvormig mag zijn? En nu, wie in de wereld niet aan de wereld gelijkvormig is, dien herkent ge natuurlijk aanstonds, want hij loopt als een vreemde eend in de bijt in het oog."

Jan Holland zag dan ook geheel voorbij, dat de Roomsche kerk in haar priesters en in haar kloosterwezen, die afscheiding van de wereld zelfs zeer ver drijft, en wat het beginsel der zaak aangaat slechts hierin van de Calvinisten verschik, dat hetgeen, als eisch van ^Christelijk karakter, door haar alleen van de geestelijken en monniken wordt gevorderd, door ons gevergd wordt van alle geloovigen.

Wat ons als blaam werd toegeworpen, nemen we daarom gretig als eeretitel op.

Ja, waarlijk een deugdelijk Gereformeerde kan niet schuil blijven. Waar ge hem ook in de wereld ontmoet, ontdekt ge al spoedig tusschen hem en die wereld zekere breuke.

Hij is niet wat, de man der wereld is.

Hij is anders,

We gaan zelfs verder.

Terstond als Gereformeerde herkenbaar te zijn, omdat onze sprake en wijze van doen ons openbaar maakt, is niet slechts een gewaardeerd riddermerk op ons Christelijk blazoen, m.aar er moet zelfs op aangedrongen, dat dit riddermerk scherper uitkome.

Heden ten dage althans, kan men in het minst niet zeggen, dat de Gereformeerden heel het land door zoo scherp geteekend zijn; en het ware wel als een genade af te bidden, dat het onderscheid tusschen de wereld en de Christenen met name in Gereformeerde kringen en in de Gereformeerde huisgezinnen wat sterker spreken mocht.

Immers ook hierin wil een Gereformeerde niets anders zijn dan een Christen naar. de Schrift. Niet hij heeft die scheidingslijn tusschen zich en de wereld getrokkenj maar dat hebben de profeten en apostelen, m den naam van Koning Jezus, voor hem gedaan.

Zij zijn het, die ons hebben toegeroepen: > Wordt dezer wereld niet gelijkvormig, maar wordt veranderd door de vernieuwing uws gemoeds." Of gelijk de heilige apostel Petrus het uitdrukt: »Als gehoorzame kinderen wordt niet gelijkvormig aan de begeerlijkheden die te voren in uwe onwetendheid geschied zijn."

Wilt ge weten waaraan ge gelijkvormig zult worden, dan wijst de Heilige Schrift u op het beeld van den Zone Gods, waarnaar ge moet veranderd worden, dan roept ze u op, »om te bedenken de dingen die boven zijn en niet die op aarde" zijn, en vergt ze van u dat ge > gelijkvormig zult worden aan den dood van Christus" (Philipp. 3 : 10).

Wel verre dus er vandaan, dat we ons zouden te schamen hebben over de grenslijn die we tusschen ons en de wereld pogen te trekken, moet er veeleer klachte vallen, dat zoo menig man van Gereformeerden naam het in zijn persoonlijk, huislijk en maatschappelijk leven zoo weinig ernstig met die onderscheidingslijn opneemt.

Natuurlijk, excentrieke personen vindt men in eiken kring, en zoo zullen er ook onder ons hier en daar wel enkele zonderlingen gevonden worden, die tot het »raak niet en smaak niet en roer niet aan" zijn teruggekeerd; maar over het algemeen merkt ge hedendaags van onze Calvinisten niet te veel en te spoedig, maar veelal te weinig en te laat dat ze kinderen van Gereformeerden huize zijn.

Hierop leggen we nadruk, niet om weer met Johannes den Dooper naar de woestijn te gaan. Na Johannes is gekomen, die meerder was dan hij, wiens schoenriem hij niet waardig was te ontbinden, en deze Christus is geko-men J etende en drinkende", bij bruiloften en op gastmalen aanzittend, zoo zelfs, dat het geroep van »vraat en wijnzuiper" hem niet gespaard is.

Achter den Zoon des menschen aankomende, hebben daarom de Gereformeerden nooit den somberen levenstoon verdedigd. Dat vond men wel in Doopersche kringen met hun stelsel van j mijding", en vindt men ook nu nog bij enkele wettisch gezinde Methodisten; maar de Calvinisten hadden steeds tot stelregel, wel met de wereld., maar niet met het leven te breken.

Niets wat naar Gods ordinantie tot de volheid van het menschelijk leven behoorde, was hun vreemd. Gul en mild zelfs konden ze de stille vreugd van het huislijk en gezellig leven genieten, zoowel in zijn gewone, als in zijn meer fijne uitingen, en overal waar het Gereformeerde leven zuiver op zijn wortel bloeit, ontmoet ge dan ook een frissche kloekheid, die van de benepenheid even verre ligt als van den geestelijken hoogmoed, die indruk poogt te maken door vroom vertoon.

Alleen maar, omdat ze beslag op het volle menschelijk leven legden, daarom lieten ze zich door de wereld voor dat leven de wet niet stellen.

Ook hun persoonlijk, hun huislijk, hun maatschappelijk leven moest gekerstend zijn, d. w. z., er moest uit weggenomen wat tegen den Geest van Christus inging en het moest door den Geest des Heeren worden geheiligd.

