Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Gereformeerde prediking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Gereformeerde prediking.

9 minuten leestijd

TWEEDE REEKS.

XIV.

Bij de toepassing komt niet slechts de vraag aan de orde, wat ge toepast, maar ook op wie, op wat wijze, op wat tijd en zooveel meer. Ge hebt het slechts te vergelijken met de zorge van een huismoeder voor de voeding van haar gezin, of met de zorge van den medicijmeester voor de genezing van zijn kranken. Twee beelden beide aan de Heilige Schrift ontleend. Of spreekt niet Jezus zelf van de zieken die wel, en van de gezonden die itiet den medicijnmeester van noode hebben? En zoo ook, wijst niet de apostel, in het beeld der voeding, op de kinderkens die nog geen vaste spijze verdragen kunnen, en daarom melk ontvangen, terwijl de ouderen en volwassenen aan melk niet genoeg zouden hebben en daarom toebereid brood vragen.

Nu is de Dienst des Woords niet het houden van een winkel noch het houden van een apotheek.

In een winkel, en ten deele ook in een apotheek, kiest wie koopt zelf, terwijl de verkooper slechts aflevert naar er gevraagd wordt. Hij die den winkel of de apotheek houdt, heeft niets te beslissen of uit te.maken. Naar de klanten en patiënten hét zelf halen of halen laten, gaat het van de toonbank.

Maar zoo is de Dienst des Woords niet, ea mag hij niet zijn. In dezen dienst wordt niet afgeleverd naar het koopend volk het weghaalt, hier wordt afgeleverd om niet maar zonder dat de gebruikers er veel over te zeggen hebben wat ze krijgen zullen.

De Dienaar des Woords is huisvader aan den disch, die te zorgen heeft dat allen naar eisch hun voeding ontvangen. Hij verkoopt niet, maar deelt uit, en de verantwoordelijkheid voor de dsugdelijkheid der spijze rust niet op wie aanzitten, maar vooral op hem. En ook, hij is geen apotheker, die de simplitiekast openzet en er nu de patiënten maar in laat grasduinen, maar een medicijnmeester, die, onder verantwoordelijkheid aan den Heere van leven en dood, zijn recept voorschrijft; iets wat men in andere talen nog scherper: voorschrift of ordinantie noemt.

Dit nu maakt de vraag: op wie het Woord moet worden toegepast, van zoo hoog gewicht; iets wat nog minder zoo zijn zou, zoo deze allen eender waren en ^^/y'/^^ behoeften hadden en aan dezeljde krankheid leden, maar wel terdege zoo is, nu dit alles op allerlei manier uiteenloopt en verschilt.

Toch moet, ook afgescheiden van deze uiteenloopende krankheden en behoeften, ook het gewenschte antwoord op de gestelde vraag duidelijk voor het besef van den preker vaststaan. Hij moet weten: op wie het Woord is toe te passen. Hij mag er niet in twijfel over verkeeren, in welke hoedanigheid de mannen en vrouwen en kinderen, die onder den Dienst zijn opgekomen, in deze vergadering verschijnen.

Die vraag is meer dan een halve eeuw lang ten onzent ganschelijk verwaarloosd, en juist hierdoor is de prediking zoo veelszins uit haar voegen getild. Ten slotte ging die verwaa, rloozing zelfs zoover, dat de kerk niets was dan een spreeklokaal, de opgekomen schare niets dan een collectie hoorders, en de prediker een redenaar.

Natuurlijk zal een officier heel anders spreken als hij op de markt, te midden der menigte, jonge mannen voor zijn bataillon poogt te werven, dan dat hij in de kazerne of op het cxercitieplein zegt wat hij te zeggen heeft tot ingelijfde soldaten.

Nu is ook Jezus, onze Koning, een veldheer. Ook die hem toebehooren, vormen een leger. Ook voor dat leger moet geworven worden. En zoo spreekt het wel vanzelf, dat ook hier gelijk verschil geldt, en dat het zoo heel iets anders is, of een dienstknecht des Heeren roept, om voor de hcirschare van zijn Heiland te werven, dan dat hij, door zijn Koning daartoe aangesteld, spreekt tot hen die niet meer kunnen worden aangeworven, omdat ze reeds in het leger van onzen Koning zijn ingelijfd, er toe behooren, onder den krijgseed staan en tot het praesteren van dienst zijn gehouden.

Juist op dit punt echter was de schromelijkste verwarring ingeslopen. Op een gehoor, laat ons zeggen, van duizend personen, beschouwde men zoo een tiende als er te zijn, maar de overige negen tienden als er nog buiten staande.

Althans onder de preek.

Maar was de preek afgeloopen, en volgde er Doopsdiening, dan keerde het blaadje opeens om, en dan werd diezelfde man, en diezelfde vrouw, die men zoo even nog als „wilden" toesprak, op eenmaal aangesproken als: »Geliefde' Broeder en Zuster in onzen Heere Jezus Christus." Ze werden geëerd in hun hoedanigheid van »geloovigen." En krachtens hun hoedanigheid als »geloovigen" werden hun kinderen voorgesteld als in het Verbond besloten, in Christus ingelijfd, en erfgenamen des Koninkrijks.

Was sinds dat kindeke eenmaal gedoopt, en gingen er eenige jaren over heen, tot dat zelfde kindeke groot geworden, met vader en moeder ter kerk kwam, dan was dat knaapke of dat meiske weer opeens los van Christus, niet ingelijfd, en nog niets uitstaande hebbende met het Koninkrijk der hemelen.

