GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

Tucht en Doop.

Bekijk het origineel

Bladeren
+ Meer informatie

Tucht en Doop.

13 minuten leestijd

VII

We bleven een vorig maal steken Ds. De Herder, van Bleiswijk. bij

Den 2oen October 1670 is door de Ci sis van Schieland de kerk van Bleiswijk vat t verklaard, en geconstateerd, dat Ds. i^e Herder »so lange hij in dien staat van procedure persisteert, in geene Gereformeerde kerken tot het waarnemen van eenige deelen van den dienst admissibel of toelatelijk is."

Wat had tot deze krasse daad aanleiding gegeven ?

Was Ds. De Herder een Arminiaan? Een man van zedeloozen wandel ? Verwaarloosde hij zijn dienst? Ontbrak het hem aan geestelijke bedoeling? .

Niets van dit alles.

Integendeel, Ds. De Herder muntte boven velen uit door de ernstige opvatting van zijn taak. De waarheid was hem op het hart gebonden. De sleurpractijken der toen reeds doorbrekende Volkskerk stuitten hem tegen de borst. En het was juist de drang om door den schijn tot het wezen door te dringen, die hem in het ongeluk stortte.

Het voorgevalleue is het best te kennen uit de Protestatie door Ds, De Herder bij de Classis van Schieland ingediend, waarin

hij eerst in den breede verhaalt, wat strijd hij langen tijd had over den ongeestelijken toestand van zijn kerk, en over de juiste wijze, waarop dat kwaad kf^n gestuit worden, tot hij ten leste tot tde resolutie" kwam, gelijk hij het noemt, o'm de Sacramenten voortaan heilig te houden, o. a. door geen kinderen meer te doopen of de naaste ouders moesten naar zijn persoonlijk oordeel, in geestelijken zin geloovigen zijn.

En dan gaat hij aldus voort:

Kort op het neemen van deze resolutie, om geen naast ongeloovige Ouders Kinderen te doopen, en nietnant tot het Avontmaal toe te laten, dan die de vereyste vruchten van 't Gelove en bekeeringe, in leer en leven betoonden, zoo werd my een Kind in myn Huys gepresenteerd: verstaande dat het was buyten echt gebooren, ende in 't leeven van de Ouders niets Christelyke wierd vertoont, zoo stelde ik de Doop van dat Kind uit, tot op het gesprek met den Kerkenraat, de welken niet compleet zynde, verzochten tydt van ryper bedenkingen, ondertusschen noch een Kind gepresenteerd zynde, van echte luyden gegenereert, zoo is dat de Kerkenraadt, verstaande dat het Classis wezen zoude, goed vond om de Classis te verzoeken, advys en bericht ontrent den Doop van zulke Kinderen; dewelke simpelyk zonder geven van redenen, oordeelende dat dat eerste Kind most gedoopt worden, zoo en stelde ik dat tweede niet voor, als genoegzaam onder dat eerste oordeel begreepen: En aUoo wy maar last hebben om des Classis oordeel te hooren, zonder dispuyt met haar te maaken, zoo is 't, dat wy 't oordeel en goedvinden des Classis zeide te zullen rapporteeren aan den Kerkenraat, gelyk ook geschiede. De Kerkenraat bleef bedut wat te doen; zy verklaarde dat de zaak niet quaat maar goed was, doch Waren beducht voor ongemak: eyndelyk schelde uyt die Vergaderinge' op deeze wyze, dat ik zoude voortgaan te doen, gelyk ik had begonnen, en zy haare gedachten wat meerder over deeze zaak te laaten gaan, om dan daar na t»" jen, wat resolutie dat men neemen zoude. "Ondertusschen begond wat meerder misnoegen onder de luyden te ontstaan, de Kerkenraat wat swaarhoofdiger gemaakt, veel bekommerde geruchten van my* gestrooid & c. Zoo dat de Kerkenraadt na de weygeringe van 't derde Kindt, te raade wiert de gantsche zaak te zullen brengen op de Classis; zeggende dat haar E. niet bequaam waren om van zoo een gewichtig stuk te oordeelen: datze zeer gaarne wyzer wilde hooren spreken, datze niet en konde zeggen dat myn zaak en oogmerk quaat was, maar verklaarde die goet te weezen, indien dat het maar de Classis toestont; en niet alleen hier, maar ook in alle Kerken onder het resort van Schielandt behoorende, wierd geïntroduceert; dat zy de zaak niet wilde brengen in de Classis om over my te klagen, en ordre tegen my te verzoeken, maar te zien of haar E. de zaak voor goet mocht aanzien, en alzoo door gemeyn authoriteit bevestigt worden & c. De zaak op de Classis gebracht zynde, zoo door gemeyn authoriteit bevestigt worden & c.

