Niet malsch.
Brunettière schreef over het bankroet der wetenschap, en ongetwijfeld is het met name de medische wetenschap, die steeds onmachtiger blijkt, om het deficit op de volksgezondheid te kwijten.
Het is zoo, de hygiëne bloeide nimmer gelijk thans, maar ligt er niet veel waars in wat de arts Dr. med. Alfred Damm van Wiesbaden schrijft in zijn werk: tDie Entartung des Menschen", p. 8:
In den tegenwoordigen tijd is wel op geene zijde van ons menschelijk leven zoozeer de aandacht gevestigd en de nadruk gelegd, als op de lichamelijke ontwikkeling.
Gezonde woningen; gezond, niet vervalscht voedsel; gezond en zuiver drinkwater; breede straten, ruime pleinen, om den mensch zuivere lucht toe te voeren; gymnastiekinrichlingen; sport; regeling van vrouwen-en kinderarbeid; verder: ziekenfondsen en busdokters; overal uitnemende ziekenhuizen ; verplegingen ; het Roode kruis en andere menschlievende vereenigingen; vacantiekoloniën; kindervoeding, enz. enz. Men zou kunnen zeggen: Heden ten dage ontbreekt er niets, van wa'; voor de gezondheid des menschen kan dienstig zijn.
Maar nu de vraag: Waar is het gevolg ? Waar zijn nu die krachtvolle, groote, bloeiende menschen, die wij hoopten te zullen aanschouwen r Waar zijn dan nu die gezonde, frissche meisjes en vrouwen; waar zijn die ziekten, die telkens zeldzamer, de artsen, die overbodig geworden zijn, de ziekenhuizen die leeg staan ?
Niets, absoluut niets van dat al, zien wij; juist het tegendeel is het gevolg. En wie dat niet gelooven wil, behoeft niet veel moeite te doen, om zich van den huidigen toestand des menschen te overtuigen; hij plaatse zich maar eens, onverschillig waar, op een hoek van een straat, en late de menschen aan zich voorbij trekken.
Hoe staat het dan met de jonge mannen van tusschen de 25 en 35 jaar; hoe met de jonge dames en meisjes van 20 tot 30 ? Waar is dan de gezondheid, de bloeiende kracht; waarom zijn dan bijna allen va.al, bleek van gelaatskleur; waarom ziet men dan zoo zelden een werkelijk frisch gezicht r Waarom verliezen de jonge mannen zoo vroegtijdig het hoofdhaar, en wel zóóvelen van hen, dat men er bijkans geen enkele vindt, die nog zijn vollen onverbleekten haardos bezit ? Waarom dragen zoovelen hunner een bril, en niet enkel zij, die geestesarbeid verrichten ?
Waarom lijden zij dan allen, in Imn beste en krachtigste levensjaren, aan verstoring der spijsvertering, aan zenuwen, enz.; de meisjes en vrouwen aan bleekzucht en de dusgenaamde vrouwenziekten ? En voorts : waarom zijn dan de ziekenhuizen zoo vol; zoo bezet met teringlijders, kankerzieken en maaglijders ? Waarom neemt het getal der artsen immer toe, met meer dan 4000 in de laatste 10 jaren ? Waarom klaagt de geheele wereld, en waarom dan is een onzer meest besproken onderwerpen de vraag: Is dit of dat gezond ? En waarom maakt dan, in alle kringen, bij hoog en laag, het onderzoek naar ziekte en kwalen een aanmerkelijk deel uit van het gesprek ? Waarom nemen de chronische ziekten zoo schrikbarend toe; waarom eindelijk heerschen zelfzucht en andere ondeugden meer dan ooit; waarom rijpt juist de tegenwoordige tijd de ideeën der sociaal-democraten, communisten en anarchisten ?
Toch gaat de aanklacht tegen de medische wetenschap nog verder. Niet alleen van Kneipp, en van de mannen der natuurheelkunde, ea van de homoeopathen, maar ook van den allopaath Dr. Damm.
Hij schrijft toch ojj blz. 63:
De huidige geneeskunde rust op een valschen grondslag; wat te bewijzen is.
De geneeskunde houdt zich met krankheid bezig!
Wat is krankheid ? Zij is een verstoring van het gezonde, normale leven.
Krankheid is derhalve een abnormaal leven.
De zieke leeft, maar leeft geen gezond, doch een ziekelijk, een abnormaal leven.
Daarover kan geen twijfel bestaan.
Nu is toch wel ieder van u eens eenmaal in zijn leveii ziek geweest; en ieder weet dus uit eigen ervaring, waar de arts den zetel eener ziekte zoekt.
Hij zoekt hem altoos alleen in het kranke lichaamsdeel en orgaan.
Wanneer iemand bijv. aan de longen lijdt, longontsteking of longtering heeft, dan zoekt de arts, zooals gij weet, alleen in de longen den zetel, het uitgangspunt der ziekte.
Ge zult er u wellicht over verwonderen, dat ik deze algemeene opmerking maak, daar dit u als 't ware reeds van kindsbeen af heeft moeten voorkomen als iets dat vanzelf spreekt; dat zoo is ; en over de mogelijkheid, dat het anders zou kunnen zijn, hebt ge in 't algemeen niet gedacht.
