Vu cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Vu te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Vu.

Bekijk het origineel

Maandblad „Bethesda.”

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Maandblad „Bethesda.”

7 minuten leestijd

Bij den uitgever A. Gezelle Meerburg, te Heusden, verschijnt sinds kort een maandblad onder den titel van. Bethesda, dat steun en waardeering verdient.

Het poogt orgaan te zijn van de vele philanthropische inrichtingen, die sinds korten tijd verrezen zijn, en die de roeping gevoelen, om op het terrein der barmharhartigheid, de kracht des geloofs, naar eisch van onze Gereformeerde belijdenis, te openbaren.

Het geeft daartoe elke maand een opwekking tot barmhartigheid uit het Woord, een reeks berichten uit de verschillende stichtingen, en een beschouwing over de te volgen gedragslijn.

Uit de laatste rubriek volge hier wat Ds. Barger, van Driebergen, over de Ziekenverpleging schrijft:

Het ideaal is en blijft zeker, dat elke kranke, in eigen huis, door eigen huisgenooten of familieleden worde verzorgd. Daarop moet dan ook steeds worden gewezen en aangedrongen. En het is zeker ook de plicht van de opzieners der Kerk, bij het bezoeken der gezinnen, daaraan te herinneren, de onderwijzing uit het Woord Gods, waartoe ze geroepen zijn, ook daaraan dienstbaar te maken, en niet alleen den kranke te bezoeken, ten einde bij het heil zijner ziel hem te bepalen, maar vooral degenen die hem hebben te verplegen, te wijzen op hun roeping te dien opzichte, en rriet de onderwijzing van Gods getuigenisse, die ook hier immers zoo duidelijk spreekt, bekend te maken. Gelijk ook eveneens de diakenen niet maar zoo spoedig hebben aan te raden, om een kranke of ellendige weg te zenden buiten eigen omgeving — maar integendeel, eerst alle mogelijke middelen moeten in het werk stellen, om dezen te laten in den kring, door den Heere zelf hem aangewezen.

Voor wien echter menigmaal huisgezinnen binnentrad en kranken bezocht, is 't geen onbekende zaak, dat dit ideaal nog schier nergens bereikt werd. Wel zijn ze er, de enkele gezinnen, waar dit bestaan der barmhartigheid liefelijk geurt, en het kranken vertrek een geheel ander aanzien kreeg, door de toewijding en zorg, die eene gade, moeder of dochter, hier wisten ten toon te spreiden. Maar gemeenlijk, en hoe vaak, vindt de dienaar des V/oords, wanneer hij de kranken of ellendigen bezoekt, reden te over tot den wensch, dat hier eens eene krankenverzorgster mocht intreden, geheel berekend voor haar taak, die het werk der verpleging naar ziel en lichaam op zich nam. Komen wij, die daartoe geroepen zijn, niet dikwijls in gezinnen, waar misschien wel liefde is en begeerte om de zieken op te passen, maar daartoe de noodige takt en wijsheid ontbreekt? En staan we niet eveneens telkens aan ziekbedden, waar letterlijk alles ontbreekt, jvaar schrikkelijke onreinheid heerscht, waar ligging en deksel en verzorging volkomen onvoldoende zijn - waar de vervulling van de eerste levensbehoefte voor een kranke gemist wordt - waar het uit alles blijkt, dat de gezonde die hier verzorgen moet, eigenlijk niet het flauwste besef heeft van wat ziekte is, of een kranke toekomt ? Ja, is het niet meermalen voorgekomen, dat een zieke, wiens lot reeds hopeloos beslist scheen, door een zorgvuldige verpleging, weer geheel herstelde?

Die gevallen zijn regel. De Ziekenverzorging mag dus niet losgelaten. Ze moet ook door de Gereformeerde Kerken ter hand genomen en naar den eisch van Gods Woord verricht worden.

Van groot belang is het daarom, hoe de Ziekenverpleegster wordt opgeleid, en hoe ze haar taak opvat.

Zeker is het daartoe allereerst noodig, dat ze zich met volle toewijding des harten aan dien arbeid geeft, en zich geen ander levensdoel begeert, dan kranken te mogen verzorgen. Ze moet zich dan tot die taak geroepen gevoelen door den Heere zelf. Daar heen uit strekken de neiging en begeerte haars harten. Daarin alleen volkomen voldoening vinden. Neen, dan zoekt ze dien werkkring niet, gelijk helaas! maar al te veel geschiedt, om een trap hooger te klimmen op de maatschappelijke ladder — om van eene dienstbode eene dame te worden — maar dewijl de liefde van Christus haar drong, en die kranken haar dierbaar waren, om den wille haars Heeren, dewijl ze daarin niemand minder dan haar Heiland diende.

