Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Verkiezing in het kerkelijke.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Verkiezing in het kerkelijke.

9 minuten leestijd

III.

Niet zonder eenige warmte kwamen we in ons vorig artikel tegen a Marcks en De Moors theorie op, alsof het in beginsel en oorspronkelijk aan de gemeente toekomend recht van beroeping en benoeming door stilzwijgende overdracht ware opgedragen aan den kerkeraad, en zelfs kon worden geacht, hier en daar over te zijn gedragen op den magistraat of op den heer der plaatselijke heerlijkheid.

We vonden dit, en we~ vinden dit nog, een der kerken onwaardige fictie, een spel met de gemeente gedreven, een vervalsching van het Gereformeerde kerkrecht.

Slechts dit gaven we toe, dat men in het laatst der zestiende en het begin der zeventiende eeuw tegen zijn wil dien weg werd opgedrongen door de omzetting van de Gereformeerde kerk ia een volkskerk, en dat niemand raag staande houden, dat hierbij pauselijke heerschzucht in het hart der opzieners voer.

Korhen we thaiis op het forineele recht, dan nemen we dit, gelijk het op de Dordsche Synode van 1618/19 tot zijn vast bestand kwam. Want wel kwam hetvolstfekt niet toen eerst in dien vorm op, en was veeleer reeds lang vóór Dordt in dien zin gedreven, maar voor ons, kinderen der negentiende eeuw, is het natuurlijk, dat we den definitieven vorm kiezen, waarin dat recht van Synodale zijde geformuleerd is.

In dien definitieven vorm onderwierp het zich aan de critiek der ervaring van eeuwen, en in dien defiaitieven vorm hebben ook wij er critiek op uit te oefenen krachtens de beginselen.

Het eerst nu komt hier in aanmerking de Verkiezing van predikanten, die geregeld is in Art. 4, dat aldus luidt:

De wettelijke beroeping dergenen, die te voren in den Dienst niet geweest zijn, zoowel in de Steden als ten platten Lande, bestaat: Ten eerste, in de Verkiezing^ dewelke na voorgaande vasten en bidden geschieden zal door den Kerkeraad en de Diakenen, en dat niet zonder voorweten of advies van de Classe, waar 't zelve tot nog toe gebruikelijk is geweest. Ten andere, in de Examinatie of onderzoeking beide der Leer en des Levens, dewelke staan zal bij de Classe, ten overstaan van de Gedeputeerden der Synode, of eenige derzelve. Ten derde, in de Approbatie en goedkenning van de lidmaten der Gereformeerde Gemeente van de plaats, wanneer de naam des Dienaars den tijd van veertien dagen in de Kerken verkondigd zijnde, geen hindernis daartegen komt. Ten laatste, in de openlijke Bevestiging voor de Gemeente, dewelke met behoorlijke stipulatiën en afvragingen, vermaningen en gebed en oplegging der handen van den Dienaar, die de bevestiging doet (of eenigen anderen, waar meer Dienaren zijn) toegaan zal, naar het Formiüier daarvan zijnde. Weiverstaande, dat de oplegging der handen zal mogen gedaan worden in de Classicale vergadering aan den nieuwen gepromoveerden Dienaar, die gezonden wordt in de Kerken onder het Kruis.

Dit voor wat de verkiezing van proponenten aangaat.

En bijna, maar toch niet geheel gelijkluidend, voor wat betreit de verkiezing van predikanten uit kerk naar kerk, bepaalt Art. 5 dit navolgende:

Nopens die Dienaars, die nu alréede in den Dienst des Woords zijnde tot eene andere Gemeente beroepen worden, zal desgelijks zoodanige beroeping geschieden, zoowel in de Steden als ten platten Lande, bij den Kerkeraad en de Diakenen met advies, of approbatie van de Classe; alwaar de voorzeide beroepenen vertoonen zullen goede Kerkelijke Attestatie van Leer en Leven; en der Gemeente den tijd van veertien dagen voorgesteld zijnde, als boven, zullen met voorgaande stipulatiën en gebeden bevestigd worden. Onverkort, in 't gene voren gezegd is, iemands deugdelijk recht van presentatie, of eenig ander recht, voor zooveel het stichtelijk kan worden gebruikt, zonder nadeel van Gods Kerk en goede Kerken-otde.,

In deze artikelen nu zit in:

I®. Dat in de steden en ten plattelande op eenerlei wijze zal worden te werk gegaan.

