Eindelijk verschenen.
Het meermalen door ons aangekondigde werk van wijlen den Doctorandus < i. Kramer, is dan nu eindelijk verschenen, onder den titel: Het verband van Doop en Wedergeboorte, nagelaten Dogmenhistorische studie van G. KRAMER, Doctorandus in de Godgeleerdheid aan de Vrije Universiteit, met een inleidend woord van Dr. A. Kuyper. — Breukelen. Uitgeversmaatschappij de Vecht. Dir. A. G. D. Gerritsen. i897.
Voorshands meenden we niet beter te kunnen doen, dan het inleidend woord van Dr Kuyper aan onze lezers voor te leggen, overmits de samenstelling en de strekking van dit werk er volledig uit gekend wordt:
Moeilijk zou ik in woorden kunnen uitspreken, wat smartelijke aandoening mijn hart overmeestert, nu ik, ter inleiding op de degelijke studie van mijn ontslapen leerling, dit korte woord schrijven wil.
Gelijk het gewoonlijk gaat, was ik eerst als promotor met hem in nauwere betrekking gekomen, en bij die veelvuldiger ontmoeting had ik dagelijks meer zijn uitnemenden aanleg, zijn ernstige opvatting, zijn geestdrift voor de belijdenis der waarheid, en zijn moed van onderzoek, leeren waardeeren. Meer nog, ik had hem lief gekregen; er had zich een verkwikkende sympathie des geestes tusschen hem en mij ontwikkeld; en met blijde hope voor de toekomst mocht ik ontwaren, hoe reeds onder het schrijven dezer dissertatie zich allerlei nieuw plan voor verdere studie bij hem ontwikkelde. Zelfs kwam nu en dan het denkbeeld bij mij op, of hij misschien in later jaren door God bestemd mocht zijn, om in onze faculteit de leiding van anderer studie op zich te nemen.
En al die schoone hope is toen zoo plotseling, zoo schreiend droef ondergegaan.
Hij vergde op het laatst te veel van zijn niet oyergroote kracht. Hij wilde de kerk van Monster, die hem beroepen had, in de rijke dagen van hl Kerstfeest en van de wisseling des j aars niet zonder geregelden dienst laten. En door dit plichtbesef gedrongen heeft hij toen op het laatst zich overwerkt om in tijds gereed te komen. Ik waarschuwde hem nog herhaaldelijk. Maar met jeugdigen moed meende hij, dat het wel gaan zou. En zoo heeft hij doorgewerkt, tot in zijn bruidsdagen, tot vlak voor den dag, die hem in het huwelijk verbond met de vrouwe zijner keuze; en toen eindelijk het laatste stuk zijner dissertatie was afgeschreven, verliet hij Amsterdam met de blijde hope dat hij, na zijn gemeente door de eerste drukke dagen te hebben heengeholpen, eerlang herwaarts zou kunnen terugkeeren, om te staan naar den zoo wel verdienden doctorstitel.
Helaas, het heeft niet zoo mogen zijn. Hij heeft Amsterdam niet weergezien.
En toen hij, na feilen aanval van een kortstondige ziekte, aan zijn pas gehuwde vrouw, aan zijn gemeente en aan zijn familie en vrienden ontvallen was, bleef als aandoenlijk erfstuk in zijn boedel de nog niet geheel afgedrukte dissertatie achter, die eerst nu ze verschijnt, het duidelijk zal maken, wat verlies ook de theologische wetenschap in het zoo vroeg wegsterven van dezen jeugdigen geleerde geleden heeft.
Gelukkig was, op de inleiding na, zijn dissertatie geheel in schrift gereed, zoodat aan de piëteit voor den doode bij de uitgave van dit geschrift in geen enkel opzicht behoefde te worden te kort gedaan.
Op enkele vellen na had hij het geheele werk nog zelf in drukproef nagezien, en was dus zelfs de correctie van zijn hand. Alleen voor de laatste vellen gaf ik, op verzoek van zijn weduwe, mijnerzijds de imprimatuur, zonder mij eenige andere correctie te veroorloven, dan die tot verbetering van zin-of schrijffouten noodzakelijk was. Zelfs waar de zinsbouw misschien door hem zelf verduidelijkt zou zijn geworden, liet ik het staan gelijk hij het schreef, opdat zelfs het vermoeden niet zou opkomen, "als had ik in het werk van mijn voortreffelijken leerling mijn gedachten ingeweven.
De stadie was van zijn hand, en moest, zoo scheen mij, in alles zijn studie blijven.
Dat hierdoor de laatste vellen iets achterstaan bij de reeds, toen hij stierf, afgedrukte vellen, is hier een niette vermijden gevolg van. Zoolang hij zelf corrigeerde, verbeterde hij, ook op mijn raad, veel meer dan ik doen mocht. Hij zelf zou ongetwijfeld dezelfde methode van correctie ook op de laatste vellen hebben toegepast. Maar mij stond dit niet vrij.