»Ik ben krank geweest en gij hebt mij bezocht." Dat woord haars Heeren, waarmede Hij naar Zijn eigen getuigenis eenmaal in den dag der dagen de Zijnen hun plaats aan Zijne rechterhand in de eeuwige heerlijkheid zal toewijzen, staat haar dan voortdurend voor oogen, en daarom is ze in staat, al die liefde, al die zelfverloochening, al die toewijding te betoonen, die aan het krankbed van de rechte verpleegster geëischt wordt. Ja, zelfs zich over den kranke te ontfermen, al is 't ook dat deze met zulk een ziekte behept is, dat daardoor slechts weerzin en walging gewekt wordt. Maar het is eigenlijk Christus zelf, Wien dat offer der liefde in dien kranke toekomt. Zooveel dat aan een Zijner minste kranke broederen gedaan werd, is 't aan Hem zelf gedaan. Hij was in hen krank, en als zij nu die kranken zoo met hare liefde omringde, was die liefde eigenlijk voor Hem zelven bestemd.

Dat geeft dan ook aan den arbeid der Krankenverzorging zulk een bijzondere beteekenis. Dan wordt deze uit het rechte beginsel verricht. Zg, die zich daaraan geven, morden dat werk dan ook nimmer moê, al heeft het ook nog zulke zware eischen — al vergt l\et alle krachten van lichaam en ziel — al gunt het weinig rust, en al ontbreekt bij lastige, korzelige, telkens onvoldane lijders, maar al te veel de waardeering, die men toch voor deze zelfopoffering wel verwachten mocht. Maar zij, die daartoe geroepen wordt, gaat dan ook telkens met nieuwen moed en nieuwe veerkracht weer aan 't werk, dewijl het geloofsoog steeds mag zien op Hem, die als de barmhartige Hoogepriester, de nooden der Zijnen kent en lenigt, maar nu ook wl, dat Zijn volk daarin eveneens Zijn beeld zal vertoonen.

En dan is er nog iets, dat daartoe de rechte krankenverpleegster drijft. De smart des lichaams, zeker, gaat haar ten zeerste ter harte. Alles doet ze en denkt ze uit, om deze dragelijk te maken, of kon 't zijn, haar geheel op te heffen. Daarmee is ze rusteloos bezig. Maar de ziel heeft haar grootste belangstelling. Wat zoo vaak bij een kranke vergeten of verzuimd wordt. Hem te wijzen op den eenigen Medicijnmeester. De lessen op te vangen die in deze krankheid van zijn God tot hem komen. Hem te leeren met zijn Borg in onderhandeling te treden. Hem te bepalen bij dat deel der Schrift, dat hij juist van noode heeft. Hem naar de behoefte zijner ziele toe te spreken. En niet alleen te zorgen dat de medicijn, die de geneesheer verordende, stipt wordt gebruikt, en al diens voorschriften opgevolgd, maar ook de rechte medicijn der ziele waaraan ze juist en nu behoefte heeft, aan te wenden en toe te passen. Ziet! Dat is tevens het werk van haar, die de, Kranken verpleging te leiden heeft. Daartoe behoort veel geestelijke kennis, veel geestelijke takt, en een door Gods Geest zelf geschonken inzicht in het Woord des Heeren, dat dan ook de rechte vermaningen en de rechte vertroostingen op den rechten tijd daaruit te putten weet.

Alleen echter wanneer zoo de Krankenverzorging geschiedt, en op de nooden van lichaam en ziele is ingericht, komt zij waarlijk tot haar recht.

Grijpt de Gereformeerde Ziekenverzorging niet naar een onbereikbaar ideaal, wanneer zij naar de opleiding van zulke verpleegsters staat? Of kan 't daartoe niet komen, wanneer de liefde des Heeren in ieder der Gereformeerde Kerken in Nederland weder tot haar volle recht komt, en de kracht, die daarvan moet uitgaan, haar wederom bepaalt bij hetgeen zij tegenover hare kranken verplicht is?

We waardeeren de bezonnenheid en bedachtzaamheid, waarmee hier gesproken wordt, en ons dtinkt, de ernst der zaak zal te gereeder ingang vinden, naarmate de redactie er in slaagt, onze moeders en zusters, ook met practischen raad in deze bij te staan en voor te lichten, ten einde in haar eigen huis voor eigen kranken niets minder te doen, dan de ziekenzuster, in anderer woning ingaande, doet voor wie haar vreemd is.

Ziekenzusters uitgaande, om onze moeders en zusters het verplegen aan eigen huis weder terdege te leeren, zou dan ook in zedelijken zin een zegen voor onzen kring zijn.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 3 mei 1896

De Heraut | 4 Pagina's

Maandblad „Bethesda.”

Bekijk de hele uitgave van zondag 3 mei 1896

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken