Gereformeerde prediking.
Amsterdam, 26 April 1895.
VI.
Na ons voorgaand artikel, dat streng in de lijn moest zijn, volge thans een woord van verzachting.
Ongeregelde »zending" is een kwaad, dat om des beginsels wille niet ernstig genoeg kan worden bestreden; maar dit neemt niet weg, dat het soms den Koning der kerk beliefd heeft, om ook hier uit het kwade het goede te doen voortkomen, en uit de ongeregelde zending naar geregelde zending over te leiden.
Telkens weer zijn er perioden over Christus' kerk aangebroken, dat door de ongunst der tijden, soms in vervolging overslaande, de gev/one, geregelde gang van zaken in Christus' kerk verbroken werd.
Wie de historie kent, weet dit met name uit de dagen kort vóór, onder en na de Reforaiatie der zestiende eeuw, en weet er evenzoo uit de dagen der Remonstrantsche troebelen van meê te spreken.
Doch niet enkel tijdens die algemeene schokken en vervolgingen, waar Geuzen en Slijkgeuzen het slachtoffer van werden, ook daarna, en zelfs nog in onze eeuw, zijn er slag op slag zoo ontaarde en verbasterde toestanden in Christus' kerk voorgekomen, dat er, op meer dan ééne plaats iets ongeregelds in den gang van zaken kwam.
We noemen nu slechts de actie van 1834, met haar eerste gevolgen, en evenzoo hetgeen onmiddellijk voortvloeide uit de tweede reformatorische actie van 1886.
In zulke toestanden nu heeft men zich gered, zoo goed en zoo kwaad het ging; heeft men niet zelden van den nood een deugd moeten maken; en is er, onder storing van allerlei wat tot de geregelde orde behoorde, allengs een feitelijke en zich maintineerende toestand geboren, die daarna dan ook kerkelijk gehomologeerd is, zonder dat hij daarom ooit geijkt, of in beginsel goedgekeurd werd.
Dit moest hier uitdrukkelijk bijgevoegd, omdat menige plaatselijke kerk, en zoo ook meer dan één leeraar, anders allicht denken zou: »Met mijn beroeping is het toch ook niet alles in den haak geweest, en alzoo mis ik de zuivere zendjjig."
Onder dit drukkend gevoel mochten we hen niet laten; en daarom erkennen we volmondig, dat er, tengevolge van tijdelijke wanverhoudingen, altoos geweest zijn, en ook in de toekomst wel zijn zullen, zekere ongeregelde roepingen, die, mits uit den nood der tijden geboren, daarom nog volstrekt niet te verwerpen of af te wijzen zijn.
Ook zij, die thans nog in het ambt staande, wel weten dat ook aan hun uitwendige roeping niet alles pluis was, kunnen desniettemin volkomen gerust zijn, indien zij slechts zorg droegen, dat daarna hun uitwendige roeping kerkelijk gehomologeerd werd.
Daardoor toonden ze dan, dat ze allerminst uit zekere voorliefde voor het ongeregelde, en veelmin uit verachting der kerkelijke orde alzoo te werk gingen, doch dat uitsluitend de nood der tijden hen bewoog. Gevolg waarvan dan ook was, dat, zoodra de toestanden weer geregelder aanzien kregen, en de nood der tijden voorbijging, door hen zelven, opzettelijk, en voorbedachtelijk, de kerkelijke homologatie werd gezocht.
Dat vooreerst.
Maar dan ook ten tweede, worde nooit afgelaten van het beding, dat homologeren en ijken twee zijn.
In een vereeniging komt het nu en dan voor, dat het bestuur van die vereeniging buiten zijn boekje gaat, en zonder voorafgaande toestemming der vergadering dingen doet, waartoe het volgens de statuten geen recht had.
Dat kon dan niet anders. Het moest zoo. De zaak leed geen uitstel.
Edoch in de eerstvolgende vergadering moet zulk een bestuur de zaak dan inbrengen en eischen wat de Engelschen noemen een bill of indemnity, d. i. een besluit der vergadering, waarbij deze ongeregelde daad van het bestuur door de vergadering wordt overgenomen.