2°. Dat de verkiezing zal plaats hebben, geheel buiten de gemeente om, door den kerkeraad, _maar onder medewerking van de diakenen.

3". Dat niet de gemeente, maar wel de Christelijke Overheid ter plaatse, vooraf in de zaak zou gekend worden.

4°. Dat voorafgaand advies van de classis kan gevraagd, of kennis er van aan de classis kan gegeven worden.

5°. dat de examinatie van den beroepene zal staan bij de classis.

6". Dat de approbatie zal toekomen eerst aan de Overheid, en pas daarna aan de lidmaten der gemeente.

En 7". Dat de vraag, hoe bij bezwaar van de zijde der gemeente te handelen zij, niet op afzonderlijke wijze is geregeld, zoodat de beslissincr ten deze buiten de p-emeente moest omgaan.

Andere bijzonderheden uit Artikel 4 laten we rusten, als ons tegenwoordig onderwerp niet rakende.

In hoofdzaak heeft Artikel 5, handelende van de verkiezing van hem dié reeds predikant is, gelijke strekking, maar toch toont accurate lezing, dat in Art. 5 het recht der gemeente, althans wat de wijze van uitdrukking aaangaat, nogmaals verzwakt is.

Het verschil ligt hierin, dai in Art 4 aan de gemeente althans nog een recht van approbatie of «goedkeuring" wordt gelaten, en ds mogelijkheid wordt ondersteld, - idat er hittdernis daartegen komt, " terwijl in Art. 5 deze beide niet ongunstige momenten, zijn weggevallen.

In Art. 5 toch is wel sprake, evenals in Art. 4 van de approbatie van den magistraat, maar van de gemeente wordt hier het woord approbatie niet gebezigd, en alleen gezegd, dat »de beroepene der gemeente binnen den tijd van veertien dagen voorgesteld wordt".

Natuurlijk is dit niet bij vergissing, maar zeer opzettelijk aldus uitgedrukt; iets wat ook blijkt uit het weglaten van de zinsnede over de stusschenkcmende hindernis." Ook hiervan wordt in Art. 5 geen woord gerept. De voorstelling aan de gemeente is blijkbaar als een formaliteit opgevat, waar men niet buiten kon, maar die zoo weinig effect mogelijk moest hebben.

Nu ja, als er bezwaar inkwam, dan oordeelden kerkeraad en classis, en in den regel was het daarmee dan ook uit, en moest de tegenspraak vanzelf verstommen.

Deze geringschattende beschouwing van het recht der gemeente komt in Art. 5 zelfs nog sterker uit, als men let op het slot er van.

Daar toch heet het;

Onverkort, in 't gene voren gezegd is, iemands deugdelijk recht van presentatie, of eenig ander recht, voor zooveel het stichtelijk kan worden gebruikt, zonder nadeel van Gods Kerk en goede Kerken-orde.

Hier ligt in, dat een «deugdelijk recht van presentatie" als mogelijk wordt toegegeven, d. w. z. dat men aannam als in kerkelijke rechten rechtsgeldig de mogelijkheid, dat niet de gemeente, en ook niet de kerkeraad, maar een ambachtsheer, soms zelfs een ambachtsheer van niet Gereformeerde religie, het recht van presentatie zou hebben, of ook van collatie, approbatie, electie enz. En voorts dat diezelfde Dordsche Synode, die over liet deugdelijk, van Godswege aan de gemeente toekomend recht zoo jammerlijk heengleed, dit averechtsche recht, mits het maar J> deugdelijk" bleek en »stichtelijk kon gebruikt v/orden", »onverkort'' d. i. onaangetast liet, en de nadere regeling hiervan ook wel aan de provinciale Synode, maar toch allereerst aan de hooge Overheid overliet.

Dat de Dordsche Synode deze laatste clausule niet van harte opnam, maar haars ondanks opnemen moest, omdat de Overheid er op stond, betwisten we natuurlijk niet; maar toch zou de Synode o. i. in beter licht komen te staan, indien ze, waar deze clausule opgenomen moest worden, dan ten minste ook op energieke wijze gelijksoortige clausule had opgenomen ter verwering van het Goddelijk recht der gemeente.

