We beloofden terug
Amsterdam^ 14 Febr. 1896.
We beloofden terug te zullen komen op het tegenadres van Prof. Gunning, en beginnen met dit in extenso mede te deelen.
Het is van dezen inhoud, en der lezing overwaard.
Aan de Synode der Nederlandsche
Hervormde Kerjc,
Hoogeerwaarde Heeren!
De ondergeteekenden, leden der Nederduitsche Hervormde Gemeente van Leiden, wenden zich tot Uwe Hoogeerwaarde Vergadering met een dringend verzoek.
Zij hebben met belangstelling kennis genomen van een Adres, aan Uwe Hooge Vergadering toegezonden door eenige leden onzer Gemeente, (welke wij in dit ons eigen Adres ter bekorting eenvoudig sonze Medeleden" zullen noemen) en geplaatst in het sLeidsch Dagblad" van 4 Januari 1896.
Onze Medeleden vragen U eerbiedig om zoodanige maatregelen te beramen en aan het oordeel der Kerk te onderwerpen, dat de behoeften en rechten der minderheden worden erkend en geëerbiedigd.
Aan dit op alleszins waardige wijze kenbaar gemaakt verlangen kunnen wij niet nalaten voUé adhaesie te schenken wat betreft de begeerte onzer Medeleden, om de quaestie omtrent hun recht van bestaan in onze Kerk uitgemaakt te zien.
Ernstige, overtuigde mannen toch kunnen er niet in berusten, met hun beginselen in een kerkgemeenschap slechts feitelijk geduld te worden. Zij verlangen noodzakelijk, van hun standpunt, erkenning en eerbiediging van hun recht.
Deze nu is onder onze tegenwoordige organisatie onmogelijk. Deie organisatie toch kan slechts elke overtuiging, welke ook, karakterloos toelaten, doch niet haar recht doen erkennen; 't omdat elke maatstaf des rechts eener overtuiging feitelijk wordt ter zijde gesteld. Aan erkenning' van een recht moet voorafgaan beoordeehng van dat recht naar den in de Kerk geldenden maatstaf. Recht heeft in eene Kerk ieder, die op den grondslag dier Kerk bouwt.' De grondslag onzer Kerk is bekend, j Niemand kan een ander fundament leggen dan hetgeen gelegd is, Jezus Christus." Den Naam Jezus Christus acht onze Kerk terecht niet te onbepaald van beteekenis oiii als maatstaf te kunnen dienen, daar zij bijv. in de Proponentsformule van »het Evangelie van Jezus Christus" als van een algemeen bekende zaak spreekt.
Dat echter het gebruik van dien maatstaf door het samenstel onzer Reglementen onmogelijk wordt gemaakt, bleek in den loop der tijden menigmaal. Opdat dus aan elke overtuiging, ook aan die van onze Medeleden, het recht, dat haar volgens dien maatstaf toekomt, worde toegekend, is verandering van organisatie onzer Kerk noodig. Deze werd ook onlangs door het officieel orgaan onzer Kerk (in de «Kerkelijke Courant" van 18 Jan. 1896) bij mededeeling van het Adres onzer Medeleden, schoon uit een ander motief dan het onze, begeerd. Niemand, van welke overtuiging ook, wien de eere der beleden waarheid, gelijk onzen Medeleden, ter harte gaat, is met die organisatie tevreden. Wij ook niet; en wel omdat wij geen uitbanning onzer tegenstanders, geen heerschappij der toevallige meerderheid, geen conservatieve handhaving der leer, gelijk Art. XI van ons Algemeen Reglement die, helaas! voorschrijft, geen stilstand door verbitterden en vruchteloozen partijstrijd willen, maar dien vooruitgang naar den eisch onzes tij ds, die liefde, die verdraagzaamheid, tot welke het belijden van den Naam des Heeren Jezus Christus door onze Kerk als Kerk de onmisbare voorwaarde is.
Om al deze redenen is ons eerbiedig verzoek aan U, Hoogeerwaarde Heeren! dat., ter voldoening aan h-et billijk verlangen onzer Medeleden wat zijn, beginsel betreft., door U eene zoodanige verandering van de organisatie onzer Kerk beraamd en aan het oordeel der Kerk onderworpen worde., dat wettige beoordeeling eener overtuigifig., ook van die onzer Medeleden., mogelijk zij.
