Vu cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Vu te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Vu.

Bekijk het origineel

„En zij baarde haren eerstgeboren zoon.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

„En zij baarde haren eerstgeboren zoon."

16 minuten leestijd

[KERSTFEEST.]

En zij baarde haren eerstgeboren zoon, en wond hem in doeken, en leide hem neder in de kribbe, omdat voor henheden geene plaats was in de herberg. Lnkas 2:7.

Ons Kerstfeest erlangt bij de ongunst der tijden, die over Christus' kerk gaat, klimmende beteekenis.

De kerk van Christus was te kwader ure den verleidelijken droom gaan droomen van reeds hier op aarde triomfeerende kerk te kunnen zijn. Dat was haar zonde in de anders zoo boeiende Middeleeuwen; en wel is ze toen door de Reformatie weer 11 strijdende kerk" geworden, en heelt ze den zegen, van dit terugkeeren tot haar heilige roeping hier op aarde, ervaren; maar toch uit haar zoo valschen droom ontwaakte ze ook toen slechts ten deele. Want ja, strijd bond ze toen weer aan, en dien strijd heeft ze met haar kostelijkst bloed bezegeld, maar ten onrechte beeldde ze zich in, dat ze dien strijd alleen met de »valsche kerk" en met de ketterij in eigen boezem te voeren had. De groote, de machtige, de allesbeheerschende tegenstelling tusschen den Christus en de wereld keerde ook in de dagen van Luther en Calvijn niet tot haar oorspronkelijke, van God gewilde beteekenis terug; en nauwlijks was het met Rome tot een wapenstilstand gekomen, en had men door den vrede van Munster de natiën van Europa met Rome onderling verdeeld, of de oude droom van, op eigen erf althans, triomfeerende kerk te zijn, begon ook over onze Gereformeerde vaderen weer macht te krijgen. Waar ze meester der geesten waren, wilden ze ook heerschen; de macht der kerk verdrong almeer de overwinning der wereld ook in hun schatting; en, natuurlijk, zoo valsche positie kon alleen door een schuldig vergelijk met de wereld worden gekocht.

Dat staken, of, beter gezegd, dat verplaatsen en daardoor vervalschen, van den strijd, heeft toen ook voor onze Gereformeerde kerken, en dus ook voor de geloovigen, zijn wrange vrucht gedragen. Het harde, maar zoo ware spreekwoord, dat rust roest is ook aan haar en hen bewaarheid. Ook de Gereformeerde kerken boetten haar innigheid en het sappige van haar leven in. Veruitwendiging Icreeg de overhand, en uit wrevel tegen die veruitwendiging trok het vromer leven zich in mystieke afzondering terug. De alzoo stilstaande wateren begonnen giftige gassen viit te wasemen, en van allen kant brak geestelijke krankheid uit En dit ziekteproces zou zijn doorgegaan, en nóg alle frischheid in matheid verkeerd zijn gebleven, indien niet Hij, wien alle macht in hemel en op aarde is gegeven, den strijd van de wereld tegen zijn kerk had doorgezet. Maar hij heeft dien doorgezet, en al bloedde zijn volk er onder, hij heeft de wereld met nieuwe hevigheid tegen zijn kerk op aarde losgelaten. Als Job moest ze beproefd worden, en door rampspoed op rampspoed haar macht verkleind, haar invloed gebroken zien, opdat juist na dat afsnijden van de plant bij den wortel, het heilige zaad dat in dien wortel school, het steunsel zou blijken, en de eere, niet van kerkelijke machthebbers, maar van het goud des geloof s, met vernieuwden glans schitteren zou. En al zijn toen ook tot de diep gewonde en verslagen kerk de valsche troosters, de Elifaz, Bildads en Zofars, gekomen, het ware volk van God heeft zich door' hun zwijmeldrank niet in slaap laten wiegen, maar heeft zijn strijd doorgestreden, niet willende getroost noch - ^villende gesterkt worden, dan zoo die vertroosting en die sterking uitging van zijn God.