Dit toch is het verschil.

Het recht der gemeente is haar van Godswege gegeven. Daarentegen de ambachtsheer enz. hadden hun gewaande rechten, in dagen toen de kerk haar eigen kerkrecht niet meer verstond, veroverd naar menschelijk recht.

En nu had het toch een Synode van Gereformeerde kerken meer betaamd, ernstig en op waardige wijze dat Goddelijk recht voor te staan, dan zoo angstvallig, tegen t dat Goddelijk recht in, h& tmenschelijpxt(^ der collatoren te erkennen.

We kunnen dan ook niet anders inzien, of in Art. 4, en vooral in Art. 5, is de Synode van Dordrecht ontzonken aan het hooger geestelijk peil, waarop ze in het onderzoek der Remonstranten stond, en die zelfde Souvereiniteit Gods die ze in de Canones tegen de Remonstranten zoo eerbiedv/aardig handhaafde, heeft ze in de Canones voor de kerkinrichting niet gemaintineerd.

Zelfs móeten we hierbij nog een stap verder gaan, en er met nadruk op wijzen, dat het verschil tusschen Art. 4 en Art. 5 niet ten gunste der daar verzamelde predikanten pleit, in zoover ze de verkiezing van reeds gevestigde predikanten iets harder aanschroefden dan die van proponenten. Immers daar het voornamelijk predikanten waren, die op de Synode den toon aangaven, leidt dit tot het vermoeden, dat men niet zonder eenig opzet de beoordeeling van reeds gevestigde predikanten door de gemeente nog iets losser heeft gemaakt dan die van proponenten.

De tictie was dan, dat uit de gemeenteleden hoogstens tien, twaalf klagers opkv.'a-nen, en dat al de overigen dan geacht werden de keuze te hebben goedgekeurd. Een fictie ook op politiek gebied ten v id onzent in de dagen van 1813/15 aangev/end, maar die van achteren steeds als een onwaardig kunstmiddel is afgekeurd.

Vooreerst toch is het heel' iets anders, of ge de gemeente voor een gedane keuze plaatst, of wel de gemeente vooraf laat spreken.

Is die keuze eenmaal gedaan, dan weet men vooraf, dat. klagen toch niet meer helpt, en blijft juist deswege een ieder thuis.

En ten tweede, klacht tegen een gedane keuze is heel iets anders dan kiezen.

Die klacht toch kon alleen gaan tegen leven of leer.. En is het nu dat tegen de leer en het leven van den beroepene niets is in te brengen, dan is alle oordeel der gemeente bot geslagen.

Keuze toch wil volstrekt niet alleen zeg gen, beoordeelen of iemand zuiver in de leer en onbesproken van leven is, maar keuze houdt in, dat de gemeente uit honderden predikanten, die allen van leven en leer goed zijn, den man kan kiezen die haar aanstaat, en dien zij, om zijn talenten en gaven, of om andere reden begeert.

En geheel dat recht van kiezen nu is door Art. 4 en 5, voorafgaand en navolgend, volstrekt aan de gemeente ontnomen, en zij erlangt geen ander recht, dan zeker recht van censuur, waarbij dan nogmaals het recht van beslissing niet aan |iaar staat, maar aan het kerkelijk bestuur dat de keuze deed.

Keuze door den kerkeraad zou slechts een voorlocpig karakter dragen, indien daarna de gemeente opgeroepen werd, om te stemmen, of zij met die keuze meeging. Het zou dan zijn een keuze op voordracht.

Maar gelijk Art. 4 en Art. 5 het werk der beroeping geregeld hebben, is feitelijk het van Godswege aan de gemeente toekomend recht van aanwijzing van de personen voor het ambt, geheel vernietigd, en de schaduw die er van overbleef heeft meer van hoonenden spot dan van erkenning van rechten.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 4 april 1897

De Heraut | 4 Pagina's

Verkiezing in het kerkelijke.

Bekijk de hele uitgave van zondag 4 april 1897

De Heraut | 4 Pagina's