Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Voor Kinderen.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Voor Kinderen.

8 minuten leestijd

UIT HET VUUR GERUKT.

II.

EEN BOOZE TIJD.

Het zal den meesten lezers niet onbekend zijn, dat het er nu juist een eeuw geleden in ons vaderland treurig uitzag.

Reeds jaren lang had er tusschen de burgers groote oneenigheid bestaan. Overal vond men twee partijen, de Prinsgezinden en de Patriotten; de eersten soms verachtelijk Oranjeklanten, de laatsten Keezen genoemd. De twee partijen stonden zeer vijandig tegenover elkaar en daar zij op vele plaatsen, en zelfs in vele gezinnen werden aangetroffen, kunt gij begrijpen hoe er overal verdeeldheid heerschte. En «een koninkrijk tegen zichzelf verdeeld zal niet bestaan", zegt de Schrift. Dat zou ook hier blijken.

Het kwam tot botsingen en gevechten en zelfs werd de prinses Wilhelmina, gemalin van Prins Willem V, door de Patriotten zoo beleedigd, dat haar broeder, de koning van Pruisen, een leger naar Nederland zond, om den hoon, zijne zuster aangedaan, te wreken. De Patriotten vluchtten voor de Pruisen, die weldra in de poorten van Amsterdam stonden. Al wie niet prinsgezind was sloeg de schrik om 't hart, en de Oranjemannen geloofden, dat de goede tijd voor hen weer was aangebroken.

Doch zij vergisten zich.

, In Frankrijk was zes jaren geleden de Omwenteling uitgebroken, die zoo groote gevolgen hebben zou, welke, zelfs na een eeuw, nog duidelijk merkbaar zijn. Die omwenteling, met een vreemd woord Revolutie genoemd, was een werk uit den Booze; het kon wel verderven, maar niet behouden. De menschen wilden vrij zijn, zeiden ze, en zoo doodden ze dan hun koning, wilden van God noch zijn gebod meer weten, en gingen woedend te keer tegen allen die in hoogheid waren gezeten. Het was een booze tijd. Zeker was er veel dat verbeterd moest worden, maar de mannen der Omwenteling keerden alles 't onderst boven, alsof dat verbetering zou geven! De een stond tegen den ander op en 't slot was, dat een man met een ijzeren vuist, Napoleon, meester werd van de regeering en alles naar zijn wil dwong. Zoover echter was het in 1795 nog niet. Nu waren er ongelukkig ook in ons vaderland velen die meenden, dat het best was de Franschen zoowat na te doen. Ook zij moesten een omwenteling hebben, den vorst. Prins Willem V, dien zij haatten, wegjagen en alles moest worden als in Frankrijk, het land van «vrijheid, gelijkheid en broederschap." Zoo dachten de Patriotten en toen zij, nadat de Pruisen hier waren geweest, vooreerst hun kans verkeken zagen, vluchtten velen het land uit naar Frankrijk, maar in de vaste hoop straks weer te keeren. En de meesten bedrogen zich daarin niet.

De Franschen namelijk, die de repubhek in hun land hadden uitgeroepen, wilden alle volken zoo gelukkig maken, als zij zelf zeiden dat zij waren. Zoo togen zij dan naar Zuid-Nederland, dat toen aan Oostenrijk behoorde en veroverden het land. Wel waren de Franschen met half Europa in oorlog, maar zij wisten hun vijanden te weerstaan. Ook ons land werd aangevallen. Eerst werd de aanval afgeslagen, maar het was in den raad des Heeren bepaald, dat het volk zou ondervinden hoe dwaas het was geweest. Ons volk was veelal van den H!eere afgeweken, het vergat zijn geboden en vele zagen naar de Franschen, die de volken tegen hun vorsten opzett'en en alom een omwenteling trachtten te bewerken, als redders uit. Nu zou het vroolijke, vrije leven eerst recht beginnen. De menschen zouden zichzelf wel helpen. Aan den Heere God werd niet gedacht.

Welnu, de ^redders" kwamen, over de bevroren rivieren baande God hun den weg. De Prins van Oranje vluchtte naar Engeland en Nederland was svrij" — ja, zoo heette het. Maar 'tis gebleken dat we nooit minder vrij zijn geweest en meer ellende hebben geleden, dan in den nu volgenden Franschen tijd.

Nu woonde er omstreeks het jaar 1780 te 's Gravenhage een heer, die Leenderts heette. Welk beroep hij uitoefende weet ik niet. Misschien was hij wel rentenier. Althans hij had veel vrijen tijd en voerde weinig uit. Denkelijk zou 't beter voor hem geweest zijn, zoo hij meer werk had gehad. Nu echter had hij alle gelegenheid om veel deel te nemen aan de felle twisten van die dagen. Eiken dag bezocht hij het koffiehuis, een gewone vergaderplaats in die dagen, en bleef er zeer lang, gelijk meer lieden die niets degelijks om handen hebben. Dan werd er bij een glaasje en een lange pijn druk geredeneerd, vooral ook over de staatszaken, den prins en den toestand van het land. Ieder, al had hij er ook geen zier verstand van, kraamde dan zijn wijsheid uit en niet zelden ontstond er hevig geschil, vooral wanneer er Patriotten en Oranjemannen tegen elkaar over stonden.

