Eeredienst.
V.
Godsdienstoefening bedoelt niet iemand hl . deti godsdienst te oefenen, maar duidt aan dat de verzamelde gemeente haar godsdienst uitoefent.
Voor deze gewichtige stelling vragen we de volle aandacht, die ze verdient, omdat zoovelen er geheel aan ontwend zijn.
Nog altoos toch waant meer dan één, dat het eigenlijke doel van het kerkhouden is, aan een opgekomen gehoor den Bijbel uit te leggen, en naar aanleiding van dat gesprokene de hoorders te vermanen of te vertroosten.
Wat onderscheid er bestaat tusschen een Bijbellezing, een Bijbelbespreking enz., en een .Godsdienstoefening verstaan dezulken dan ook ganschelijk niet; en in zijn verlegenheid waant men dan allicht, dat het reeds een Godsdienstoefening is, als de predikant één of twee verzen, en een Bijbellezing, als hij een heel kapitel bespreekt.
Zelfs het onderscheid tusschen een catechisatie en predikatie raakt op die wijze zoek; en het eenig onderscheid dat tusschen die beide nog gevoeld wordt, is dat men op de catechisatie vraagt en antwoorden inwacht, terwijl bij de predikatie de predikant alleen het woord heeft.
Doch ook dat onderscheid houdt geen steek, want op de lidmaten-catechisatie is de voorganger niet zelden gewoon, alleen het woord te voeren. Op gevorderden leeftijd is men liefst niet ondervraagd Lidtnaten-catechisaties waar men de lidmaten nog telkens in verhoor nam, liepen vaak leeg.
En neemt men nu zulk een Lidmatencatechisatie, dan komt het er toch feitelijk op neer, dat men ook daar bidt, ook daar zingt, ook daar den Bijbel uitlegt, en ook daar een woord van vermaan spreekt.
Alleen is de kring meest kleiner, de vorm van het spreken minder plechtig, en vergadert men in den regel niet in het kerkgebouw.
En neemt men de dusgenoemde Oefening, dan was deze oorspronkelijk zeker verre van de predikatie afwijkend, maar ook zij is ten slotte bijna geheel hetzelfde geworden, als wat voor velen een predikatie is.
Oorspronkelijk bedoelde men met die oefeningen of gezelschappen, onderlinge bijeenkomsten van enkele meer gevorderde Christenen, die door onderlinge saamspre-Idng, en door mededeelingen uit hun geestelijk leven, onderlinge stichting wilden bevorderen.
Soms was er dan één die bijzondere gaven had om indrukwekkend en op aangrijpende wijze een woord tot stichting te kunnen spreken. Van lieverlee hield dan die oefenaar alleen het woord. Zoo breidde de kring zich uit. Meerderen kwamen toeloopen. En ten slotte zag niemand er meer verschil in, of er een predikant op den kansel stond, of een oefenaar voor het voorlezersbankje.
Eindelijk liet men den oefenaar dan ook maar op den kansel klimmen. En dan bad men, en zong men, en hoorde men. En leek het in alles op een gewone godsdienstoefening als de eene droppel water op den anderen.
Zoo verflauwden alle grenzen. Catechisatie, Oefening, Predikatie, het liep alles ineen. En vandaar kwam het dat zoo vaak zulk een oefenaar, die een sterken aanhang had, tot het volk zei: »Laat ons zelf een kerk zetten; maak mij dominee, en word een aparte gemeente!"
En op dit geheel verloopen standpunt was hier ook feitelijk niets tegen te zeggen. Ziet men in een godsdienstoefening niets anders dan een opgekomen schare, met een voorganger die een stuk uit den Bijbel bespreekt, en met de opgekomenen bidt en zingt, waarom zou die oefenaar dan niet evengoed als een Dienaar des Woords zijn ? Waarom kon hij voor dat doel niet soms beter wezen? En zijn er niet voorbeelden te over, dat men onder het spreken van den dienaar des Woords dof en dor bleef, en onder de toespraak van e^n oefenaar trilde en tintelde van inwendige geestelijke beweging?