Ja, deze stuitende inconsequentie en onnadenkendheid ging soms zoover, dat men tot in toespraken bij het heilig Avondmaal de lieden kon hooren toespreken, als de zoodanigen die nog van verre stonden, en nog gelokt moesten naar hun Heiland.

Zooals men te Constantiuopel onder een troep Mahomedanen, of te Peking onder een schare Heidenen over Jezus zou spreken, zoo sprak men niet zelden over den Gezalfde Gods in het midden van de «vergadering der geloovigen."

Een eenvoudige boer weet zeer wei het verschil tusschen twee akkers, die er nog beide zwart uitzien, maar waarvan de ééne bezaaid is, zoodat-het zaad er in zit, en de andere nog braak ligt. Hij begrijpt uitnemend, dat het heel iets anders is, of men een nog leeg stuk land gaat bezaaien en beplanten, of wel dat men een akker die bezaaid en beplant is, wiedt, nat maakt, dekt en verzorgt.

Maar onze predikers hadden voor dat verschil vaak geen oog meer. Omdat het zaad nog ontkiemen moest en de halmen uitgroeien, gingen zij te werk alsof er nog niets was, en alsof er nog gezaaid moest worden.

Als een man of vrouw tot Icrachtdadige bekeering was gekomen, dan begrepen ze, dat zulke personen anders moesten behandeld worden, dan de wilde hoop. Maar zoolang het zaad nog schuil bleef in den akker, of ook de are nog niet in den halm uitschoot, was het in hun oog nog alles vreemd aan Christus.

Dit nu gaf een valsche verhonding tusschen hen en hun gemeente, want feitelijk cijferden ze op die manier hun gemeente als zoodanig weg. Ze geloofden niet, dat de samenkomst waarin ze optraden, een » vergadering", in eigenlijken zin, en veel min dat ze eene vergadering van »geloovigen" was.

Tien procent geloovigen misschien! en de overige negentig procent een bonte schare die de wet niet kende.

Zoo hieven ze ongemerkt en onwetend het karakter der gemeente als «gemeente van Christus" op, verdonkeremaanden het Genadeverbond, maakten den kinderdoop tot een belaching, en stonden als Christen-leeraars in een Christelijke kerk te spreken, zooals een zendeling het onder Javanen of Madoereezen zou doen.

Hieraan nu begint thans almeer een einde te komen.

Nog zijn we er wel niet, maar het hoog besef begint toch weer door te dringen, dat een prediker, die zijn gemeente als vreemde hoorders of uitsluitend als gewone vrienden toespreekt, maar ze niet durft aanspreken als »geliefde broeders en zusters in onzen Heere Jezus Christus", zichzelven hiermede feitelijk buiten de kerk zet, geen kerk heeft, geen kerk erkent, zijn ambt ondermijnt, en tot veel bekwaam moge zijn, maar zich niet schikt tot den Dienst des Woords in de vergadering der geloovigen.

Zeker, er kunnen in de vergadering ook Joden, of Heidenen, of Maliomedanen binnenkomen, om te luisteren; maar die staan er bij, die zijn geen leden der vergadering, niet naar hen kan zich het Woord schikken, ook al kan het zijdelings op hen gericht worden.

Ook is het waar, dat er valsche broederen onder de geloovigen kunnen insluipen. Bedriegers van zich zei ven en van de menschen. Een gedaante der godzaligheid vertoonende, maar zonder geloof in het hart. Maar deze schuilen. De prediker kent ze niet, want kende hij ze, dan zou men ze uit de gemeente moeten bannen. En. ook al moet het Woord echt en valsch geloof telkens schiften, ook naar den hypocriet richt zich de prediking niet.

De prediking gaat altoos uit naar de zoodanigen, die geacht worden in Christus te zijn ingelijfd en erfgenamen des Koninkrijks te zijn. Nooit anders. En niemand /& «« erfgenaam des Koninkrijks zijn, tenzij de wortel der zake in hem zij.

Nu is hier allerlei verschil. Het zaad kan nog ganschelijk schuilen in den akker, dat die akker nog even zwart ziet als een akker die braak ligt. Er kan een kleine groening over het veld zijn gekomen, dat er iets uitliep. Er kan veel onkruid tusschen dit groensel opschieten. Droogte kan het half doen verdorren en verzengen. Kwaad insect kan het stuiten in den groei. Felle storm kan hoog gewas neerslaan. De are kan zich pas vertoonen of reeds zijn uitgebot. Zij kan nog groen of reeds geel in het veld staan. Kortom, er is allerlei verschil en onderscheid. Geen twee bladen zijn ook aan dezen boom gelijk, eer eindelooze verscheidenheid. Maar dit blijft toch, dat de akker als zoodanig het zaad reeds in zich draagt, of althans als zoodanig moet behandeld worden.

Het antwoord op de vraag : op wie is het Woord toe te passen, is alzoo geen ©ogenblik twijfelachtig.

De personen tot wie de Dienst des Woords zich in de «vergadering der geloovigen" richt, zijn altoos als «geloovigen" te nemen.

Geloovigen nog in het zaad, of «geloovigen" die reeds in den halm staan.

Maar nooit mag de «vergadering der geloovigen" genomen, als een dorre wildernis of als een akker die braak ligt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 16 februari 1896

De Heraut | 4 Pagina's

Gereformeerde prediking.

Bekijk de hele uitgave van zondag 16 februari 1896

De Heraut | 4 Pagina's