Nu waren in Holland vooral de eersten talrijk, en daar Leenderts tot de Oranjemannen behoorde, begrijpt gij licht dat hij 't nog al eens met dezen en genen aan den stok had. Daarbij kwam dat hij zeker meer geld had dan verstand, en dus weinig degelijks wist in te brengen als er aanmerkingen gemaakt werden, die nu juist ook niet altijd geheel ongegrond waren.

Er staat in de Schrift: Verlaat den twist eer hij hevig wordt. Doch Leenderts deed, gelijk dwaze menschen en kinderen nog, juist anders. Hij vond een twist recht aardig, bleef er bij en deed liefst mee. Natuurlijk kreeg hij op die manier heel wat vijanden. Doch 't kon hem weinig schelen, want hij had geld genoeg om te leven en vond ook weer veel vrienden, die 't met hem eens waren, al bezaten ze meer verstand dan hij. Toch maakten de Patriotten het hem dikwijls lastig. En daarom was Leenderts dan ook zeer blij, toen de Pruisen den prins herstelden, het »Oranje boven!" weer overal gehoord werd, en de Keezen 't land moesten ruimen.

Doch, als gezegd, het was van korten duur. De kans keerde weer, de Franschen kwamen; met hen keerden de Patriotten terug, en 't eind van de zaak was, dat velen van de Oranjemannen het nu te benauwd kregen en het voorbeeld van den prins volgden. Zij Verheten het land en vertrokken naar Engeland of naar Duitschland. Zoo deed b. v. ook de beroemde geleerde Willem Bilderdijk.

Leenderts, al was hij alles bfehalve een Bil­ derdijk, had toch te veel van de Patriotten te vreezen (en ook nog te veel verstand om dit niet te begrijpen) dan dat hij wilde blijven. Hij verkocht dus zijn huis, dat weinig opbracht; evenzoo de goederen die hij missen kon en vertrok met zijn vrouw en zijn beide zonen zoo spoedig mogelijk naar Engeland.

Dat was geen aangename verandering. Want schoon er in Londen meer uitgewekenen uit Nederland waren, toch voelden Leenderts en zijn gezin er zich vreemd en konden vooral vader en moeder niet zoo spoedig aan het land en het volk wennen. Met de jongelui ging dat beter. Zij voiiden de verandering wel prettig.

Één ding was al dadelijk zeer lastig. Frederik, de oudste zoon, was in Den Haag in een betrekking geweest. Doch hier in Londen kon hij maar niets vinden dat hem diende. Zoo liep hij dan den ganschen dag rond zonder iets te doen te hebben, en zijn broer die kort geleden de school had verlaten evenzoo. Daarbij kwam dat al de leden van 't gezin wel Fransch verstonden maar geen Engelsch, wijl dit te dier tijd niet veel hier werd geleerd. Tegenwoordig is dit wel zeer veranderd, maar toch zou 't zeker beter zijn als er in ons land minder Fransch en meer Engelsch werd onderwezen. Want men komt niet dit laatste niet alleen veel verder, maar 'tis ook voor ons veel noodiger en makkelijker dan Fransch, en bevat ook vrij wat meer dat goed is om te lezen.

Nog maar kort had de heer Leenderts in Engeland gewoond, toen hem een groot ongeluk trof. Zijn vrouw, die altijd sukkelend was geweest, werd heel ziek ten gevolge van de zware misten die in Londen soms kunnen heerschen, en stierf kort daarop. Zoo bleven dan de vader en de twee zoons over; doch het huis was ledig en hun hart vol droefheid. En wat het ongelukkigst was. geen van hen kende den eenigen troost in leven en sterven, namelijk het eigendom te zijn van den getrouwen Zaligmaker Jezus Christus. Want wel was de heer Leenderts zijn aardschen vorst trouw gebleven, wel ging hij ook trouw ter kerk, maar de liefde Gods was niet in zijn hart uitgestort, dat veeleer hing aan de wereld en wat zij heeft en geeft. Hij had dan ook zijn zonen niet in de vreeze Gods opgevoed, al hadden ze veel gehoord van deugd en plicht en zoo meer. En nu de moeder weg was, voelden ze alleen hun gemis en wtrd de vader somber en bitter van gemoed, wijl hij geen God had die hem troosten kon.

We weten nu wie de drie wandelaars waren en zullen zien waar ze verder heengingen.

CORRESPONDENTIE.

Op eenige brieven antwoord in 't volgend nr.

HoOGENiIRK.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 27 januari 1895

De Heraut | 4 Pagina's

Voor Kinderen.

Bekijk de hele uitgave van zondag 27 januari 1895

De Heraut | 4 Pagina's