Daltonisme.
Amsterdam, 24 Jan. 1896.
Zeer ten onrechte leven velen onder den indruk, alsof diegenen onder onze broederen, die niet zeer scherp op het stuk van beginselen zien, of ook herhaaldelijk tegen de beginselen ingingen, daarom geacht moeten vi^orden door kettersche beginselen te worden gedreven.
Wie zoo oordeelt, schiet in menschenkennis te kort.
Ongetwijfeld toch zijn er alle eeuwen door mannen, en daaronder mannen van ongemeen talent, opgestaan, die het er opzettelijk op toelegden, om beginselen door te drijven waarvan ze wisten, dat ze ingingen tegen de belijdenis van heel hun levenskring; maar deze mannen waren steeds hooge uitzonderingen.
Wat daarentegen veel voorkomt, niet alleen ten onzent, maar ook bij andere volken, is zeker daltonisme "op het stuk van beginselen; iets waaronder men verstaat zekere ongevoeligheid om een beginsel in zijn werkingen waar te nemen.
Zulke mannen beamen dan de door u beleden beginselen zeer in den grove, zoolang het bij het tastbare, algemeen geijkte en erkende blijft; maar als ge iets dieper gaat, volgen ze u niet meer. De gezichtslijn verwart dan voor hun oog. En hoe ze ook turen, ze zien niet wat gij ziet, omdat hun oog het beeld niet scherp meer opvangt.
Volkomen te goeder trouw kunnen twee groepen zich op die wijs twee geheel verschillende voorstellingen maken van wat door eenzelfde beginsel geëischt wordt. Beiderzijds kan men in die voorstelling inleven, en er zich zoo ia vastzetten, dat men ten slotte de mogelijkheid niet meer inziet, dat het anders zou kunnen zijn.
Zeer dikwijls hijdert dit dan ook niet, zoolang men elk op eigen terrein werkt. Maar moeite baart het, zoodra men, als belijders van eenzelfde beginsel, met twee zoo diametraal tegenover elkander staande voorstellingen, zijn arbeid dooreen moet strengelen.
Dan toch ontstaat noodzakelijkerwijs de vraag, wie gelijk heeft, en onder het zoeken naar dit antwoord, geraakt men ongemerkt al verder van elkaar af en komt al scherper tegenover elkander te staan.
Die beslissing komt dan wel. Beginselen toch brengen vanzelf hua beslissing met zich. En na verloop van eenigen tijd is er ten slotte niemand meer, die niet inziet aan welke zijde het daltonisme) en aan welken kant de wezenlijke belijdenis van het beginsel was.
Maar onderwijl die beslissing rijpt, mengt er zich, vooral in een klein land als het onze, zooveel persoonlijks onder. Dat persoonlijke maakt zoo overgevoelig. Dat overgevoelige prikkelt zoo licht tot bitterheden. En maar al te dikwijls hoort men dan al spoedig over en weer een oordeel over personen vellen, waarover men zich later zelf schaamt.
Dit nu moet met alle kracht bestreden. Niet uit zwakheid, want wie op het stuk van beginselen looft en biedt, is onwaardig de banier te omklemmen.
Maar bestreden, omdat mannen die in de ons meer eigenaardige beginselen van ons afwijken, ja, tegen ons overstaan, toch desniettemin als verdedigers en pleitbezorgers van de meer algemeene Christelijke beginselen, die ons saam hfeilig eü waard zijn. s w s r h aanspraak blijven houden op onze ongeveinsde waardeering en op de onverzwakte erkentenis van hetgeen God de Heere aan ons volk ook in hen schonk,
Te sterker zelfs staat ge tegenover den daltonist op dit terrein, hoc meer ge hem zelf het voorbeeld geeft van den strijd voor uw beginsel geen afbreuk te laten doen aan uwe waardeering van zijn persoon.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 26 januari 1896
De Heraut | 4 Pagina's