Maar juist daardoor is de geboorte van den Christus thans voor Jezus' kerk ook zoo geheel iets anders geworden. Zoolang men waande zoo half en half een triomfeerende kerk te zijn, verstond de kerk haar Kerstfeest niet. Er werd dan zeer geleerd op den kansel verhandeld, maar zonder geestdrift, zonder warmte, zonder liefdegloed. En waar, meest buiten den kansel, die warmte wel aanwezig was, daar uitte ze zich in mystiek gepeins of in het gespannen lied der liefde. En toen het zoo op Kerstfeest al armer, al kouder werd, vulde men ten leste die leegte met den Kerstboom aan en onthaalde de kinderkens. Zoo was er dus althans kaarslicht, waar geen heerlijkheid als van Gods engelen Christus' kerk op 't Kerstfeest meer omscheen.

En intusschen zette de wereld haar pijnlijke overwinningen voort. De kerkelijke banden die haar jarenlang omklemd hielden, had ze in bittere woede verbroken. Ze werd indachtig dat haar een eigen ^«'^i'^ bezielde, en dat het er slechts op aankwam, om aan dien eigen geest vorm en gestalte te geven, om als met één slag de oppermacht van het kerkelijk erf naar haar terrein te verplaatsen. Nu een eeuw geleden, in 1789, toen de revolutie te Parijs uitbrak, viel die slag, en metterdaad is sinds dat jaar de macht der wereld, gelijk ze tegen den Christus ingaat, en leeft uit eigen wortel, tot steeds duchtiger orgamsatie gekomen, heeft ze haar geest in het leven der volkeren tot heerschappij gebracht, en reeds nu, nu nauwlijks een eeuw verloopen is, gelukte het haar al den schijntriomf der kerk in rook te doen opgaan, en heelt ze niet alleen de uitwendige macht der kerk aan splinters gebroken, maar ook haar bij millioenen en nogmaals millioenen de zielen ontroofd. Want wel blijft op het platteland en in de lagere volksklasse in schijn en in naam nog een meerderheid voor Jezus roepen; maar wie aandachtig naging, hoe stelselmatig en rusteloos het meest besliste ongeloof uit den kring der geleerden afdaalde in onze hoogere klasse, en nu reeds de klasse der gegoede burgerij heeft aangetast, kan noch zal twijfelen, of datzelfde ongeloof wiJf^ ook de breedere klasse van ons volk allengs vergiftigen, gelijk ten overvloede nu reeds in de socialistische en erger nog in de anarchistische woeling blijkt. Het is haar geest, haar wereldplan, haar bedoelen, haar koninkrijk dat ze op elk terrein van het leven tegen den geest van Christus, tegen den raad Gods, tegen zijn heilig oogmerk en tegen het koninkrijk der hemelen overstelt. Daarom geeft het halfgeloof, dat hier en ginds nog bij tal van familiën en personen overbleef, niets. In die halfheid ligt weerstand noch verweerkracht. Dat is als de ijskorst, die almeer wegsmelt en gestadig dunner wordt. Wat bij de vaderen nog zekere beteekenis behield, boet reeds bij hun kinderen, tenzij het tot krachtdadige bekeering komt, die beteekenis in.

Juist daardoor echter is ons Kerstfeest thans zoo geheel iets anders dan vroeger geworden. Telken jare toch als nu het Kerst feest wederkeert, dringt zich onweerstaanbaar de bange, de ernstige vraag aan ons op, of dan waarlijki-v^ezp^^-vateren. steeds zullen afvloeien, en, om het nu maar zonder verbloeming uit te spreken, of, zoo we nogmaals een eeuw doorworsteld hebben, de wereld geheel zal overwonnen hebben, tot ten leste de kerk van Christus van deze aarde verdwijnt. Dat is geen vraag der bloohartigheid, noch de angst der overspanning. Wie de teekenen der tijden verstaat en den moed bezit, om de waarheid onder de oogen te zien, kan noch mag het zich verhelen, dat zóó ernstig de vraag metterdaad staat. Want wie zich nog inbeeldt, dat toch de uitbreiding van het terrein der Christelijke Barmhartigheid en der Zending ons betere dingen profeteert, toont niet te verstaan, hoe de groeilcracht van den boom niet aan twee, drie weelderig uitbottende takken, maar alleen aan de gaafheid van den - u^ortel hangt. Ook ziet ge voor uw oogen, 'hoe nu reeds, op meer dan één terrein, de Zending die Christelijk begon, in halfgeloof en ongeloof verloopen is, en hoe de wereld ook van haar zij de werken uwer liefde begint na te bootsen. Neen, er is geen twijfel aan, of in Engeland en Amerika, evengoed als op het vasteland van Europa, is de wereld met haar ongeloovigen geest, nog steeds aan de winnende hand, en geen cijfers, hoe indrukwekkend ook, van zóó en zooveel bekeerden en van zóó en zooveel millioenen schats, die voor Christelijke doeleinden zijn saamgebracht, kunnen het nuchtere, het ontzettende feit ongedaan maken, dat het volk van God zijn rijen ziet inkrimpen, en dat almeer onze eens geloovige familiën en gezinnen, onder het opgroeien van een komend geslacht, een prooi worden, een buit, een roof van den geest der wereld.

