Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Uit de Pers.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de Pers.

10 minuten leestijd

Onze broeder Ds, Notten bewees aan wie Keuchenius hebben liefgehad en nog zijn nagedachtenis eeren, een schoonen vriendendienst, door den overdruk van eenige grootere en kleinere opstellen van Keuchenius' hand in Maranatha.

Hij gaf ze den titel: Prikkelen en Nagelen, Opstellen van wijlen. Mr. L. W. C. Keuchenius^ uitgegeven door J, W, A, Notten. Leiden, Donner, 1896.

Studiën zijn dit natuurlijk niet. Ze bedoelen niets anders dan vluchtige persvruchtjes te zijn, soms meer korte mededeelingen dan opstellen, zoo zelfs dat bij enkele de vraag rijst, of ze onder den titel van opstellen vallen kunnen.

Maar al had allicht hier en daar iets, wat niet het karakter van een opstel draagt, kunnen zijn weggelaten, de uitgave als zoodanig verrijkt onze kennis weer van den man, dien we met al de liefde van ons hart hebben liefgehad, en voor die verrijking zijn we Ds. Notten dankbaar.

Als proeve drukken we hier een der grootste opstellen af, dat met het oog én op de Zending én op de Vrije Universiteit, ook thaus nog beteekenis heeft.

Het handelt van de Geneeskunde op Christelijken grondslag en luidt aldus:

Van het onlangs door de Vereeniging tot bevordering der geneeskundige uietensclu^pen in Nederlandsch Indië, te Batavia bij de firma Ernst en Co. uitgegevene derde deel van het werk van den in Indië met lof bekenden heer Dr. C. L. van den Burg: De Geneesheer in Nederlandschludië, bevat het «Weekblad ian liet Nederlandsch Tijdschrift voor Geneeskunde"' dd. 12 Juni 1886 no. 24 een zeer gunstig verslag van de hand van den heer Dr. F. J. van Leent.

Indien wij daarvan hier melding maken, geschiedt zulks om op te merken, dat ook weder uit dat Verslag en het daarin beoordeelde werk blijkt, hoe weinig Nederland zich nog van zijne Christelijke roeping tegenover Indië gekweten heeft.

Op het gebied der geneeskunde, evenals op dat van alle andere wetenschappen, heeft de Nederlandsche Regeering nog zeer weinig in het belang en tot heil van de Indische bevolking gedaan. Nog altijd verkeeren deze ook in dit opzicht in volslagen onkunde en bijgeloof. Zij, die onder den naam van doekoens de geneeskunst beoefenen, missen alle wetenschappelijke opleiding en de kennis van de kracht der middelen, welke zij toedienen; en priesters en hadji's maken gretig van den volkswaan, dat de oorzaak van alle ziekten en gebreken aan den duivel en booze geesten moet worden toegeschreven, gebruik om zichzelven, ten koste der zieken, die hunne hulp inroepen, te bevoordeelen.

»De hadji, bij zieken geroepen" - zoo wordt ons medegedeeld, - stelt schijnbaar een onderzoekin, hetwelk zich bepaalt tot palpatie van eenig lichaamsdeel. Hij mompelt daarbij gebeden, bestaande uit eenige samenroeping van woorden zonder zin, onverstaanbaar, behalve het «Allah.'"' tot in het oneindige herhaald. Op eene of andere pijnlijke plaats of aangedaan lichaamsdeel legt de priester djimats, amuletten, papieren strookjes, waarop bij voorkeur in het Arabisch spreuken uit de Koran geschreven zijn, of die djimat wordt in water geweekt, en het vocht aan den lijder te drinken gegeven. Dit vocht wordt, volgens het bijgeloof, nog lurachtiger door het indompelen van een gloeienden spijker, of van een wondersteen, of tooverring, welke voorwerpen den algemcenen naam dragen van inoestika, hetwelk versteende vrucht beteekent".

Men wane niet dat, van de zijde der Europeesche geneesheeren, veel gedaan wordt, om dit bijgeloof te bestrijden, en gezondere begrippen bij de Inlanders, met wie hij in aanraking komt, te doen ingang vinden.

Met verbazing leest men:

»Het bezit van een djimai is voor een Europeeschen geneesheer in Indië veel waard, al bestaat dit slechts in de verbeelding der Inlanders. Zijne behandeling wórdt dan veelal met goeden uitslag bekroond, hetgeen ook daarvan voor een deel afhankelijk is, dat zijne voorschriften stipt worden nageleefd. Hij boezemt dan onbepaald vertrouwen in".

