Gereformeerde prediking.
VIII.
De »Dienaar des Woords" moet bedienaar van niets anders dan het Woord zijn, van dat Woord geheel; van dat Woord naar de wijze die dat Woord zelf eischt.
En nu schijnt het wel ganschelijk overtollig, nog eens zoo met nadruk uit te spreken, dat een Dienaar des Woords in zoo volstrekten zin het Woord heeft te bedienen. Bij het lezen zal allicht iemand zeggen: Dat is tweemaal hetzelfde. Of ook zal men het een dier waarheden noemen, die een goedgeefsch spreekwoord met zekere viervoetige melkgeefsters vergelijkt. En toch is er geen waarheid die minder verstaan, waarmee minder gerekend, die bij de prediking roekeloozer in het aangezicht wordt geslagen.
Ge weet nu, in de vergadering der geloovigen, die op den Dag des Heereu of ook anders samenkomt, verschijnt ge om uw Koning, om Christus, om uw Profeet en Leeraar te hooren.
Niet wat eenig mensch te zeggen heeft, maar wat Hij te zeggen heeft, is het doel van uw opkomen, en van uw saamkomen.
Maar uw Koning verschijnt daartoe niet zelf. Hij zendt in zijn plaats zijn Dienaar. Die Dienaar is op zichzelf een zondig en gebrekkig mensch, als gij; maar hiermee hebt ge nu in het minst niet te rekenen, want die Dienaar heeft, wat gij niet hebt, den geloofsbrief vaxi zijn zending en roeping; en hij verschijnt en treedt op, niet om u aangenaam bezig te houden, noch om u stichtelijk aan te doen, maar om zijn lastbrief te ontvouwen, en die lastbrief vs^n den Dienaar is Gods Woord.
Dit en dit alleen is de reden, waarom gij, als lid van de vergadering der geloovigen, met hetgeen die Dienaar van den kansel spreekt, te rekenen hebt. Want prediken is geen spreken, maar met gezag in naam van Christus opleggen. Het is het hanteeren van de sleutelen des hemelrijks.
Doch juist daarom is het dan ook zoo onvergeeflijk, dat de Dienaren zelven dit vaak zoo weinig inzien, en zich niet ontzien van de predikatie een soort diskoers te maken, dat zij persoonlijk voor zekere hoorders uitspreken.
Zoo'n diskoers te houden is natuurlijk honderdmaal makkelijker. Dat kan iedereen wel. Daar hoeft men waarlijk niet voor te studeeren. Dan neemt men maar een tekst en verzamelt er eenige gedachten bij. En de hoofdzaak is dan wat vlotte taal en boeiende voordracht.
Maar wie zóó doet preekt niet. Wie zoo te werk gaat bedient het Woord niet. Wie zich aldus aanstelt, ontvouwt niet zijn lastbrief, maar stalt eigen vondsten uit.
We herhalen het daarom nogmaals, en zullen niet moede worden, het te herhalen tot we gehoor vinden: Bediening van het Woord is uit het Woord, en tiit het Woord alleen, en dat Woord naar geheel zijn inhoud uit te spreken.
Behalve prediker zijt ge misschien nog een interessant causeur, een boeiend houder van lezingen en voordrachten, een welsprekend redenaar over eigen denkbeelden.
Goed, dan willen v/e u als zoodanig elders hooren. Op een vergadering, in een meeting, op een jaarfeest, in een lezing.
Maar in de vergadering der geloovigen komt Gods volk daarvoor niet saam. Daar komt dat volk niet om u, maar om zijn Koning te hooren. En waar gij dan als zijn ambassadeur optreedt, wil het van u uitsluitend, dat gij uw lastbi'ief d. i. Gods Woord ontvouwt, en dat ge dit zoo getrouw, duidelijk en volledig doet, dat het bij den dood, in het oordeel, en voor de eeuwigheid niet anders zal uitkomen, dan gelijk gij het gezegd hebt.
Doch dit nu juist wil nog een tweede soort predikers niet.
Niet alleen zij die diskoersen houden, schieten hier te kort, maar ook de Doopersch-getinten drijven het tegendeel.
Wie de houders van diskoersen onderde predikanten zijn, merkt ge vanzelf wel. Laat ons u dan nu zeggen wie hier de Dooperschgetinte lieden zijn
Zooals Guido de Bray het in zijn Wederlegging der Wederdoopers met zooveel klem aantoont, is het een hoofdzonde van alle Doopersche heden, dat ze den Geest los van het Woord maken.
De Schrift is hun wel goed, maar eigenlijk alleen voor de pasbeginners. Den volmaakten is de vastere spijs. En die vastere spijs zoeken ze in de inspraak of inwerking en ingeving des Geestes.
Ze verachten dan het Woord wel niet. Althans daar beginnen ze niet mede. Maar wat van den Geest komt, stellen ze hooger.
Op het punt der prediking leidt deze dwaling nu tot de navolgende stellingen.
Vooreerst, een prediker die niets doet dan et Woord prediken, staat nog beneden eil. Hij behoort zelt nog niet tot de volmaakten, en kan dus ook niet voor de volmaakten spreken. Voor de pasbeginners is hij goed genoeg, maar voor de dieper ingeleiden is hij onbruikbaar.
Ten tweede, alle studie om Dienaar te worden is _mijl op zeven. Schoolstudie is knechtelijk werk. Dat verstompt meer, dan dat het bekwaamt. De ware academie is de hemelsche academie. En wie bevindingen en ervaringen, inspraken en toespraken, ingevingen en inwerkingen van den Heiligen Geest heeft staat, ook al heeft hij geen a voor een b gestudeerd, tienmaal hooger dan de ongeestelijke letterknecht.