Juist daarom nu leggen we zóó den vollen nadruk op de stelling, dat godsdienstoefening niet een oefening IN godsdienst is, maar uitoefening VAN godsdienst.
Niet natuurlijk alsof de uitoefening van den godsdienst uitsluitend in het kerkgaan bestond. Veeleer moet uitoefening van godsienst de ééne, groote, koninklijke daad van eheel ons leven zijn, in alle onze geachten, woorden en werken. De mensch ltoos priester Gods, geroepen om zijn heiigheden te bedienen.
Maar al is het, dat ge in uw gezin van en vroegen morgen tot den laten avond uw od hebt te dienen, en alzoo rusteloos Godes ienst hebt uit te oefenen, toch voelt ge
zeer wel, dat de uitoefening van den godsdienst in uw huis een heel ander en meer eigenlijk karakter erlangt, als ge, met uw huisgenooten om het Woord verzameld, u saam vereenigt in Godes lofzegging en aanbidding.
En zoo nu ook moeten wel alle leden der gemeente, elk voor zich' in hun goddelijk beroep Godes dienst uitrichten, maar komt toch de dienst Godes van de zijde der gemeente eerst dan tot voUe uiting, als de geheele gemeente saamvergadert, met het opzettelijk doel, om Gode eere, lof en aanbidding toe te brengen.
Er is namelijk middellijke en onmiddellijke uitoefening van godsdienst.
Een middellijke uitoefening door middel van uw wandel en levensgedrag door de uiting van uw woord, en door de stemming uwer ziel in het gewone leven. Maar ook een onmiddellijke als ge, het gewone leven een oogenblik tot stilstand brengt, en nu opzettelijk, regelrecht, en rechtstreeks u tot den almachtigen God zelven wendt, om Hem het offer van uw lof en liefde óp te dragen.
En tot die onmiddellijke, die rechtstreeksche uitoefening van Godes dienst komt het nu voor heel de gemeente alleen ia die oogenblikken, als ze saamvergaderd is, om haar God te ontmoeten, en Hem eere te geven.
Er wordt Gode dan toegebracht een offerande, of wat de profeet noemt, Hem worden opgedragen: de varren der lippen.
Juist dit echter was oorzaak, dat bij de publieke, onmiddellijke uitoefening van den dienst Gods in de gemeente, van oudsher het altaar zulk een voorname plaats innam. Zoo zelfs, dat om en bij het altaar de geheele Liturgische dienst zich ontwikkeld heeft. Meer nog, dat, met uitzondering van de Gereformeerde kerk, nog altoos alle Christelijke kerken een allaar in het kerkgebouw plaatsen, en dat altaar beschouwen als het middelpunt waarom de geheele dienst zich te schikken heeft.
Zoo is het in alle Roomsche kerken, zoo is het in alle Grieksche, in alle Armenische en Koptische kerken, en zelfs de Luthersche en Anglikaansch bisschoppelijke kerken, hebbeu nog alle dat altaar bijgehouden. Zelfs kan men zeggen, dat de beteekenis van het altaar, in de Luthersche en in de Engelsch-bisschoppelijke kerken, in den loop dezer eeuw, eer toenam, dan verminderde.
En al moge men ook in streng Gereformeerde kerken buitenaf de Avondmaalstafel in een soort koor zetten, en bij die Avondmaalstafel de leden der gemeente laten knielen, in plaats van aanzitten, toch heffen deze insluipsels het feit niet op, dat in de Gereformeerde kerken het eigenlijke altaar van meet af weggenomen is, en men niet om bijredeneu, maar uit beginsel zich tegen het in stand houden van zulk een altaar heeft verzet.