In zulk een geval nu homologeert de vergadering, maar ze ijkt in het minst niet. IJken zou ze, indien ze te kennen gaf, dat het bestuur ook voortaan, zonder zich aan haar te storen, ongeregeld en eigenmachtig'| te werk kon gaan.
En dat doet zulk een vergadering dan niet.
Integendeel, ze ziet door de vingers, ze dekt haar bestuur, ze maakt het ongeregelde weer geregeld, maar bindt juist daardoor het bestuur opnieuw te vaster aan de vaste orde van zaken.
En in dien zin nu zeggen we, dat ook de kerken zulk een ongeregelde roeping wel van achteren geregeld kunnen maken, maar dat ze het ongeregelde nooit kunnen ijken, en dat een ongeregeld geroepene het dan ook nooit voor mag stellen, alsof dit zoo ware.
En toch dit is maar al te vaak geschied.
Een, wiens uitwendige roeping en zending maar zóó zóó was, zocht dan schier allen nadruk op de inwendige roeping te leggen, en maakte er zoodoende een stelsel van, dat de uitwendige roeping er eigenlijk minder toe deed.
Nu ja, hij wilde zich dan later wel bij de Classis aansluiten, en in zoover weer op het geregelde pad komen, maar waarde of beteekenis had dit in zijn oog niet.
Het geestelijke bleef iu zijn oog het één en al, en heel die uitwendige kerkelijke toestel was er maar voor den vorm.
En dit nu is, niet maar homologeeren, maar ijken wat ongeregeld toeging.
Van het ongeregelde een stelsel, een theorie, het bijna verkieslijke maken, en van de kerken, of althans van de gemeenten vergen, dat zij het ook alzoo inzien.
En dit nu mag niet alleen niet aangemoedigd, maar zelfs niet geduld.
Hier toch schuilt niets ininder dan een zeer bedenkelijke ketterij achter, de ketterij van het Spiritualisme, dat. reeds in de oude Montanisten opkwam.
Gods geestelijke en Gods zichtbare schepping worden dan uit haar onderling verband gerukt; alleen de eerste gewaardeerd, en de laatste geminacht en verworpen.
Onze schepping niet enkel met een ziel, miar ook met een lichaam, wordt dan een gevaarlijke overtolligheid, oorzaak van verleiding, uitgangspunt van alle zonde geacht.
Dat de Middelaar Gods en der menschen ons niet alleen geestelijk bijstond maar ook als het Woord vleesch werd, was onder dit gezichtspunt een doelloozc zelfvernedering.
De Geest alleen ware genoeg geweest, de Vleeschwording, als iets uitwendigs, was niet van noode.
En op die wijze al voortgaande komt dan dit Spiritualisme er toe, oni het mysterie van het bloed der verzoening te onderschatten, het Sacrament bij het Woord achter te stellen, en zoo ook op kerkelijk erf om voor de onzichtbare kerk de zichtbare, en voor de inwendige roeping de uitwendige roeping in waardij te laten dalen.
En hiertegen nu moet de kerk van Christus, krachtens haar instelling en stichting, volstandig waken. Aan die dwaling mag ze geen voet geven. En ze mag en moet van haar Dienaren eischen, dat ze de Belijdenis van de Vleeschwording des Woords ook in haar kerkelijke consequentie voor het Ambt en de Bediening tot haar recht late komen.
AI erkennen we dus voetstoots, dat in deze zondige, gebrekkige wereld, ook het ongewone, ongeregelde en onordelijke soms niet te mijden is, en dat zulks ook aan de uitwendige roeping en zending der leeraren afbreuk kan doen, zonder dat daarom per se hun roeping te verwerpen zij, — nooit of nimmer mag aan dit ongeregelde een vrijbrief ontleend, om er op te blijven drijven, zoodra kerkelijke homologatie weer mogelijk is geworden, en veelmin, om het ongeregelde als het «geestelijk hoogere" te gaan aanbevelen, daar toch de Christus in zijn Vleeschwording ook op het kerkelijk erfdt wet stelt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 28 april 1895
De Heraut | 4 Pagina's