Universiteitsdag.
Amsterdam, 14 Juni 1895.
Tegen 26 en 27 Juni is dit jaar de Universiteitsdag aangekondigd.
De sure des gebeds" zal te'juni, maar de eigenlijke vergadering, de meeting en het diner zullen te Scheveningen, in het gebouw Seinpost, worden gehouden.
Moge het een van onzen God gezegende dag zijn.
Een reeks van jaren is metterdaad de Universiteitsdag een dag van geestelijke en gezelschappelijke verlustiging voor ons Gereformeerde volk geweest, en dat moet het ook nu weer zijn.
Die weelde des levens moeten we ons niet laten rooven.
Reeds te Arnhem, maar vooral het laatste jaar te Utrecht, was de vergadering te gedrukt, te gedempt, te beklemd, te gehinderd in haar uitingen.
Dat moge nu voor ééns gaan, maar dit gaat op den duur niet. Daar komen onze mannen en vi ouwen, onze jongelingen en jongedochters niet voor saam. Daarvoor geven ze hun spaarpenniiigen niet.
Kome men daarom dit jaar weer als vanouds in grooten getale op, en late men door niets zijn feestvreugde verstoren.
Want wel geven we toe, dat plicht vóór genot gaat, en dat de leden wel terdege de roeping hebben, om, voor hun aandeel, voor de gaatheid, de zuiverheid en de ongeschondenheid onzer beginselen te waken.
Maar ook al acht men, dat hierover, naar aanleiding van het Verslag, moet gesproken worden, dit behoeft ons daarom onzen schoonen dag niet te bederven.
En dit zal ook niet, liiits men zich naar eisch naar Christenplicht maar stiptelijk wachte voor elk ondoordacht woord; al wat krenken kon mijde; en zich nauwkeuriglijk houde aan de rechten, die bij reglement aan de leden zijn toegekend.
Natuurlijk is bij de stichting der Vrije Universiteit zeer v^fel de mogelijkheid voorzien, dat vroeg of Iaat het beginsel onzer Stichting ter sprake zou komen.
Daarom is in het Huishoudelijk Reglement voor de Algemeene Vergadering, dat o. a. op p.ig. XV van het vorige Jaarverslag staat afgedrukt, op hoogst voorzichtige wijze bepaald, hoe dan daarbij moet worden te werk gegaan.
Art. 9 bepaalt toch, dat het tot de bevoegdheid der Algemeene Vergadering behoort o. a. kennis te nemen van en te behandelen het jaarlijks uit te brengen Verslag. Over alles wat daarin voorkomt, kan dus gevraagd en gesproken. En voorts onder 7, dat de vergadering consideratie en advies kan geven over allé zaken, die óf door het Bestuur zelf, óf, met zijn vergunning, in de vergadering aan jde orde worden gesteld.
Tot het spreken over hetgeen voorkomt in het Jaarverslag en tot het geven van consideratie en advies over andere zaken, zijn natuurlijk alleen de leden en begunstigers gerechtigd. Niet de toehoorders.
Desverlangd kan men zelfs bij eenige bespreking de toehoorders doen weggaan om alleen met de leden te vergaderen.
En komt er nu op deze of andere wijze, bij de behandeling van het Verslag, iets ter sprake, dat betrekking heeft op de handhaving van Art. 2 der Statuten, dan wijst Art. II van het Reglement voor de vergadering, duidelijk den weg aan, die alsdan bewandeld moet worden.
Er mag dan over zulk een onderwerp geen motie worden voorgesteld, noch eenig ander soortgelijk besluit door de vergadering worden genomen.
Dit ware ook gansch verkeerd.
Immers dit zou allicht tot een overhaast, onvoorbereid, en daarom betreurenswaardig debat en besluit kunnen leiden.
Om dit te voorkomen is daarom opzettelijk bepaald, dat men, ia zulk een geval niet anders doen kan, dan besluiten tot het benoemen van een Commissie van enquête, mits het voorstel daartoe schriftelijk door minstens twaalf leden worde inge^ diend, en zulks »met nauwkeurige opgave van de zaak waarvoor onderzoek verlangd wordt."
Zoodanige Commissie van enquête wordt dan saamgesteld uit negen leden, waarvan de vergadering er slechts vijf heeft te benoemen, daar er twee benoemd worden door heeren Directeuren, en twee door heeren Curatoren.
Voor de vijf leden doen de voorstellers zelven eene voordracht, die echter door de vergadering kan worden uitgebreid.
Dit alles is met opzet en bedachtaamheid aldus geregeld, om eenerzijds in iets de rechten der leden te verkorten, waar e voor de zuiverheid der beginselen weuchen op te komen, maar ook anderzijds de echten der Directeuren, Curatoren en Hoogeeraren niet prijs te geven aan een overaast, na allicht wild debat, genomen besluit.