Zoo rest u dan ook vv uw Kerstfeest, niets, niets dan iizv geloof, om, met zoo algeheele verwoesting voor oogen, nochtans te profeteeren van; een triomf, van een wisse zegepraal, die voor de zaak des Heeren vastelijk komt, mits ge maar den moed hebt, om eens voorgoed te breken met elk denkbeeld, alsof die triomf reeds hier op aarde zou te wachten zijn, en als ware die gewisse zegepraal ons beloofd in deze bedeeling. Wat voor oogen is, slaat u alles tegen, en zoo er nog onder u zijn, die zich vleien met betere dingen, het is alleen wijl ze nog te veel den schijn voor het wezen' aanzien, en in hun geestelijk egoïsme zich rijk in de vliegles van hun eigen webbe gevoelen, zonder zich om de menschheid en het menschelijk leven in zijn breede afmeting ook maar van verre te bekommeren. Maar is die schijn voor u ontmaskerd, en zijt ge aan den vloek van het geestelijk egoïsme ontkomen, dan wel waarlijk wordt de nacht al donkerder die op het Christelijk erf nederdaalt, en is er geen andere kracht, die uw moedeloosheid in hoogen moed kan doen verkeeren, dati de kracht mvs ge loofs; sXtoos. onder beding dat het een geloof in genade ontvangen zij, in Gods heilig Woord rustende, en uitgaande ook ja, naar eigen zahgheid, maar toch allereerst en allermeest gelokt en ontvonkt door brandenden zielsdorst naar de eere van God en zijn Christus

En is dit uw geestelijk standpunt, dan, ongetwijfeld, ligt er in datzelfde Kerstfeest, dat met zoo ernstige vraag uw ziel verontrust, tevens een ongemeene kracht, om die profetie en dat protest van uw geloof, waarmee ge op den triomfki-eet der wereld antwoordt, innerlijk te sterken. Immers men vertelt u wel, dat ook andere wereldgodsdiensten hun tijd van opkomen, van bloei, verval en van ondergang hebben gehad, en dat, naar vaste wet, ook aan uw Christelijke religie geen ander lot kan beschoren zijn. Vooral op de eens zoo ontzettende macht van den Islam wijst men u dan, toen de Halve Maan als een alles verzwelgende en voor zich uitdrijvende stroom, in minder dan een eeuw tijds, in drie werelddeelen Christus' kerk deed beven, daar er nu toch bij den Islam van weinig anders sprake is dan van inzinking, verval en verkwijning. En zeker, die eens zoo blocdroode geschiedenis van Mahomeds optreden is aangrijpend geweest.» De kerk van Christus in Azië en in Afrika is er volkomen door verwoest, ja, tot diep in Europa zijn aan die kerk bijna vernietigende slagen toegebracht. En ook wat eens in zoo vernielende en door niets te weerstane majesteit schitterde, is nu als de lamp die uitgaat, als de vlam die zieltoogt. Doch wat heeft dit bloedig tusschenbedrijf van den Islam met de heerlijkheid van den Christus gemeen? Of is Mahomed iets meer dan een nationale held, die eerst tot mannelijke kracht gekomen, het alles verterend vuur van zich deed uitgaan ? Maar hier staat ge bij de kribbe, hier is het niet de man, maar het pas geboren kindeke, dat om de offerande uwer eerbiedenis vraagt; hier is reeds in de geboorte zelve van Hem, die komen zou, het heil dat Hij brengt, bezegeld. s b b w