Ten derde, de ware voorbereiding voor den Dienst des Woords is niet dat men Gods Woord indenkt en bestudeert; zijn gedachten ordent, schift en er de zuiverste uitdrukking voor vindt. Neen, de voorbereiding voor den Dienst is, dat ge niet studeert, dat ge alles op God waagt, en optreedt om af te wachten, wat de Geest u op dat oogenblik in zal geven.
En ten vierde, beoordeelen of de Dienst naar eisch was, kan niet wie de predikatie aan het Woord toetst, niet een Ouderling, die zich aan niets anders dan het Woord houdt, en niet een Kerkeriaad, die alleen het Woord tot maatstaf heeft; maar kan alleen die enkele broeder of zuster in de gemeente, die den Geest heeft en naar Geestes inspraak oordeelt.
Dit is in zake de prediking het Doopersche standpunt, dat als zoodanig lijnrecht tegen de Gereformeerde prediking overstaat.
En nu zeggen we natuurlijk niet, dat er ook maar één prediker in ons midden zou zijn, die dit Doopersch standpunt principieel drijft. Maar ook al gaat men zóó ver niet, toch bespeurt men mctar al te vaak, dat er zijn die naar dat Doopersch standpunt neigen, er iets schoons, iets verleidelijks, iets gemakkelijks in vinden, en die althans niet met heldere bewustheid er tegen strijden.
Waarom is nu dit standpunt zoo door en door valsch ?
Allicht toch denkt menigeen: »Dat is vreemd. De Heilige Geest is God. Eilieve, waarom zou er dan iets verkeerds in liggen, om op de inspraak en inwerking van dien Heiligen Geest af te gaan? "
Zelfs haalt men er dan tal van Schriftuurplaatsen bij, ten bewijze dat vele profeten en evenzoo de apostelen juist hetzelfde deden; en wijst ei met nadruk op, datjjJezus zelf gezegd heeft: »In die ure zult gij niet overleggen wat gij spreken zult, want ik zal u in die ure zeggen wat gij spreken zult."
Het is daarom van het hoogste belang, dat men wel inzie, uit wat hoofde en om wat reden, dit op zich zelf zeer wel denkbaar standpunt, thans door niemand mag worden ingenomen.
De reden is namelijk deze, dat ge juist het Woord van noode hebt, om te weten te komen wat influisteringen zijn van uw eigen geest, van Satans geest, of van den Geest van God.
Natuurlijk zijn er ook nu, Gode zij dank, nog heerlijke Geesteswerkingen, en de ziel moet wel arm en leeg, koud en dor zijn, die persoonlijk deze Geesteswerkingen nief kent. Ze moeten in elke predikatie, in elli loflied, in elk gebed, in elke dankzegging zijn.
Daar loopt dus de vraag niet over. NeeK de vraag is alleen maar: Hoe onderzoekt ge de geestelijke werkingen of ze 2iit God zijn.
In uw eigen bewustzijn, op den bodcns van uw eigen gemoedsleven zijn allerlei geestelijke inwerkingen. Inwerpingen van Sstan lang niet altoos rechtstreeks boos, som? zeer sluw in schoonen vorm u verrassend. Influisteringen van menscheiijke geesten door hun boeken of hun gesprek. Opborrelingen van uwen eigen geest, somsinzeei verleidelijken vorm. En dan nog, inwerkingen van goede engelen, en influisteringen van den Heiligen Geest.
Dat alles strengelt zich nu in uw besef dooreen, en daarom hebt ge behoefte aan een keursteen, aan een maatstaf, om wat vaii den Heiligen Geest is en wat van andere geesten opkwam, te onderscheiden, en die keursteen, die maatstaf is alleen het Woord.
Dit in de eerste plaats, en de tweede reden is deze.
God de Heere is vrijmachtig. Hij doet naar zijn welbehagen eri niet naar ons believen.
Het is dus niet de vraag, of gij hever zoudt gehad hebben, dat God de Heere door zijhen Heiligen Geest aan u en aan een iegelijk, nu nog, evenals in vroeger dagen, openbaringen van zijn waarheid had gegeven; maar alleen of Hij het alzoo gewild, besteld en verordineerd heeft.
En dit nu is niet zoo.
Uw God heeft het zoo niet gewild, maar heel anders verordend.
Eerst gaf Hij een bedeeling, waarin Hij zijn waarheid openbaarde. Toen liet Hij die geopenbaarde waarheid te boek stellen. Zoo ontstond de Heilige Schrift. En toen kwam de tweede bedeeling, waarin gij thans leeft, en in deze bedeeling openbaart Hij zijn waarheid niet nog eens, noch ook voegt er iets aan toe, maar bindt zijn volk aan wat Hij eenmaal openbaarde, en geeft door den Heiligen Geest thans niet weer iets nieuws, noch ook hetzelfde nog eens, maar alleen binding aa? i het Woord, uitlegging van het Woord, en toepassing tiit het Woord.
Krachtens 's Heeren raad en wil is alle werking van den Heiligen Geest in de bedeeling waaronder wij leven, aan het Woord gebonden, van het Woord afhankelijk, en naar het Woord te keuren.
Om die twee redenen nu heeft 's Heeren volk ingezien en beleden, dat het Doopersche standpunt niet meer mocht worden ingenomen. Dat dit standpunt onwaar en zondig was. Niet echt geestelijk maar valsch geestelijk, en daarom tegen den Geest ingaande.
Gewisselijk is het Woord buiten den Geest dood, en dood de Dienaar des Woords die uit zijn eigen geest werkt.
Maar alle beroep op den Geest, buiten het Woord, met hoeveel gloed ook gedaan, is niet anders dan koud vuur, dat eveneens op den dood, en op nog erger dood uitloopt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 12 mei 1895
De Heraut | 4 Pagina's