Onthouding.
II.
De houding door ons Christenen tegenover hetnieuw opkomend onthoudingssysteem aan te nemen, is niet onverschillig.
Onze vaderen waren gewoon in hun voortreffelijke opstellen over de zedekunde ook een hoofdstuk op te nemen over het ^gebruik en het misbrtiik van het aardschegoed', en niemand zal zeggen, dat ze tegenover het misbruik toegevend waren.
Integendeel, al wat de matigheid en soberheid te buiten ging, of ook naar gulzigheid of misbruik maar van verre zweemde, werd zonder sparen door hen geoordeeld of gegeeseld.
Vooral onze Gereformeerde vaderen waren op dit punt zeer streng.
Veel meer dan de Lutherschen hebben zij van meet af, de macht van Gods Woord ook over het gewone, persoonlijke, huislijke en maatschappelijke leven ingeroepen, en er op aangedrongen dat, men God zou laten heerschen niet alleen in zijn geloof en in zijn hart, maar ook in zijn levenspraktijk.
Heel het leven moest als ia de tegenwoordigheid des Heeren doorleefd worden. Ook op onze feesten en hoogtijden. Bij bruiloft en bij feestmaal.
Vroolijkheid des harten keurden ze nooit af. Ze hebben er nooit aan gedacht het feestmaal af te schaffen. Noch ook om den wijn, die het hart vervroolijkt, van onze feestmalen te bannen.
Maar streng en onverbiddelijk bleef steeds hun eisch, dat de Christen ook op het feestmaal Christen zou blijven; niet beheerscht zou wordea, maar zou heerschen; en ook te midden van de luidruchtigste vreugd steeds zóó zou verkeeren, dat hij plotseling zou kunnen sterven, zonder het verwijt dat hij zijn God had vergeten.
Dat deze hooge levensernst ook onder de Gereformeerden sinds schade heeft geleden, zien we zeer wel in.
Hoe sterk we ook óp de Gereformeerde belijdenis dringen, we zijn er volstrekt niet blind voor, dat de zenuw onzer kracht, ook op dit terrein van drank ea spijze veelszins verslapt is, en ook is het ons niet onbekend, dat er zelfs kringen zijn, waarin het gebruik van jenever en bitter en dergelijke soms een zeer stuitend karakter aanneemt.
We zeggen niet dat dit de regel is, zelfs niet dat die kringen of gezinnen vele zijn, maar het feit is niet te loochenen, dat er wel terdege hier en daar misbruik bestaat.
Welnu, tegen dat 'misbruik moet in naam der Gereformeerde belijdeais zoo ernstig mogelijk en zoo volhardend mogelijk geprotesteerd en gestreden worde. Dat is God onteerend, zedenbedervend, zielverwoestend. Ea zoowel de predikatie des Woords die dit misbruik ernstig en krachtig aantast, als de kerkelijke tucht die dit kwaad opspoort en het den kop innijpt, brengt aan personen en gezinnen een zegen.
En ia zoover nu de algemeene onthoudingsbeweging ook in die richting een roepstem doet uitgaan, die gehoor vond, zullen wij haar vrucht zegenen, ook al kunnen wij ons niet vereenigd verklaren met haar uitgangspunt en begiasel.
Hier komt bij, dat het kroeg-en bierhuisloopen, of aanwippen in een slijterij, door dat misbruik op hoogst bedenkelijke wijze wordt gevoed, hierdoor de huislijkheid schade toebrengt, en het reine, heilige leven afsnijdt.
Stellen we dan ook tegenover elkander een Gereformeerd man van belijdenis die zich aan zulk misbruik schuldig maakt, en een o«-Gereformeerde van belijdenis, die tegen zulk misbruik niet uit hoogmoed, maar uit zedelijken ernst toornt, dan aarzelen we geen oogenblik in laatstgenoemde te eeren een hoogeren levenstoon, waardoor hij den eerste beschaamt.
Een tegenstelling iMs^^tti gebruik tv\. misbruik, die we toepassen niet enkel op drank en spijze, maar evenzoo op kleeding, op sieradiën, op allerlei levensgeneugte, kortom, op alles wat uit het goed der aarde den mensch tot gebruik is afgestaan en bestemd.
Dat alles geeft en gunt hem zijn God,
opdat het met zeïf beheersching, onder gebed en dankzegging gebruikt zou worden, en een ieder die te dezen opzichte op wat stuk ook, de maat te buiten gaat, en slaaf van kleeding, sprijs of drank wordt, in stede van als beelddrager van zijn God over dat alles te heerschen, werpt de eere van zijn kindschap weg.
Het geldt hier geen regel op regel, noch gebod op gebod, maar een beginsel, en wel een beginsel van algemeenen aard en van gansch algemeene strekking.
Het geldt de vraag naar de positie die de belijder van den Christus tegenover het goed dezer aarde inneemt, en of men zich nu verslaaft aan het geld of aan den wijn, aan zijn kleeding of aan zijn rooken, aan spijs of aan bloemen, aan dieren of aan zijn toilet, aan het visschen, aan het jagen, aan lectuur, aan zijn bed of bad, of aan wat ook, het komt altoos OJD hetzelfde neder. Het is altoos de mensch die heerschen en gebruiken moest en die zich beheerschen laat. De revolutie in het leven. Een ommekeer van de orde die God gesteld heeft.
Gif zult u onder de macht van geen die brengen laten.
Aldus leerden het de Gereformeerde moralisten, daarin den apostolischen stelregel vasthoudende, en juist deswege het gebruik van alle ding verdedigende.
Van de Doopersche mijding scheidde hen ook hier een vaste grenslijn.
Deze meden het gevaar, omdat ze het onderscheid tusschen beproeving en verzoening niet doorzagen.
Zeker, in verzoeking moogt ge u nimmer begeven, en wie dit nochtans doet, heeft het zichzelven te wijten, zoo de bewarende genade Gods hem verlaat.
Maar een zeker op de proef stellen van ons geloof is heel ons leven, tenzij we het leven ontvheden willen. En de consequentie van het Doopersche mijden ligt dan ook in niet anders dan in de kloostercel, waarin men de wereld ontvlucht, om met één heroieken slag den strijd en de worsteling voor altoos te beslechten.
Dat echter is onzerzijds steeds veroordeeld.
Veroordeeld, men versta ons wel, niet in elk bepaald geval. Het vasten werd soms sterk aanbevolen. Het tijdelijk doen van gelofte van onthouding raadzaam gekeurd. Een mijden van gevaren, die Satan kans boden om ons hart van zijn zwakke zijde aan te vallen, geloofd.
Maar dit waren exceptiën van persoonlijken en tijdelij ken aard, en raakten het beginsel niet.
Voor wat het be£ i7!sel asmging daarentegen, stonden onze vaderen steeds in de vaste overtuiging, dat we niet weggenomen moesten uit, maar bewaard in de wereld, en dat alzoo onze roeping was, om, middenin de wereld verkeerende, bij dat verkeer onze eere als Christen op te houden, een bederfwereud zout te zijn, en ons licht te laten schijnen.
Zoo verstonden onze vaderen den dagelijkschen strijd des geloofs, den Christelijken wedloop. Zoo spanden zij de zedelijke veerkracht, en betoonden zij die wereldoverianende kracht, die ons in het Christelijk geloof gegeven is.
En dit algemeene standpunt blijven ook wij handhaven, omdat het ons volkomen in overeenstemming met de Heilige Schrift dunkt te zijn.
We weigeren in de mijdinge te gaan, en blijven Gereformeerden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 16 februari 1896
De Heraut | 4 Pagina's