Gesteld dus al, dat zekere nog altoos bestaande gisting - tot dit of soortgelijk voorstel leidde, dan behoeft dit nog in het minst onzen Universiteitsdag niet te bederven.
In minder dan geen tijd kan zulk een punt aan de orde komen, en weer van tafel zijn, en in afwachting van wat dan verder komen moet, kan men rustig en tnet dank aan God in het hart voortvergaderen.
Geen strakke, maar blijde gezichten mogen alzoo straks de groote zaal in Seinpost van leven doen tintelen.
Eerst op de vergadering. Daarna op de meeting, waar Prof. Fabius deze met veel zorg gestelde stellingen zal verdedigen:
I.
TEGEN DE .VOLKSSOUVEREINITEIT.
Het gevoelen, door den thans fungeerenden Minister van Binnenlandsche Zaken vroeger geuit omtrent de verhouding van de synodale organisatie van i8'%2 tot " ~~ ' daaronder bevonden i), heeft meer aanspraak op instemming dan de door hem als lid der Tweede Kamer met blijdschap uitgesproken meening, »dat de Kroon in ons staatsstelsel nu reeds, en nog meer in het vervolg, is veeleer een ornament dan het fundament." (Vereenigde zitting van de Staten-Generaal van i Aug, 1894)
II.
TEGEN ABSOLUTISME EN CLERICALISME.
De door Prof. Dr. J. P. N. Land te Leiden gegeven »vingerwijzing", dat volgens Spinoza de Staat, wien het toch slechts om het vreedzaam en eendrachtig samenwerken zijner onderdanen te doen is, gelijkelijk heeft te beschermen, wie het tweeledig beginsel aanvaarden: God liefhebben boven alles en uwen naaste als uzelven (Inleiding op het Godgeleerd-staatkundig vertoog. vert. door W. Meijer, bl. 32), is meer geschikt om Spinoza's absolutisme en clericalisme aan het oog te onttrekken, dan »om het boek beter te verstaan", waarin dit on-Nederlandsche stelsel wordt bepleit.
TOELICHTING
In Spinoza's Godgeleerd-staatkundig vertoog wordt het volgende geleerd. De burger is verplicht alle bevelen der Overheid na te komen, al gebiedt zij het meest ongerijmde (hoofdst. 16 § 27). De onderdanen hebben alleen als recht te erkennen wat de Overheid verklaart recht te zijn (§ 3-1). De Overheid heeft recht te bevelen al wat zij wil (§ 38); allen die met haar niet overeenstemmen voor vijand te verklaren (hoofdst. 20 § 6); de burgers om de onbeduidendste redenen ter dood te brengen (§ 7). De Overheid, aan wie rechtens alles geoorloofd is, kan derhalve nooit onrecht tegenover de onderdanen plegen (hoofdst. 16 § 41). Aan de Overheid komt ook toe over den godsdienst te bepalen wat zij goed acht, en allen zijn verplicht zich aan hare bevelen in dezen te onderwerpen (hoofdst. 16 § 63).
De godsdienst ontleent zijn verbindend karakter aan de beslissing van hen, die de heerschappij hebben. God voert geen direct bestier over de menschen, maar alleen door hen, die het bewind voeren. De uitoefening van godsdienst en naastenliefde moet zich voegen naar de rust en het welzijn van den Staat, en kan derhalve alleen geregeld worden door de Staatsmacht (hoofdst. 19 § 2, 6, 7, 9, 17, 19, 21). Daar het welzijn van het volk de hoogste wet is, moet de Overheid bepalen, hoe ieder zijn naaste moet helpen, d. i. hoe ieder God moet gehoorzamen (§ 24). Niemand kan derhalve God recht gehoorzamen, tenzij hij aan alle bevelen der hoogste macht voldoet (§ 25, 27). Alleen aan de Staatsmacht kan het recht worden ontleend de aangelegenheden van den godsdienst te bestieren; zijne dienaars te kiezen, de grondslagen der Kerk en der leer vast te stellen, uit de Kerk te bannen en daarin op te nemen (§31, 39). De ware dienaars des Woords zijn, die op gezag van de hoogste macht de vroomheid leeren, volgens de regelen door haar gesteld.
III.
TEGEN HET MATERIALISME.
Van de materialistische rechtsleer door Prof. Mr. H. J. Hamaker te Utrecht verkondigd in zijn geschrift Het recht en de maatschappij (a». 1888), welke «leert berusting in al het bestaande" (bl. 122), is niet te wachten, dat zij, gelijk de Schrijver meent (bl. 151), »de kansen op het veelvuldig voorkomen van prijzenswaardige handelingen" vermeerderen zal.