Dit nu zoo zijnde, gevoelt men, hoezeer geheel onze Liturgische dienst door deze afwezigheid van het altaar beheerscht wordt. Reden waarom het noodzakelijk is, ons goed en deugdelijk recht ten deze tegenover de andere Christelijke kerken te verdedigen.
Die andere Christelijke kerken vinden natuurlijk haar aanbeveling voor haar aau' houden van een altaar in hetgeen ons omtrent den publieken eeredieust bericht wordt uit de dagen des Ouden Testaments.
Niet pas in Tabernakel en Tempel, maar reeds in en vóór de dagen der patriarchen lezen we in het Oude Testament gedurig, dat er een altaar werd opgericht, en dat op zulk een altaar Gode een offerande werd opgedragen.
Dit altaar was óf opgericht voor een enkele gelegenheid, óf wel besteld voor duurzaam gebruik. Maar zoo dikwijls er sprake is van openlijke Godsvereering, vinden we toch allerwegen steeds het altaar, als middelpunt van den heiligen Dienst.
Steeds vindt ge evenzoo in de groote of kleine kapellen of pagoden of tempels der Heidenen, met of zonder afgodsbeeld, een altaar waarop geofferd moet worden. Eu dat altaar is bij dezen heidenschen eeredienst vaak zoo het één en al, dat het altaar soms bijna heel het kleine tempeltje inneemt, en het volk nooit in den tempel komt, maar buiten den tempel en vóór het altaar staan blijft.
Dat nu dit heidensche gebruik op zichzelf niet afgodisch is, maar uit het wezen zelf der religie opkwam, toont de door God zelf bestelde eeredienst voor Tabernakel en Tempel.
Hier toch hebben we te doen, niet met menschelijke verzinning, maar met goddelijke ordinantie.
Het is God zelf, die aan Mozes bevolen heeft, aldus zijn heiligdom in te richten, en ook zelf het altaar in zijn Tabernakel besteld heeft.
En waar nu alle traditie uit het Paradijs, die nog naleeft bij de Heidensche natiën, en alle verhaal van de patriarchen, en evenzoo de van God bestelde eeredienst voor Tarbenakel en Tempel, niet maar een altaar kent, maar in dat altaar het middelpunt van allen eeredienst bestelt, daar is het toch volkomen begrijpelijk, dat de Christelijke kerken, die van gevoelen ten opzichte van het altaargebruik van ons verschillen, achten zeer sterk tegen ons te staan, en zich met beroep op Gods Woord tegenover ons te kunnen verdedigen.
Hooreude van onze altaar-loosheid gevoelen ze zich dan ook in het minst niet in de consciëntie geraakt, maar zien veeleer medelijdend op ons neder, en betreuren in ons een afwijking van het Heilige, die ons al den troost van het altaargeheimenis rooit.
Voor ons Gererformeerden is het alzoo niet genoeg, dat wij op onze beurt glimlachen over de taaiheid, waarmee andere kerken nog altoos aan het gebruik van een altaar blijven vasthouden; maar we behooren onzerzijds ook dat vraagstuk helder in te denken, ons rekenschap van ons doen en latente geven, en in staat te zijn, met Gods Woord in de hand, de door ons gevolgde gedragslijn te verdedigen.
Onze positie ten deze toch is een zeer geïsoleerde.
Van de 1400 millioen zielen die op deze aarde wonen, en onder allerlei vorm openbaren Godsdienst of afgodendienst uitoefenen, staan ten deze alle Heidenen, alle Roomschen, alle Griekschen, alle Lutherschen, alle Episkopalen tegenover ons, en wij Gereformeerden staan met een betrekkelijk kleine groep van hoogstens tachtig millioen op ons zelven.
We willen daarom in ons volgend artikel dit vraagstuk nader onder de oogen zien, en hiermede het uitgangspunt vastzetten voor elke principieele beschouwing van de Gereformeerde Liturgie.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 4 juli 1897
De Heraut | 4 Pagina's