De zaak op de Classis gebracht zynde, zoo zyn daar veel discoursen, maar meest in myn absentie, buiten staande, over en weder verwisselt, verscheyde Vergaderingen daar over gehouden, zonder dat de Kerkenraat noch absolutelyke had verklaart; maar in de laatste Classis heeft het haar E. op 't verzoek des Classis, gelieven haar zelven te verklaaren, zeggende, dat zy oordeelde dat ik onfatsoendelyk deed, en vorige vroome Predicants tot Bleiswyk affronteerde, met haar werk niet voor genoegzaam op te neemen; datze begeerde dat 'er ordre tegen my mocht beraamt werdeni Daar nochtans de Kerkenraat te voeren verklaart had in haare vergaderingen, (gelyk te vooren verhaalt is) dat zy tegen de zaak niet hadden, datze goet was, & c. waar op de Classis van Schielandt deeze resolutie genoomen heeft, en ons ook aangezeyt datze twee Gedeputeerden had gestelt, om inspectie van zaaken te neemen, en ook den Doop te bedienen, indien der Kinde'ren wierden gepresenteert, en ordre op het Avondmaal te stellen. Hier tegen heb ik rondelyk verklaart, dat ik met geen conscientie, die uytwerkinge van die resolutie zoude konnen dulden, en zoo lange als ik Predikant was ; Van die plaats my noodtzaakelyk daar tegen most kanten: als waar door de character van myn ampt my ontnomen wierd, dat by aldièn dat "de Classis (hebbende in 't begin van de Vergaderinge . haar gebeeden om Christi wil, my doch niet te willen beletten in dat goede werk, tot bedroevinge van veel goede herten, wel begeerig zynde om onder zoo een dienst te leeven) met die uytwerkinge van die resolutie voortging, veel meer onrust uit te verwachten stond; doch de Classis bleef by haar resolutie. • Alzoo nu zeker bleek, dat de Classis door de gestelde Gedeputeerde, haar resolutie zoude in 't werk stellen, zoo hebbe ik met veele bekomraernisse myn gedachten over de zaak laten gaan, om uit te zien wat my ïn deze engte te doen stond: God almachtig ootmoedelyk biddende om my eenen goeden weg, tot de meeste eere van zyn naam, door de eenvoudige quyringe van myn plicht, te wyzen, met verschijden hervattingen van myne hertgrondige zuchtinge, zoo is 't, dat ick in goeder conscientie te raaden ben geworden, een publyke betuyginge voor de Gemeynte van 't gepasseerde te doen, en alzoo met eenen te verklaaren, dat ik mij gantschelyk niet aan zoo een resolutie onderworpen hadde, noch onderwerpen konde, noch desselfs executie met stilswygen aanzien, want

1. Da Classis van Schielandt heeft dezelve gelieve te nemen, zonder myne redenen te hebben opgelost, zonder haare tegenredenen daar tegen gestelt te hebben, ja van 't Avondmaal noch niet een reeden gewisselt zynde, zoo is maar alleen over den Doop gesprooken, en dat maai een kleynen tydt over Act. 2, verse 38, 39, zonder eenige andere redenen meer aan te raaken, werdende dat discours afgesneeden, door de presentatie van een Lidt van die Vergaderinge, om schriftelijk daar over met my te handelen, dat ik heb aengenoomen.

2. Dat dezelve was strydende tegen Godts Woordt, gelyk ick bereyt ben by monde en geschriften te toonen, daar het noodig is; en ook fondament van bewys genoeg aan de Classis aireede gegeeven hadde.