Omtrent de wijze dier verandering hebben wij onze meening, welke wij gaarne, zoo het verlangd wordt, zullen mededeelen. Wij spreken echter daarover hier niet, omdat wij, wordt het beginsel, de noodzakelijkheid van zulk een verandering, aangenomen, die nadere - aanwijzing met het oog op de prudentie Uwer Hooge Vergadering voorbarig — wordt het niet aangenomen, haar onnoodig achten.
Van twee zijden, die tegen elkander overstaan, komt thans een roepstem om wettige erkenning harer overtuiging en om hetgeen daartoe noodig is, tot U.
Wilt verhoeden. Hoogeerwaarde Heeren ! dat onze Kerk, door die roepstem niet of niet voldoende te verhooren, nog verder een toestand bestendige, reeds lang door den ernst onzer tijden, en, 'bovenal, door Gods Woord veroordeeld.
Met verschuldigden eerbied en den hartelij ken wensch dat God Uwe beraadslaging zegene, noemen wij ons, Hoogeer\vaarde Heeren!
Uwe Medeleden in onze" Kerk.
Op den voorgrond sta, dat dit adres ons verheugd heeft.
Het is, hoe ook bezien, een teeken van leven. Een bewijs dat ook Prof. Gunning met den bestaanden toestand ontevreden blijkt. Een bewijs ook, dat hij op reformatie der kerk bedacht blijft, en dat het hem hindert dat het logge Genootschap nog maar altoos op den ouden slikweg voortsukkelt.
Wie nu zij a volk liefheeft, en rekent met den zeer grooten invloed, dien ook dit Genootschap nog steeds op de massa uitoefent, kan niet anders dan er zich in verheugen, dat een man als Prof. Gunning niet alleen geen vrede met den bestaanden toestand heeft, maar den drang in zich gevoelt, om telkens en telkens zijn stem tegen het ongezonde en onhoudbare in dien toestand te verheffen.
Als cri de conscience, als conscicntiekreet juichen we dit adres alzoo van harte toe, en zal het ons verblijden, zoo blijken mag, dat de volgelingen van Prof. Gunning één van tweeën doen, óf dit adres teekenen, óf zelven een ander, en *Öan beter, adres indienen.
Het gunstig verschil tusschen Prof. Gunning en de overige Ethischen bestaat hierin, dat de overige Ethischen »Gods water over Gods akker" laten loopen, zich muisstil houden, en geen kracht meer tot protest in hun ziel vinden, terwijl hem dit zwijgen pijnlijk valt, en dusver nog telkens door hem wordt afgebroken.
Dit verschil moet verklaard uit tweeërlei. Én uit Prof, Gunnings leeftijd, én uit zijn verleden.
Uit zijn leeftijd, want als een der oudsten onder de broederen, komt hij op uit een tijd, toen de strijd tegen de' Synodale organisatie nog algemeen was, en de plicht om tegen haar te getuigen • nog in het algemeen besef was doorgedrongen.
Dit is bij de jonge Ethischen zooniet meer het geval. Vandaar dat zij zwijgen, waar Gunning nog spreekt.
En ten andere ligt het aan Gunnings verleden. Hij heeft in Den Haag indertijd, ook onder de bezieling van Esser en Groen van Prinsterer den strijd tegen Zaalberg meegemaakt. En al was zijn houding daarbij ook zwak, hij heeft dan toch gestreden. En wie eenmaal het vuur en den gloed voor dezen heiligen strijd ia zich heeft voelen branden, in dien gloort het telkens nog op.
Maar al betalen we aldus volgaarne, en zonder te beknibbelen den tol van onzen eerbied aan dit adres, toch mag de vraag niet onderdrukt, of Prof. Gunning nu zelf heusch zou meenen, dat langs een weg als hij volgt, eenige reformatie, hoe gering dan ook, tot stand zou kunnen komen.
Zijn voorslag komt toch feitelijk hierop neer, dat scheiding zou gemaakt worden tusschen-hen, aan wie recht op het blijven in zijn kerk zou worden verzekerd, en de afwijkenden, aan wie dit recht niet zou worden toegekend. En dat wei op zulk een manier, " dat in elk gegeven geval ware uit te maken of aan iemand, hij zij dan leek of leeraar, dat recht al dan niet toekwam.