De schrijver haalt daarvan een merkwaardig voorbeeld aan van een rustend geneesheer te Batavia, die eens het bezoek ontving van een gezantschap, hetwelk van een verafgelegen eiland, waar hij vroeger was werkzaam geweest, gekomen was met het eenige doel, om hem den djimat (den talisman of het toovermiddel) af te smeeken, waardoor zijne behandeling vroeger steeds zoo goed gevolg gehad had. Na langdurige onderhandeling reikte de geneesheer op plechtige wijze zijnen djimat aan het gezantschap over. Deze bestond uit de helft van eene gravure, een gezicht op een slot aan den Rijnoever voorstellende^ welk stuk papier, netjes gevouwen en in tegenwoordigheid der gezanten, in een zikje genaaid werd. De djimat zou de goede uitwerking van alle goed aangewende, deugdelijke «obaf (geneesmiddel) verzekeren of versterken, vooral als het ter juister tijd aangewend werd. Daar de geneesheer de andere helft van het toovermiddel voor zich had behouden, onder verzekering, dat elke helft de kracht van het geheel had, werd het vertrouwen nog grooter. Hadde hij het geheel afgestaan, dan zou zulks waarschijnlijk minder invloed hebben uitgeoefend. Nu keerde het gezantschap vol vertrouwen op den ten deele afgestanen schat, «dankbaar en voldaan", naar het eiland, vanwaar het gekomen was, weder.

Al moge de bedoeling van den geneesheer geen andere geweest zijn dan om den inlanders, die van verre tot hem gekomen waren, genoegen te doen, schijnt zijne handeling toch uit een oogpunt van zedelijkheid en ter liefde der waarheid te moeten worden gewraakt, en dit wel te meer, naar mate de rampen, die ook op geneeskundig gebied onkunde, Itchtgeloovigheid en bijgeloof te weeg brengen, te beter worden gekend. Wij kunnen daarom geenszins instemmen met hetgeen de verslaggever, tot vergoelijking van dit wetenschappelijk bedrog en dit voedsel geven aan in hunne gevolgen zeer gevaarlijke volksvooroordeelen en dwalingen, aacvoert.

«Menigeen" zoo schrijft hij, »zal deze goedaardige ïcharlatanerie" misschien veroordeelen, doch hij, die den Inlander, vooral den eenigszins ver van de groote plaatsen verwijderd levende, kent, zal deze wijze van het geven van hygiënische voorschriften niet alleen billijken, doch ook aanraden".

Ergerlijk vooral is het en Godonteerend, het gezag en voorbeeld van den Heere Jezus Christus door hem te zien ingeroepen, om hetgeen door hem-zelven met den naam van »kwatealverij" bestempeld wordt, te verdedigen. «Hebben" — aldus luidt zijne vraag — »hebben Susrutas, Moses, Job, Ciiristus, Mohammed, de Chineesche Keizer Hoarn Ti (2867 V. Chr.) en nog veel vroeger de Egyptische Thot (Herpus), zóo ook de Indische Brahma-, Indra-, Vischnu-en Bouddha-6i\'imX& n. de meest rationee hygiënische voorschriften niet gehuld in de verplichte formaliteiten en riten van het Opperwezen ? "

Het feit, dat de verslaggever hier niet schroomt, den Heere en Zaligmaker in éénen adem te noemen en gelijk te stellen met Perzische, Chineesche, Egyptische en Indische grootheden en afgoden, en Hem te verdenken, van tot aanprijzing zijner leer van kunstmiddelen en onware voorstellingen te hebben gebruik gemaakt, bewijst, hoe ver reeds in onze eeuw de Nederlandsche geneesheeren zijn afgedwaald, en welke verwoestingen eene wetenschap, die zich boven Gods Woord verheven acht, voor het Christelijk geloof aanricht.

Zijn er onder onze lezers enkelen, die nog met de richting van het hooger onderwijs aan's Rijks Hoogescholen zijn ingenomen, en uit dien hoofde de stichting der Vrije Universiteit voor hooger onderwijs op gereformeerden grondslag als ijdel en doelloos veroordeelen, de lezing van het bovenstaande moet, dunkt ons, genoeg zijn, om het hun voortaan ten plicht te maken van te erkennen, dat die inrichting eene dringende behoefte is van onzen zich meer en meer van God en Christus afkeerenden tijd; van haar te begroeten als eene Jf^/rfaarf voor het Nederlandsche volk, en daarom ook met ons den wensch uit te . spreken, dat het haar weldra door de toenemende belangstelling van alle Christenen in Nederland mogelijk zal worden de nog geheel ontbrekende faculteiten, voor de genees-en do natuurkundige wetenschappen bij haar onderwijs op te nemen.