Dit nu kwam natuurlijk in hun omgang uit. Want wel meden ze niet alle verkeer met de Heden der wereld. Dit mochten ze niet doen naar het apostolisch vermaan in i Cor. 5 : 10, waar Paulus zegt: Anders zoudt ge uit de wereld moeten uitgaan."

Dat verkeer werd dan ook aangehouden met de personen met wie men in zijn maatschappelijk beroep in noodwendige aanraking kwam, met zijn familieleden, met zijn buren, en ook met bekenden uit de jaren vóór zijn bekeering.

Maar toch, dat verkeer werd nooit omgang.

Nooit vloeide de stroom van hun eigen persoonlijk en huislijk leven met het leven dezer anderen in éénzelfde bedding.

Zoo voor zich zelf als voor zijn vrouw en kinderen zocht men den omgang en de vriendschap met wie eenzelfde heilig geloof deelachtig waren geworden. Men had het van den apostel geleerd, wat boos gevaar er zelfs in schijnbaar onschuldigen omgang en conversatie ligt, omdat één doode vlieg zoo licht heel de apothekerszalf stinkende maakt, en kwade saamsprekingen pok over geloofszaken zoo vaak goede zeden bederven.

Steeds was men er daarom op uit. om ook in eigen huislijk leven een andere gestalte te vertoonen, dan in de huisgezinnen der wereld viel waar te nemen, en om met die gezinnen, waarin gelijke aandrift merkbaar was, voor zich en de zijnen de genoegens en het profijt van den omgang te zoeken.

Vanzelf en met noodwendigheid heeft dit toen allengs geleid ook tot zekere uitwendige kenmerken.

Niét alsof het werkelijk verschil in dit uitwendige 'bestond, maar wat van binnen leeft, dringt er toch naar, om zich ook in het uitwendige te openbaren.

Het apostolisch woord was ook hierin zelf voorgegaan, toen het van de zusters in den geloove eischte, dat ze zich niet op de wijze der wereld sieren zouden > met vlechtingen des haars, of goud, of paarlen, of kostbare kleederen, maar door goede werken, gelijk het de vrouwen betaamt, die de godvruchtigheid belijden" (i Tim. 2:9, 10).

Kn in dien zin heeft zich het Gereformeerde leven van meet af ook op uiterlijk waarneembare wijze afgeteekend, en Jan Holland heeft gelijk, dat men aan deze sinds eeuwen ingegrifte kenteekenen wel terdege den Calvinist, en het Calvinistisch huisgezin, en den Calvinistenkring herkent.

Wie onder ons verkeert vindt een stelselmatig tegenstaan van alle misbruik van den Naam des Heeren. Hij vindt er een streven om des Heeren dag in eere te houden; en een niet volgen van de wereld in haar misbruiking van dien dag van heilige ruste. Hij vindt er degelijkheid en netheid, maar soberheid en eenvoud in kleeding. Hij vindt er een vasten regel, dat niemand uit het gezin naar komedie of dergelijke gaat. Hij vindt er een besliste veroordeeUng van alle kaartspel en deelneming aan loterijen. Hij vindt er een stellige veroordecling van den dans en soortgelijke vermaken.

Sinds Taffijn, de hofprediker van Prins Willem, zijn Boetvaardigheid des levens schreef, kan men zeggen, dat ook onder ons deze vaste regel van het Puriteinsche leven doordrong, en Teelinck en Lodenstein, en wat morahsten meer er onder ons opstonden, ze hebben steeds dit Puriteinsche stelsel dieper op ons Gereformeerde leven ingedrukt.

»Der wereld niet gelijkvormig", maar sgelijkvormig aan het beeld van den Zone Gods", was de hemelsche klank, die hen bezielde.

Niet alsof ze in alle deze dingen op zich zelf altoos zonde zagen. Met dankzegging genoten zijnde, is immers alles het uwe. Maar ze wisten en ervoeren, dat het vooral deze dingen zijn, die ons persoonlijk en huislijk leven met de lieden der wereld in aanraking brengen, en van de kinderen des Heeren afscheiden.

Ze zagen het doodelijk gevaar voor de toekomst in, als deze slagboom werd opgeheven, en ze gevoelden diep, dat het niets dan wereldzin was, wanneer men zich diets maakte, dat dit gevaar op ons geen vat had.

In alle godzaligheid moest hun eigen leven, en het leven hunner kinderen zich voortbewegen. Daardoor en daardoor alleen zijn ze er in geslaagd van geslacht op geslacht hun vromen zin over te planten.

Alleen door die vaste usantiën hebben ze een erfenis aan ons, hun nakroost, nagelaten, terwijl anders en zonder dien slagboom ook hier te lande het leven der Christenheid reeds lang weer aan de wereld gelijkvormig zou zijn geworden.

Dit is de zegen dien het God beliefde in hun kloekheid te leggen.

Maar dan ook een zegen, die ons een dure verplichting oplegt.

De verplichting om wat we als vrucht van hun ernst ontvingen, door een ingetogen persoonlijk en huislijk leven, ongerept en onge schonden ook aan onze kinderen en kindskinderen achter te laten.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 3 juni 1894

De Heraut | 4 Pagina's

„Dezer Wereld niet gulijhborning.”

Bekijk de hele uitgave van zondag 3 juni 1894

De Heraut | 4 Pagina's