Zoo heeft dus ook hij een maatstaf noodig.
Wie aan dien maatstaf beantwoordt, zal het recht bezitten, wie er niet aan beantwoordt, zal het derven.
Op dien maatstaf komt dus alles aan.
En welke is dan hier nu die maatstaf?
Hij zegt het duidelijk, die maatstaf zal zijn: De Naam Jezus Christus.
Nu kent men het smartelijk proces waardoor telkens iets van den maatstaf af ging.
Eerst had men de Drie Formulieren. Toen Belijdenis en Catechismus, zonder de Leerregelen van Dordt. Daarna den Catechismus alleen. Toen de Heilige Schrift. Voorts het Evangelie. Kort daarop de Twaalf Geloofsartikelen. Nog later de belijdenis der gemeente. Niet lang daarna den Christus naar de Schriften. En nu wordt ook die laatste bijvoeging losgelaten, en zal men niets overhouden dan: de Naam van Jezus Christus.
Vraag nu, leukweg, of een Roomsche iets zal hebben tegen den Naam Jezus Christus ^ Heeft een Arminiaan hier iets tegen? Zal een Sociniaan zich er tegen verzetten? Kan die naam voor een Lutheraan bezwaar opleveren ? Zou een Doopsgezinde er iets tegen hebben ?
En immers Prof. Gunning zelf zal moeten antwoorden: Stellig niet.
Maar ga nu verder: Zal een Groninger tegen den naam Jezus Christus bezwaar opperen? Een leerling van Scholten? Een intellectueel Moderne ? Een ethisch Moderne? Een Ritschliaan?
En immers, hoever ge ook wilt afdalen, zoogoed als nergens ontmoet ge onder de leeraars of leden van welke kerk ge wilt, iemand, wie dan ook, die, als het op uitzetten aankomt, niet gaarne erkennen zal, dat hij den Naam Jezus Christus eerbiediglijk eert.
En nu weten we wel, dat Prof. Gunning zeggen zal: Dat kan een Moderne niet. Want ik schreef naam met een kapitale letter als Naam, en ik sprak"niet maar van Jezus, maar van »Jezus Christus." Maar eilieve, snijdt dat nu hout? Weet dan Prof, Gunning niet, dat er Modernen zijn, die op den naam Christus nog wel zooveel nadruk leggen als op den naam Jezus! En waant hij dan, heusch, dat hij zijn kerk redden zal door het woord naam of Naam met kleine of groote N geschreven?
Is het niet te ongerijmd, om er een woord aan te spillen ?
Maar hoe dat ook zij. Prof Gunning moet in elk geval toegeven, dat bij zijn maatstaf het recht van lid te zijn in de Hervormde kerk toe wordt gekend aan Roomschen en Lutherschen, 'aan Doopsgezinden-en Remonstranten, aan Socinianen en aan wat niet al, — en waar blijft dan Prof, Gunnings historische zin?
Is dat dan nu voor hem de kerk d^r vaderen? De kerk der martelaren!' Is dat nu zijn belijdende gemeente, die voor de belijdeniskerk in de plaats zou komen?
In ernste het gp"ieft ons en doet ons zeer, dat een man van zijn ernst en doorzicht zich aan zulk een nietszeggenden voorslag gewaagd heeft.
Een schijnbaar formeel zeer zuiver optreden, om recht in de ongerechtigheid en orde in den chaos te scheppen, maar genomen naar een maatstaf, die niets meet, niets beslist, niets uitwijst.
Een thermometer waaruit het kwik is weggeloopen.
En de uitkomst zal het dan ook toonen, dat er van dezen voorslag niets komt, dat er geen geestdrift voor gewekt, wordt, en dat zijn eenige vrucht zijn zal nogmaals, en nu, helaas, al te helder aan te toonen, dat de Ethische richting geen kerk kan vormen noch reformeeren, eenvoudig wijl haar het cement der Belijdenis dat alleen de steenen in den muur kan doen rhechten, haar ontbreekt, haar ontbreekt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 16 februari 1896
De Heraut | 4 Pagina's