Het nauw verband van stof en geest, van Uchaam en ziel, verheft het boven allen twijfel, dat slechts die geneeskunde aan hare hooge roeping beantwoorden en der menschheid tot zegen worden kan, welke haar licht zoekt in de gehoorzaamheid aan Gods eeuwig en heilig Woord en aan de voeten van het kruis, waar Gods genade de zonde der wereld, die de oorzaak is van al hare stoornissen, ziekten, kwalen en ellenden, voor eeuwig heeft willen uitwisschen,

Hoe groot ook de vorderingen der wetenschap wezen mogen, het is nog geenen genees-of natuurkundige gelukt, de kracht, waardoor-alles is, zich beweegt en leeft, te verklaren, veel minder het leven zelf voort te brengen. Dat veelzijdige, maar toch ook begrensde en aan den dood onderworpene leven in ons en om ons openbaart eene Oorzaak, een Verstand, eene Werkzaamheid en eene Macht boven ons en buiten ons, bij welke de mensch, die poogt, zich daarvan een begrip te vormen, zijne nietigheid gevoelt, en wier Ondoorgrondelijkheid en Oneindigheid hem tot stille aanbidding en bewondermg stemmen moeten. Meer wellicht dan ieder ander is de genees-en de natuurkundige, door de waarneming van den kunstigen bouw van het menschelijke lichaam, door de ontleding en opmerking zijner duizenden, allen met elkander samen­ hangende, verband houdende en op elkander invloed uitoefenende deelen, cellen. Weefsels en zenuwen; door de naspormg van alles in de natuur, waarover, in hare oneindige verscheidenheid en telkens aan het licht tredende verborgene eigenschappen, schoonheden, krachten en werkingen, de mensch, in weerwil van al zijne eigene kleinheid, onmacht . en broosheid toch als heer gesteld is; in de gelegenheid de wonderen te aanschouwen van de Wijsheid, het Verstand, de Almacht, en de Majesteit van, . Hem, door Wien dat alles is geschapen, voortgebracht, beheerscht en in stand en orde gehouden. Maar de beoefenaar der wetenschappen, die dan nog weigeren zoude voor zulk een Schepper neder te knielen, zich van Hem afhankelijk te erkeimen, en aan Hem over te geven, zich door zijn Licht te laten bestralen, zich uit het Woord, waarin Hij tot den mensch van zijse Heiligheid, Rechtvaardigheid, Goedheid, Barmhartigheid en Liefde gesproken heeft, te doen onderwijzen, en door dat Woord gebracht te worden tot het geloof in Hem, Die, afschijnsel van Gods Heerlijkheid en uitgedrukt beeld Zijner Zelfstandigheid, als Middelaar Gods en der menschen, Zich tevens geopenbaard heeft als de Weg, de Waarheid en ^< : ^ Leven, en Die door den Heiligen Geest, van Hem uitgegaan, steeds voortgaat zijne verlossende liefde en zijne herscheppende en herstellende kracht aan een in zonde en dood verzonken menschdom ten toon te spreiden en uit te gieten; zulk een beoefenaar der wetenschappen, al zoude hij wijs heeten onder menschen, is een dwaas in het oog van God, door hoogmoed en eigenwaan verblind, verduisterd van verstand, en verhard en bedorven van hart; en daarom verderfelijk voor menschen en verwerpelijk voor God.

Het zijn nochtans zulke dwazen, die de aan God en Christus vijandige wetenschap aan 's Rijks Hoogere, Middelbare en Lagere scholen meer en meer kweekt, en door wie het Vaderland ten verderve gevoerd wordt. Ruste des Heeren zegen op de Vrije Universiteit, die het gevaar daarvan aan het licht gebracht heeft, het gezag dier dwazen poogt te vernietigen, en zeer begeerig is hun getal te doen verminderen!

l Augustus N'. 1886.

Men heeft ons vaak uitgelachen toen we van wetenschap in anderen dan neutralen zin ook op geneeskundig gebied spraken.

Toch ziet men, hoe we steeds verder komen* De gedachte ontkiemt. Eens zal ze rijpen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 14 juni 1896

De Heraut | 4 Pagina's

Uit de Pers.

Bekijk de hele uitgave van zondag 14 juni 1896

De Heraut | 4 Pagina's