Wat ik zoo straks de piëteit voor den doode noemde, verbood mij dit.
Het is ook daarom, dat ik zelfs niet de poging waag, om de inleiding, die hij nog schrijven moest, in zijn plaats te schrijven.
Alleen wil ik het gemis aan een eigenlijke inleiding trachten te vergoeden, door kortelijk het pUn van het geheele werk te schetsen, zooals we dit samen zoo dikwijls besproken hebben. s
De s.icramentsquaestie was ook nu weer in den boezem der Gereformeerde kerken hier te lande op den voorgrond getreden, en had allengs vasleren vorm aangenomen in de tegenstelling van tweeërlei overtuiging in zake den kinderdoop. In verreweg den breedsten kring bracht men den kinderdoop schier uitsluitend in verband met zekere, niet nader gedefinieerde Verbondsheiligheid; maar in kleiner kring won allengs de overtuiging veld, dat men bij deze uitwendige z w v k o o opvatting niet wel kon blijven staan, zonder het mysterie in het Sacrament gevaar te doen loopen.
Daarbij nu werd over en weer de bewering vernomen, dat de Gereformeerde belijdenis bezegelde wat men zelf beleed, en uitsloot wat men achtte te moeten bestrijden.
Die bewering werd dan beiderzijds gestaafd door accidenteel beroep op deze of gene uitspraak van Gereformeerde theologen, of ook wel van de Formulieren van Eenigheid. Doch hoe goed bedoeld ook, kon zulk los en onsaamhangend beroep tot geen beslissing leiden. Zulk beroep eischte een geregeld historisch onderzoek; dit historisch onderzoek moest naar vaste methode worden ingesteld; en eerst het resultaat van zoodanige wetenschappelijke studie kon zekerheid verschaffen omtrent den zin en de beteekenis, die aan de uitdrukkingen in onze Formulieren van Eenigheid te hechten is.
Het is dit onderzoek nu, waaraan deze studie gewijd is.
Daartoe moest eerst de vraag gesteld, wat de Christelijke kerk, onder hare Roomsche formatie, in de dagen toen de Reformatie opkwam, omtrent den kinderdoop geleerd had. De Reformatie toch is niet gaan bouwen op leegstaand erf, maar stond tegenover een historisch geworden toestand. In de eerste plaats is daarom een poging gewaagd, om zoo nauwkeurig en helder mogelijk uiteen te zetten, wat destijds de Roomsche kerk omtrent het Sacrament in het gemeen, omtrent het Sacrament van den Doop in het bijzonder, en allerbij zonderst omtrent den Kinderdoop leeraarde.
Eerst toen dat vaststond, kon worden nagegaan, in hoeverre de beginselen der Reformatie zich met deze Roomsche leer omtrent den kinderdoop al dan niet rijmen lieten. Het behoorde duidelijk te worden aangetoond, dat de wijzigingen door de Reformatie in het dogma omtrent den kinderdoop aangebracht, niet vrucht waren van gril of inval, maar noodwendig geëischt werden door de critiek, die de beginselen der Reformatie op het Roomsche dogma moesten uitoefenen.
Nadat aldus de incompatibiliteit van de beginselen der Reformatie met de destijds heerscliende begrippen omtrent den kinderdoop in het licht was gesteld, rees nu in de derde plaats de vraag, op welke onderscheidene wijzen de onderscheidene geestelijke stroomingen, die in de Reformatie onmiskenbaar zijn, deze incompatibiliteit te boven trachtten te komen.
Luther was hierbij het eerst aan het woord. Na hem de Wederdoopers. En eerst in de derde plaats de Gereformeerden.
Juist om het Gereformeerde dogma te verstaan, moest deswege eerst het Luthersche en het Doopersche dogma worden toegelicht, overmits de overtuiging der Gereformeerden zich wel in tegenstelling met het Roomsche dogma, maar toch tevens met zijdelingschen terugslag op de Luthersche en Doopsche zienswijze gevormd heeft. Wie daar niet op lette, zou de termen en de strekking van het Gereformeerde dogma eenvoudig niet kunnen verstaan.
Alsnu overgaande tot de uiteenzetting van het Gereformeerde dogma zelf, heeft onze ontslapen vriend allereerst de kracht van zijn onderzoek geconcentreerd op Calvijn. Wat vóór, nevens of na Calvijn in de Gereformeerde kringen over het dogma van den H. Doop gedacht is, ontving ten slotte zijn stempel. Maar juist deswege moest op de ontwikkeling van Calvijn's denkbeelden over den Doop bijzondere vlijt aangewend. Voor wat toch dit dogma aangaat, was Calvijn allerminst van meet af met zijn denkwijze gereed, en eerst onder de latere antithese met de Dooperschen en Lutherschen is zijn formuleering volledig tot stand gekomen.