De arts zoekt den zetel der krankheid dus alleen in het kranke lichaamsdeel.
Krankheid is echter, zooals wij gezien hebben, abnormaal leven. Maar abnormaal leven is toch leven ; gezond, normaal leven is leven; en krank, abnormaal leven is leven.
Wanneer men nu den zetel der krankheid in de kranke organen en lichaamsdeelen zoekt, zoo zoekt men derhalve den zetel des levens inde organen en lichaamsdeelen.
De huidige geneeskunde zoekt dus den zetel des levens in de lichaamsdeelen en organen; wat, in eenvoudige woorden, zeggen wil: De huidige geneeskunde beschouwt ieder orgaan en ieder lichaamsdeel als een zelfstandig levend wezen.
Dat is sedert eeuwen de grondslag der tegenwoordige geneeskunde, en deze grondslag moet ieder mensch met gezond verstand zoo monsterachtig voorkomen, dat hij zich, zooals reeds vroeger is opgemerkt, moet afvragen: Hoe is het mogelijk?
En toch is het zoo; het is de waarheid; de huidige geneeskunde ziet in ieder lichaamsdeel in de long, het strottenhoofd, het hart, de lever, de maag, enz. een zelfstandig levend wezen.
Deze grondslag der tegen ivoordige geneeskunde heeft ons geleid tot het stelsel der specialiteiten ; tot de specialiteiten voor keel-, long-, maag-, neus-, mond-en andere ziekten, die allen saam en ieder in het bijzonder het kranke orgaan behandelen, alsof het een schepsel op zichzelf ware, onafhankelijk van de overige lichaamsdeelen.
Verder heeft dit gronddenk beeld geleid tot de treurige uitkomsten van de hedendaagsche geneeskunde in het algemeen; tot het resultaat, dat alle sleepende ziekten, als longtering, tuber culose, kanker, suikerziekte, Brightsche nierziekte, het nier-, lever-, maag-, long-, en hartlijden, sleepende vrouwenziekten, ruggemergtering en verlammingen, in 't kort de zoogenaamde sleepende chronische ziekten, ongeneeslijk zijn; tot het resultaat, dat de huidige geneeskunde tegenover al deze krankheden, tegenover de groote meerderheid van alle ziekten in het algemeen machteloos en hulpeloos staat; dat ze voor al dit lijden alleen het too verdrankje heeft: ut aliquid fiat^ wat zooveel zeggen wil als: sMen moet den zieke maar wat voorschrijven, helpen kan men hem toch niet", waarbij dan ten slotte nog het twijfelachtige middel van de operatie 'kan worden gevoegd.
Dat is de grondslag en dat zijn een paar gevolgen van de huidige geneeskundige wetenschap.
Wat Dr. Damm hiertegen overstelt, kan slechts kort aangeduid. Heel zijn betoog zou ons te ver leiden.
Daarom slechts dit:
En thans, tot de beantwoording der vraag: Hoe zou in werkelijkheid de grondslag der geneeskunde moeten gelegd zijn P
Ook dat laat zich in weinige eenvoudige woorden zeggen: De mensch is een geheel. Men behoeft slechts een enkele maal met één blik een mensch aan te zien om te weten, dat hij een geheel is; dat hij niet samengesteld is uit ontelbare levende wezens, waarvan het eene wellicht dit, het andere dat, geheel naar eigen goeddunken, doen wil en kan, maar dat alle deelen tot een geheel vereenigd zijn.
Zulk een geheel, als de mensch is, moet aan één wil onderworpen wezen; dat is, er. moet ee/t eentraalpunt zijn, van waaruit alle deelen geleid en geregeerd worden.
Dat eentraalpunt nu bestaat.
Het is het zenuwstelsel.
En erger nog, ook Dr. Damm klaagt er over, dat de gewone medici nooit van critiek nota nemen.
Ze gaan, alsoi niemand captie op hen maakte, stil door.
De huidige geneeskunde heelt alle middelen aangewend om de nieuwe leer, en het feit der ontaarding dood te zwijgen. Zij doet dat thans nog evenzeer, als zij dat voorheen gedaan heeft.
Zij zal het ook weder doen en niet in open kamp den haar toegeworpen handschoen opnemen.
Hoe dikwerf is zij niet gesommeerd om in openlijke discussie haar standpunt te verdedigen; hoe menigmaal is haar niet aangeboden openlijke bespreking der quaestie aan de orde te stellen; hoe dikwerf is haar gezegd, dat zij toch voor 't minst, alleen reeds in het belang van alle kringen des volks, een onderzoek der zaak van staatswege moest uitlokken. Alles tevergeefs !
Toch zijn er nog altijd menschen die meenen, dat althans de medische wetenschap niet door beginselen beheerscht wordt; ja, die gaan lachen, als men hun zegt, dat ook deze wetenschap van uit het standpunt der Gereformeerde beginselen te beoordeelen is.
Nog onlangs lachte dien lach der onnoozlen de redacteur van de Vaderlander.
Duide niemand het hem euvel.
Zulke goedgeefsche lachers weten niet wat se doen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 19 mei 1895
De Heraut | 4 Pagina's