Maria baarde haar eerstgeboren zoon, aldus luidt in ons Evangelie de aanvang en is van dat Evangelie de volheid. Hier niet een pas optreden door het wondere woord en de wondere daad, en iu dat optreden het begin van zijn verschijning. Neen, reeds het kindeke, als kindeke, heeft hier even rijke beteekenis, als de heilige historie die daarna komt. Ja, achter dat kindeke, achter zijn geboorte en heilige ontvangenis, ligt de historie van heel een volk, dat om dat kindeke leerde roepen en op dat kindeke als op zijn Messias zijn hope bouwde. Dat kindeke, als het komt, is geen onbekende, niet een nieuwe X onder de geboren individuen, waarvan zich eerst later, onder het opgroeien, de beteekenis ontsluieren zal. Dat kindeke is verwacht, niet door Maria alleen, maar door al het volk van God, door alle eeuwen, en wat dat kindeke zijn zou en wat dat kindeke aan de wereld brengen zou, het stond alles reeds in het Goddelijk program der profetie nog eer Maria het baarde, geteekend. Maria was, toen ze dit kindeke onder haar hart droeg en straks dit heilig kind Jezus baarde, niet maar een moeder als zoo menig andere vrouw, en ook niet enkel erfgename van de hope der vaderen. Wat in haar hart zich verdrong was meer dan Israels hope op zijn Messias, het was de verwachting der menschheid, die naar haar Redder en haar Heiland uitging. Maria was de representante van heel ons geslacht. Niet het Joodsche, maar het geheiligd menschelijke heeft in haar zang den boventoon. Het is of de diepe klaagtoon, die na het verloren Paradijs, uit het menschelijk hart opklom, in haar tot de volkomen zuiverheid van uiting kwam. Zoo sluit in haar de kribbe van Bethlehem zich rechtstreeks aan aan wat tusschen God en den gevallen mensch in het Paradijs verhandeld is. Eva, de moeder des levens, die de belofte van het heilige zaad ontving, vindt in Maria haar eenige, wettige erfgename. Edoch, en dit is al de heerlijkheid van ons Kerstfeest, wat in het Paradijs nog slechts een smart der overdenking en, een heil in heilige belofte was, is hier, in Maria, realiteit, tastbare kracht en Goddelijke werkelijkheid geworden. Bij Eva is het een klagen en een aanhooren der vertroosting, maar bij Maria is het woord der belofte vleesch en bloed geworden, zij klaagt niet meer en wil vertroost worden, maar ze ontvangt in haar eigen ingewand en uit haar eigen ingewand baart zij, baart ze haar eerstgeboren zoon. Niet dat zij het doet, want God doet het in haar, maar zij is en blijft het verkoren instrument, en daarom is ze van engelenen menschen begroet als de »gezegende onder de vrouwen, "

In het diepe mysterie van dat baren verbiedt kieschheid ons hier in te dringen; maar waar wel op gewezen mag en moet, is, dat de vrouw, die Adam, en in Adam heel de wereld, verleidde, juist in dat baren het vonnis over haar schuld ontving. Geen teit is er dan ook, waarop de Heilige Schrift, zoo in de profetie, als door Jezus' eigen woord, zoo telkens terugkomt, als op dat baren in smarte, dat om haar schuld aan de moeder des levens was opgelegd. Met dat »baren in smarte" drong de ernst van het Goddelijk vonnis tot in den oorsprong van ons menschelijk leven door; en al heeft de algemeene genade ook hier tempering en verzachting aangebracht, toch blijft de smarte van het baren nog steeds de dochteren van elk komend geslacht achtervolgen. Dat baren in smarte is niet een Joodsche eigendommelijkheid, maar een algemeen menschelijk rantsoen, dat uit den oorsprong zelf van ons menschelijk leven opkomt. Het is de heilige toorn Gods, die op zoo vreeslijke wijze tot in den wortel van ons leven glinstert. En zie, gelijk nu over dat baren der vrouw de vloek zich uitstrekt, zoo is het uit datzelfde baren, der vrouw dat de genezing onzer wonde ons toekomt, of, gelijk onze Catechismus het zoo schoon en veelzeggend uitdrukt, wordt door dat baren van Maria's eerstgeboren* zoon onze schuld, waarin wij ontvangen en geboren zijn, voor Gods aangezicht bedekt. Het is niet een redding die werktuiglijk, en van buiten af ons toekomt, maar een heil dat door God Almachtig in den wortel zelf van ons leven verwekt wordt, en juist daar uitkomt, waar de schuld het bangste trot.

