Buitenland.
SchoiSanii. Eene geeste1ijke op wekking.
Er is te Dunlop in Ayrshire een zeer merkwaardig werk van genade voor eenigen tijd aangevangen. De predikanten van de vrije kerk en van de staatskerk zijn ten opzichte daarvan van één geest geweest, en het is hoofdzakelijk aan hunne gebeden en pogingen, als instrumenten, te danken, dat de opwaking heeft plaats gehad.
De heer Yule (onze predikant) is door den heer Howie en andere broeders uit Glasgow bijgestaan ; de heer Symon (van de staatskerk) heeft onder anderen de hulp gehad van den heer Houston van Cambuslang. Van kleine beginselen zijn de samenkomsten aangegroeid totdat zij moesten gehouden worden in de kerken, en de indrukken, daardoor teweeggebracht, schijnen zich even wijd te hebben uitgestrekt als dat zij diep gaan. Wij koesteren het vaste vertrouwen, dat deze genadedruppelen de herauten mogen zijn, gelijk velen gelooven van een zegen, die alles overdekt."
Dit bericht lazen wij 'in The Free Church Monthly^Ni] verheugen ons in het medegedeelde •— maar met beving. Wij zouden gaarne vernomen hebben, dat de beweging in Dunlop begonnen was met verootmoediging voor het aangezicht Gods over het verlaten van de wegen, die de vaderen bewandelden. De groote meerderheid van leeraars en leden der vrije Schotsclie kerken is van de Gereformeerde belijdenis afgedoold en heeft dit openlijk uitgesproken door aan de officieele belijdenis der kerk eene verklaring toe te voegen, die er op aangelegd is, om die belijdenis te verwateren en te verzwakken.
Het verschil, dat er tusschen de vrije Schotsche kerk en de Schotsche staatskerk bestaat, is geen nietigheid, maar geld eene hoofdzaak. De vrije kerk is in 1843 van de staatskerk uitgegaan, omdat het onmogelijk was, bij de staatskerk blijvende, Christus als Koning der kerk te eeren. Nu gaat het volgens ons niet aan, om maor over dat verschil, of over die kloof heen, elkander de hand te reiken en saam te werken op kerkelijk teirein. Op maatschappelijk gebied en ook op dat van de school kan er samenwerking met hen zijn, die kerkelijk een andere weg volgen. Doet men dit echter niet en houdt men gezamenlijk bijeenkomsten, waarin de predikanten der verschillende kerken beurtelings voorgaan in gebed en bediening des Woords, dan geeft men den gemeenteleden den indruk, dat het verschil, waarom men uiteenging, niet veel te beteekenen heeft.
God geve, dat in Schoüand eene ontwaking kome, die de uitwerking heeft, dat de kerk des Heeren terug gebracht worde op de oude en beproefde paden, die men te kwader uré veriiest.
Frankrijk. Jean Réville, hoogleeraar in de patristiek.
Aan de Protestantsche theologisclie faculteit is de heer Jean Réville, zoon van den in Nederland bekenden Albert Réville tot hoogleeraar in de patristiek benoemd. Jean Réville is een geestverwant van zijn vader, en dus een voorstander van de z. g. moderne theologie; ja zelfs een man, die min of meer radicaal getint is.
Toch zijn er nog zich noemende rechtzinnigen, di'' zich over de benoeming van Réville zoeken te troosten, met de overweging, dat alleen het vak van de patristiek of de kennis der kerkvaders hem is opgedragen. Wanneer men hem een zetel gegeven had om dogmatiek of uitlegkunde van het Nieuwe Testament te doceeren, zou het nog een ander geval zijn, doch om als hoogleeraar de studeerenden den weg te wijzen in het bestudeeren der kerkvaders kan hij zooveel kwaad niet aanrichten. De kerk heeft dan ook geen reden om zich ongerust te maken.
Van een andere zijde echter wordt de alarmtrom wel geroerd; men acht de professorale katheder voor de patristiek van het allergrootste belang. Hij, die de kerkvaders heeft te doceeren, leidt zijn leerlingen in de beginselen van de kerk des Heeren. Hij onderwijst de geschiedenis der kerk onmiddellijk na den apostolischen tijd en hij oefent daarom een grooten invloed uit op de vorming der leerlingen. Men moet de werken van Rénan, van Weiszacker, van de Pressensé, en van alle kerkhistorie met elkander vergelijken, om tot de overtuiging te komen, dat aan Jean Réville een zeer belangrijk leervak is opgedragen. In plaats van ongerustheid daarover vindt men óf een zich schikken in hetgeen onvermijdelijk schijnt, óf eene poging om zich zelven en anderen diets te maken, dat het nog zoo erg niet is dat een radicaal hoogleeraar de patristiek doceert.
Natuurlijk verheugen zich de modernen. Maar de gedachte dat men, wat de keuze der hoogleeraren aangaat, niet mag afhangen van de schommelingen der staatkunde, schijnt in niemand op te komen. Hoogstens verlangt men van de zijde der kerk eenigen invloed op de benoeming van hoogleeraren te willen oefenen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 17 februari 1895
De Heraut | 4 Pagina's