Toen nu langs dien weg zekerheid was verkregen omtrent Calvijns ontwikkeling op dit punt, en omtrent het eindresultaat waarbij hij was uitgekomen, moest de niet minder omslachtige taak ondernomen, om de gevoelens der overige Gereformeerde Reformatoren en dogmatici bijeen te verzamelen, om te doen zien, hoe het metterdaad Calvijns gevoelen is, dat ten slotte over alle afwijking triumfeert, en het scherpst en zuiverst het algemeen Gereformeerd gevoelen blijkt uit te drukken.
Slechts in één opzicht onderging het Gereformeerde dogma omtrent den kinderdoop ook na Calvijn nog verdere ontwikkeling, en zulks wel in den naderenden strijd met de Wederdoopers hier te lande. De schrijver heeft zich daarom in het laatste gedeelte van zijn studie geheel op Nederlandsch erf teruggetrokken, en op het nauwkeurigst onderzocht, welk proces het dogma van den kinderdoop hier te lande in dien tweeden Anabaptistischen strijd doorloopen heeft, en hoe eerst daaruit de volledige en afgewerkte formuleering is voortgekomen, waarin het dogma door onze beste dogmatici en polemisten gegoten werd, om ten slotte door de Kerken te worden geijkt.
In die zuiverheid hield het dogma echter geen stand. Doops-en kerkbeschouwing kunnen niet anders dan hand in hand gaan, en toen derhalve, onder den invloed der politieke gebeurtenissen, de Gereformeerde kerken hier te lande almeer in de on-Gereformeerde volkskerk opgingen, kon het niet uitblijven, of een bij de volkskerk passende Doopsbeschouwing moest zich in de plaats van het Gereformeerde dogma over den Doop dringen. Dit is dan ook geschied; en dit uiteengaan van de kerkelijke opinie op dit stuk in twee duidelijk te onderscheiden stroomingen, vormt het onderwerp van een zeer nauwkeurig onderzoek door den schrijver ingesteld, zoo wat de oorzaak en aanleiding tot verschil, als wat het proces er van in onze kerkelijke historie aanbelangt.
Die beide stroomingen vervolgt hij dan tot in het begin van deze eeuw, tot hij ten leste aantoont hoe de oorspronkelijke Gereformeerde stroom in het eind geheel droog liep, om de later ingekomen voorstelling zoo goed als tot de algemecne voorstelling in de kerken te stempelen.
De reactie hiertegen van het oorspronkelijk Gereformeerde dogma dagteekende uit te laten tijd, om door hem in zijn onderzoek te worden opgenomen ; en ook oordeelde hij, dat het minder kiesch zou geweest zijn, indien hij, als student reeds, zich in deze nog niet uitgestreden kerkelijke geschillen gemengd had.
Overmoediger natuur zou zich misschien hebben laten verleiden, om juist door een stuk uit deze ïhistoire contemporaine" zijn studie interessanter te maken; Kramer, van degelijker en daarom te bescheidener karakter, zag in, dat ernstige waardeering van een wetenschappelijke stadie alleen te koop is tot den prijs van erntig onderzoek.
Dien prijs heeft hij dan ook betaald, en de belangstelling der Godgeleerden en der Kerken al aan zijn studie niet onthouden worden.
Hoe kort hij dan ook onder ons geleefd heeft, ie zulk een werk mag achterlaten, heeft niet oor niet geleefd. d g d a l
Het is een studie, die licht op het pad der erken spreidt, en die aan de jongeren onder ns ten model moge strekken, op wat wijs, wie ver zoo omvattende historische onderwerpen d G d mee wil spreken, zich het recht tot dat meespreken te verwerven heeft.
Slechts zij hieraan toegevoegd, wat voor mannen van wetenschap niet hoefde, maar voor de lezers van de Heraut niet overtollig is te achten, namelijk, dat in dit werk het geding niet uit den Woorde Gods wordt toegelicht.
Dan toch zou het een uitlegkundig-dogmatische studie moeten zijn; en dat is het niet.
Het is een zuiver dogmen-historische studie, d. i. het geeft niets dan een onderzoek naar de historie die het dogma van den Kinderdoop ten deze doorloopen heeft.
Dit volledig. Maar ook dit uitsluitend.
Dat het uitlegkuadig onderzoek achterwege bleef, is alzoo geen leemte, maar volgt rechtstreeks uit het plan en uit het bestek van heel het werk.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 4 juli 1897
De Heraut | 4 Pagina's