Maar hierdoor wordt dan ook elke vergelijking van onze Christelijke religie met al wat zich buiten haar »wereldgodsdienst" noemt, onherroepelijk afgesneden. Er is maar één wereldgodsdienst, maar ééne religie die bij de bron zelve van het menschelijk leven opkomt, en daarom ook maar één heil dat in waarheid het algemeen menschelijk karakter draagt, en dat heil is in den Christus. God heeft alzoo lief de wereld gehad, dat Hij ons den Zoon zijner liefde schonk. En daarom kan hier geen wet van opkomst, bloei en verval toepasselijk zijn. Het Evangelie van Bethlehem was vóór achttien eeuwen juist hetzelfde wat het nu is, en het blijft dit tot op de wederkomst des Heeren, hoe ook menschelijke vonden zich spitsen, om het geheel eenig karakter van dat Goddelijk Evangelie te vervalschen. Wie een anderen weg ter behoudenis zoekt, die wordt niet behouden. Het hangt hier niet aan het aantal maar aan de zuiverheid der belijders, en ook al smolt nogmaals het getal van Christus' onderdanen tot de zeven duizend in, die de knie niet voor Baal hadden gebogen, in die zeven duizend zal Christus' kerk nog haar heerlijk leven voortzetten, en er zal eeuwiglijk voor ons mensche-

lijk geslacht geen ander opbloeien zijn dan uit dat kleine kuddeke, dat bij de wereld veracht maar van God gekend is, en dat deti Naam des Heer en in zijn binnenste draagt.

En daarom vertraagt niet, wie tot dat kuddeke behoorea mag, hoe ook de stroom van het leven der volkeren onrustig woelt en zijn onheilig slib van onderen doet opkomen. Wie gelooft, gelooft niet in menschen noch in der menschen aantal noch in der menschen goedkeuring, maar staat desvereischt alleen op zijn eenzamen post, als ziende den Onzienlijke en als ondervangen en gesteund door »de eeuwige armen der barmhartigheid." Veeleer is hem het luide, en openlijk, en weer rechtstreeksch, ingaan van den geest der wereld tegen den geest van zijn Heiland, een vurig teeken, dat de blinddoek wegviel, de halfheid uit heeft, en dat de strijd weer aangaat in maniere als God dien verordend had en gelijk die strijd steeds had moeten zijn.

Het is zoo, htt feestelijke v3in ons Kerstfeest wordt er door gedempt. De luide en vaak holle jubel wordt getemperd en de ernst krijgt den ^boventoon. Het is niet meer de Christenheid die in het besef van eigen voortreffelijkheid zich boven de wereld verhoovaardigt, maar het kleine kuddeke, dat, bij het rnaderen van den storm, zich weer met iets van den deemoed, die Maria sierde, 'aan de kribbe, die haar kindeke bergt, vastklemt. Edoch, \i& t zielsverblijden, dat met dien uitwendigen jubel niets gemeen heeft, zal er te inniger door worden. .De kribbe, dat kindeke, het hooge feit, dat Maria ontving van den Heiligen Geest en haar eerstgeboren zoon baarde, zullen er te rijker voor ons geloof door worden. Christus' kerk zal niet langer een heerschende macht op aarde, maar als Maria weer de dienstmaagd des Heeren willen zijn. En de afgebeden vrucht zal wezen, dat, gelijk Maria ontving van den Heiligen Geest, zoo ook zij van den Heiligen Geest kracht ontvangen zal, om, ter eere van Maria's eerstgeborene, voor de wereld te baren haar ^^/i? ^, haar liefde, en haai hope.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van Sunday 23 December 1894

De Heraut | 4 Pagina's

„En zij baarde haren eerstgeboren zoon.

Bekijk de hele uitgave van Sunday 23 December 1894

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken