Gezangen-quaestie.
Amsterdam, 29 Mei 1896.
Ook de Gezangen-quaestie begint de Nederlandsche Hervormde Kerk weer te beroeren.
Hierover onzerzijds een kort woord. Kort, want' plaatsgebrek dwingt ons zelfs, om onze artikelen over de Onthouding en over de Gereformeerde prediking achterwege te laten.
Het standpunt, waarop men zich thans plaatst, om het zingen van Gezangen te verdedigen, is, dat de enkele predikant, of ook de enkele kerkeraad, geen recht heeft, om ten deze te beslissen.
De vraag, of er al dan niet Gezangen zijn te zingen, is een liturgisch vraagstuk, dat niet aan de enkele leeraars of kerken ter beslissing is overgelaten, maar beslist moet worden door de kerken saam in meerdere vergadering.
En overmits nu de Gezangen eenmaal zijn ingevoerd is het plicht van de enkele predikanten, en van de enkele kerken zich hieraan te onderwerpen, tot tijd en wijle de meerdere vergadering nader of anders beslist.
Tot zoolang heeft de gemeente er recht op, en is het willekeurig niet laten zingen van Gezangen een eigenmachtig heerschen over de gemeente.
Het is niet moeilijk aan te toonen, waar hier de logische fout van de redeneering schuilt.
De stelling is, dat alleen dé Synode-Generaal in zake de liturgie beslissen kan.
Uitnemend !
Welnu, de Synode-Generaal van Dordrecht heeft uitgemaakt, dat de Gezangen niet zouden gezongen worden.
Welke macht nu kan dit besluit der Dordsche Synode casseeren?
Natuurlijk alleen een andere Generale Synode.
Die nu is er, volgeus de verweerders van deze foutieve stelling, ua 1619 nooit geweest.
Derhalve is dat besluit nog nooit gecasseerd, en geldt het nog onverzwakt.
Al wat met of zonder de aloude Staten-Generaal, door de Provinciale Synoden, ten deze gehandeld is, bezit uiteraard geenerlei rechtskracht om het besluit der laatste Generale Synode te vernietigen.
Dat ze dit toch poogden was aanmatiging en willekeur.
En bijaldien nu Provinciale Synoden zich zulk een aanmatiging en willekeur veroorloven, is het dan de plicht van kerkeraden en leeraars, om deze Provinciale samenkomsten hierin te volgen, of om, waar deze de wet verkrachten en het recht verzaken, voor recht en wet pal te staan?
Logisch natuurlijk alleen het laatste.
Doch hiermede is de zaak dan ook uitgemaakt.
Wat onwettig is ingevoerd kan nooit in de consciëntie binden. Zelfs niet in het burgerlijke. Maar vooral niet in het kerkelijke.
Uit dien hoofde hebben wij dus steeds erkend, dat de leeraars of kerkeraden die oordeelden, dat de berijming van Datheen der Psalmen niet wettig was afgeschaft, en dat zij dus het recht hadden, om de oude berijming te blijven gebruiken, hierin niet aan te tasten waren.
Want wel is het heel iets anders, of men de principieele quaestie van het niet zingen van Gezangen vlak tegen den geest en den zin der laatste Generale Synode beantwoordt, of wel eenvoudig een andere berijming aanprijst dan die Generale Synode had beslist, dat alleen zou worden gezongen ; maar formeel was het verzet bok tegen de invoering der nieuwe berijming in zijn recht.
We verdedigen niet het standpunt, dat, waar zulk een verandering uit noodzaak, bij ontstentenis van een Generale Synode, buiten haar om tot stand is gekomen, een kerkeraad het recht niet zou hebben, om zich naar die verandering te voegen.
Dit ware ongerijmd.
Maar wel, dat onder zulke omstandigheden, de kerkeraad naar eigen oordeel heeft uit te maken, of er z. i, wettige, hetzij aan Gods Woord, hetzij aan de natuur der dingen, ontleende redenen bestaan, die hem vrijheid geven, of zelfs noodzaken, om in zulk een verandering mede te gaan.
Al wilde de kerkeraad b. v, heden het besluit nemen, om op den eerstvolgenden Zondag weer naar de berijming van Datheen te laten zingen, het zou eenvoudig een niet uit te voeren besluit zijn. Niemand zou die berijming bij zich hebben. Men zou ze niet kunnen bezigen. De natuur der dingen zou het onmogelijk maken.
Dat dit een toestand van verwarring schept, wordt toegegeven. Doch als er in 250 jaar geen Generale Synode zit, is dit noodzakelijk, en moet aller streven er op gericht zijn, om onverwijld tot een Generale Synode te geraken.
Dit echter kunnen de Gereformeerde broederen in de Ned. Hervormde kerk niet. Dit weten ze zeer wel. Al wat ze daarvan bazelen, is ijdel geklap.
Tot zulk een Synode-Generaal komt alleen hij die zich weer op de basis van de Drie Formulieren stelt.
De Belijdenis gaat vóór de Kerkenordening.
Maar in afwachting hiervan moet dan ook het recht van eiken kerkeraad onverkort blijven, om te weren wat z, i. niet strookt met de besluiten der laatste Generale Synode, en waarvan de verandering niet klemmend geëischt wordt door Gods Woord of de natuur der zaak.
We zeggen: i Van eiken kerkeraad, " vtaxA het spreekt vanzelf, dat de leeraar persoonlijk hier niet beslissen kan, dan na zijn kerkeraad te hebben gehoord. Acht dus een kerkeraad, in den zin van Ds. Schouten, dat gezangen te zingen eisch is van Gods Woord, en dat de dusgenaamde > Evangelische Gezangen" Gereformeerd zijn, dan moet wel de kerkeraad ze zingen laten, op zijne verantwoording voor God, tot tijd en wijle de Generale Synode daagt.
Maar ook, acht een andere kerkeraad, dat Gods Woord dat niet eischt, cf ook dat de Evangelische Gezangen niet bruikbaar zijn, dan moet zulk een kerkeraad bij de Psalmen blijven, niet uit willekeur, maar juist om willekeur buiten te sluiten, en te handelen naar regel en naar plicht.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 31 mei 1896
De Heraut | 4 Pagina's