3. Dat dit maar was een feytelyke ontneeminge van myn ampt niet alleen de publyke Predikinge, maar ook de macht der sleutelen behelpende: v/illende voor de werelt schynen, datze myn laten Predikant als te voren, daar zy nochtans niet alleen my het recht geestelyk gebruyk en wel appliceeren van de Sacramenten verhinderde, maar zelve tegen myn betuygin-^e, en zoo wel onderwezene conscientie uit Godts Woordt, de Sacramenten qualyk quamen te apoliceeren. Geen vonnis over my te vellen,

goede luyden te schynen, is geen behoorlyke billikheyt. L.C Vi'^id^ LA^^ zaack van

4. 't Is niet anders als een ontheyliginge van Godts Verbondt, door zoo onbezonnen gebruyk van de Sacramenten, doopende daar gansch geen fondament is: en willende Avontmaal houden met die, die zy niet kennen, daar van ik zeggen kan door geestelyke ondervindinge, datze in ontdankbaar leeven voortgaan, gansch niet leerende, noch haar Saligraaaker kennen, noch de waarheit beleeven, zynde genoeg datze burgerlyke menschen zyn, en door Doop en Avondraael en herteloos te Kerk te gaen voor Christenen gehouden te worden, het getuigenis van den Kerkenraedt en kan de Classis daer in niet verschoonen; vermits ik verzekert ben, dat dezelve geen experientie van de geestelyken staet der gemeinte heeft; ja ik vertrouw haer conscientie zoo veel toe, dat .-haar wel afgevraagd zynde, of zy ook onderzoekingen van Ledemaaten ooit gedaan hebben, en alzoo met ondervindinge van het geestelyke leeven der Ledemaaten konnen spreeken, datze zuUen zeggen van neen. Is 't dan niet onbedenkelyck, dat men die kloekmoedige stoutigheid durff neemen, om tegens de betuiginge van den ordinaris Leeraar, van welkers dienst zy de minste ongetrouwigheidt niet weeten, de Sacramenten te bedienen? Is 't dan zoo lichten zaak zich met de zonde van de ontheiliginge van de teekenen des verbonts te bezoetelen? Immers na uw eigen oordeel moet gy u ten minsten .in 't perykel van die zonden steeken? want men oordeelt een groot verval in de zeden te zyn; dat de minste waare Christenen zyn; dat de meenigte, de werelt gelykformig is; dat de tucht der Kerken niet wel gebruikt werd, & c. zal men dan zoo onbeschroomt in de Gemeinte, eens anders opzicht byzonder toe vertrouwt, tot het bedienen van de Sacramenten toetreeden; meint men dat het werk Gods zoo wel hier niet vervallen is als op een ander ? ik betuige op heden, dat 'er groot verval is, dat ik 'er ontwyffelbaare experientie van hebbe, och dat Godt zulke zondelykheden dan wilde verhoeden ?

5. Dat dit maar de handen der onvroomen slyft, de verharde en onzinnige verhart: de vroome bedroeft, de swakke een aanstoot legt, en de Satan een groot avantagie geeft, om zyn ryck onder zoo een gemengt Volck staande te houden, ja meer voort te zetten, waar tegen ick als publyk wachter op den tooren sta, om de Schaapen te waarschouwen, en dezondaaren tegen alle verderf te bewaaren, om den Duivel uit zyn troon te helpen.

6. Om dat daar door my ontnoomen werd de macht waar door het Ryck van Christus geestelyk opgericht kan worden, door geestelyck onderscheidinge en oock afscheidinge van Godtvreezende en wereltsche, ydele te maaken, wat bequaamheit heeit een Predikant om de Gemeinte onder Godts gunst te brengen in zoo een staat, als de primitive Kerk, zoo wanneer iemand uit naam van de Classis alles zal doen na den ouden trant, (gelyk dit het woort van de Classis is) tegen de goede en vaste ondervindinge van den ordinaaren Predikant? want het Prediken konnen zomtyds de wereldsche wel verdraagen, als het maar niet tot de daadt en komt, en hoe zal hy de onreine afscheiden, als een ander het gebruik van de scheidende sleutel, voor een tydt hem ontneemt: De Heere doet ons dit verstaan!