TOELICHTING.
In dit geschrift leest men het volgende. Bl. 8 »Het recht legt geene verplichting op, maar constateert wat gewoonlijk plaats heeft, Men kan van hem, die het overtrad (een uitdrukking, die zelve eigenlijk reeds onjuist is, maar die ik gemakshalve gebruik) zeggen, dat hij anders handelde dan men pleegt te doen, dat hij eene verplichting schond kan men hém evenmin ten laste leggen als b. v. den boom, die anders groeit, dan men het van zulk een boom gewoon is en verwacht."
Bl. 140: srecht en moraal zijn natuurwetten. Zij hebben denzelfden oorsprong niet alleen, zij hebben ook dezelfde waarde en hetzelfde nut."
Bl. 150: jin eene wereldbeschouwing, die de causaliteit ook voor de menschelijke handelingen aanneemt, (kan) van 's menschen verantwoordelijkheid voor zijne handelingen, van zelfverwijt en berouw, geen sprake zijn", enz. Bl. 151: de mensch swordt gestraft, niet om hetgeen hij misdeed, maar om hem een ervaring rijker te maken en hem zoo te maken tot een anders handelend wezen als hij was." t
IV.
TEGEN HET METHÜDISME.
De door Prof. Mr. J. Domela Nieuwenhuis Groningen (zie Tijdschrift voor Strafrecht,
i) Zie De Staatsleer van Mr. J. R. Thorbecke, door Mr. S. van Houtep, 2de druk, bl. 69: «Is de kerk zedelijk vrij, zoolang zij subsidie ontvangt ? Wat zal de staat b. v. doen, indien eene gesubsidieerde hervormde gemeente zich aan de organisatie van' 1852 onttrekt, en b. v. met den leeraar op andere voorwaarden dan de vigeerende reglementen medebrengen, contracteert ? Zal men nog de mogeijkheid van het bestaan eener Hervormde gemeente uiten de organisatie van 1852 loochenen ? Zoolang et kerkelijk leven belemmerd wordt door eene rganisatie, welke, hoewel door den rechter tot duserre bindend gerekend, in een aangematigd gezag aren oorsprong heeft, zou ik ongaarne de woorden an Thorbecke" — dat de gevolgen van de vooralige tusschenkomst des Staatsbestuurs in 1871 eheel zijn verdwenen — «nazeggen.»
l. IV, bl, 312) als treffend achoon bewonderde estrijding van de doodstraf door de; i Minister odderman, welke zeide, dat de misdadiger ói, szooals men het uitdrukt, ^bekeerd"" is, en dan et leven geëischt zou worden van iemand, ver wien »meer vreugde is, dan over tal van rechtvaardigen, die de bekeering niet van noode hebben", óf niet bekeerd, en men dan als Christen hem niet »aan eene voor hem onzekere toekomst" mag prijs geven, — rust op een onschriftuurlijk methodisme, ontneemt aan het strafrecht het zelfstandig beginsel, en leidt tot ongerijmde gevolgtrekkingen.
V.
TEGEN DEN GEMEENSCHAPS-STAAT.
Prof. Mr. P. W. A. Gort van der Linden te Amsterdam, wiens destijds gevoerde verdediging van de vrijheid inzake onderwijs als ontwikkelingsgang van het recht bijval verdient i), heeft later eene daarmee weinig overeenkomende, voor de vrijheid zeer gevaarlijke, uit den gemeenschaps-Staat volgende leer verkondigd, als hij zich omtrent het belastingwezen in deze woorden uitliet: »Wat de gemeenschap eischt is niet een deel van het goed der burgers, maar haar eigen goed, waarover zij beschikken gaat in het publiek belang. De gemeenschap bepaalt in ieder huishouden de grens van hetgeen aan bijzondere wetgeving wordt overgelaten en onttrokken. Belasting-verdeeling is niet een ruiling, maar een grensregeling. De Staat bepaalt waar de onverdeelde gemeenschap_ ophoudt en de individueele rechtskring begint". {Conservatief of progressief m De Gids, jaarg. 1893, bh 171)
En na de meeting ^zij'er^dan een opwekkende, een feestelijke maaltijd, waar gezellige kout en feestdronk elkaar mogen afwisselen.
Zoo het kan in één zaal voor allen saam. Zoo, dat er frissche lucht zij. Dat men niet te gedrongen zitte. En ook dat het menv, het program zij van een reeks gerechten, wel klein ia aantal, maar voedzaam en van goeden smaak.
En schenke Hij, in wiens hand elk jaarseizoen is, ons dan op 27 Juni een recht schoonen zomerdag.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 16 juni 1895
De Heraut | 4 Pagina's