Derhalven verklaar ick part noch deel te hebben aan die zonden; dat ik ook de minste gemeinschap niet hebben aan dezelve, maar byzonderlyck moet dit de Kerokenraadt en Classis wel op haar hert leggen: wel toezien wat datze doet, voorzceker daar van zal moeten reekenschap gegeeven werde voor Godts throon, ick hebbe en in Kerckenraadt en in Classe, myn devoir gedaan, dat zulk een resolutie niet zoude genoomen werden, echter het is daar toe gebracht; de Heere, wensch ik, reekene haar de zonden niet toe; maar wil dezelve uitgedelgt zynde, haar tot beter bezorginge van den staat van Gods volk over zetten. Ik spreek dit niet uit passien, noch uit vooroordeel, Godt is myn getuigen, hoe meenig ernstig Gebedt ik daar over uit gestort hebbe, en dat ik niet anders spreeke als uit een hert dat teer is ontrent Godts eer, Gods volk, waar voor ik gaarne myn Ziel en Lichaam, als 't God wil opoffere.

Derhalven verzoeck ende vermaan ick alle goede herten, datze in het minste, door goedkeuren met woorden, of affectie, of met haar, pretentie haar niet schuldig maaken; maar veel liever de Kerk uitgaan, tot betuijginge, van de atkeer tegen zoo een daad, en hoe gaarne dat zy het anders zaagen; en datze niet wilde met zoo een vermenginge; op zoo een wyze bevestigt, tot de Taafel des Heeren toetreden, op dat (volgens de leere des Catechismi) de toorn Godts oock niet teegen haar en ontsteeke. Doch draagt zorge dat gy de zaacke Godts zeedig tracteert; daar gy, geen tumulte verweckt, zyt lytzaam, goedertieren, nochtans ernstig in de zaacke Godts voort te zetten & c. en de Heere zal met ons zyn Amen.

Dit stuk is wel wat lang, maar voor het gewicht der zaak is het toch beter dat ons kerkelijk publiek het in zijn samenhang onder de oogen krijge.

Gelijk uit het stuk blijkt, had men hier te doen met een in zijn uitgangspunt heilig en eerbiedwaardig streven, om namelijk de Teekenen des Verbonds, en daardoor het Verbond zelf, heilig te houden.

Ds. De Herder begreep volkomen juist, dat de kerk van de wereld onderscheiden is door het bezit van een ander leven, en dat dit leven nooit anders dan uit de wedergeboorte op kan komen.

Slechts beging hij de fout daaruit af te leiden, dat derhalve de Dienaar des Woords keuren kon en moest, of in eenig persoon dit nieuwe leven al dan niet aanwezig was.

Hierin nu lagen twee fouten tegelijk.

De eerste was, dat hij 2ii& predikant XILZM ren wilde, waar de keur alleen aan den kerkeraad toekwam.

En de andere dat hij, niet tevreden met een keur op kerkelijke kenteekenen, een keur op geestelijke kenteekenen wilde uitoefenen, die aan God en niet aan de kerk staat.

Het kwaad dat hem ergerde - uuas een ernstig kwaad.

Dat kwaad beigreep hij zeer terecht dat moest worden aangetast, en het was ergelijk zoo als de Classis van Schieland, en heel de toenmalige kerk over dit kwaad heenwerkte.

Alleen maar hij vergiste zich te eenenmale in het middel dat hij aangreep om het kwaad te stuiten.

: '. . , ; », c; . a 1 10 kicatviS, ujair was door zijn llcere en Koning besteld, en was gelegen in de tucht, en die tucht moest geoefend niet naar kenteekenen die hij zelf verordenen wilde, maar die verordend waren in het Woord.

Leest men dan ook wat de bekende Ridderus, toentertijd predikant te Rotterdam, in den naam der Classis tegen hem schreef en sprak, dan gevoelt men bijna even sterken afkeer van Ridderus' pleisteren met looze kalk, als men zich tot den geestelijken zin van Ds. De Herder aangetrokken gevoelt.

Maar dit neemt niet weg dat Ds. De Herder den bal missloeg.

Een oordeel van geestelijke strekking geldt in de kerk bij Doop en Avondmaal, zoo voor volwassenen als voor kinderkens, nooit anders dan op onderstelling.

Zekerheid biedt de uitwendige kerk in haar oordeel over de personen nooit.

God alleen is en blijft de Kenner der harten.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 8 december 1895

De Heraut | 4 Pagina's

Tucht en Doop.

Bekijk de hele uitgave van zondag 8 december 1895

De Heraut | 4 Pagina's

Bladeren