Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Uit de Pers.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de Pers.

9 minuten leestijd

Dr. Littooy vraagt in de Zuider Kerkbode dat we het volgende stuk ook aan onze lezers zouden voorleggen.

Door mij kan na lezing en herlezing van het stuk in de Heraut van verledene week, niet worden ingezien, dat er tusschen den hooggeachten Redacteur van dit blad en mij verschil is in betrekkhig tot de wedergeboorte èn in verband hiermede met de prediking des Woords; mitsdien zie ik in noch geloof ik, dat ik »eene schrede tertig''' ging in het tweede artikel door mij hierover geschreven.

Er zou verschil zijn, indien Dr. Kuyper in zijne aanmerkingen op mijn schrijven, de stelling had uitgesproken: dat ook buiten het Verbond en de bediening des Woords om, dus in de totaal van God vervreemde heidenwereld, de genade der .wedergeboorte wordt verheerlijkt.

Zooals wij weten is dit in de laatste jaren in één of meer onzer Gereformeerde Kerken uitgesproken. (Maar niet bewezen.)

Daartegen ben ik, zooals een ieder nog zien kan, in mijn eerste stuk opgekomen; ja daar heb ik tegenover geplaatst de wedergeboorte onder »en in zoover^'' door en krachtens het verbond, de beloften en de bediening des Woords. Dat heb ik toen nader verklaard en doen uitkomen, dat God in dien weg en door die middelen de wedergeboorte, als begin des nieuwen levens, door Zijn scheppend Woord, onmiddellijk schenkt.

Voorts is door mij gezegd: e Heere doet het, naar luid der Schriften, door Paulus, die zegt: Zè heb u door het Evangelie geteeld'"'; en ook, onder en door de prediking des Woords, volgens Jac. I : 18 en I Petr, 1 : 23; maar zoomin als Mozes zelf de wonderen verrichtte, Paulus de wedergeborenen teelde, wederbaart het Woord, veel minder de prediking des Woords de menschen; dat doet God en God alleen, en niet instrumenteel . .. door het Verbond, de belofte, het Woord en deszelts bediening, maar onmiddellijk; doch weer niet buiten het verbond en de bediening des Woords om.

Ook niet alleen vóór, onder »en in zoover" door den doop, maar ook op rijper leeftijd, op verschillende, plaatsen, maar vooral onder »«« in zoover" (gelijk ik in mijn eerste stuk reeds zeide) door de bediening des Woords.

Er is m. i tweeërlei foutieve voorstelling geweest.

De ééne: dat God de Heere ook buiten de bediening van het Verbond en de prediking des Evangelies om, in de Heidenwereld dus, menschen het beginsel des nieuwen levens schenkt; en de andere: dat de wedergeboorte altijd door het Woord, mitsdien middellijk ... en niet onmiddellijk plaats heeit.

Toen ik nog een jongen was, heb ik de vromen daarover in het ouderlijke huis al hooren spreken. Ze waren het daarbij eens, dat de wedergeboorte op verschillende leeftijd en op verschillende plaatsen ons kan worden geschonken. Ook wel in een herberg, zeiden ze.

Doch dan stelden zij zich dat verder zóó voor, dat er toch altijd een vroeger gehoord woord der Schrift was, waardoor God de Heere het wedergeboren leven in het hart deed gaan.

Ziedaar de middellijke wedergeboorte.

Sinds vele jaren was ik van het foutieve dezer voorstelling overtuigd. Maar evenzeer geloof ik dat ze plaats heeft onder en in zoover door de bediening van het Verbond en het Woord.

Wat nu I Petr. i : 23 aangaat vergist zich mijn hooggeschatte opponent, te eenen male, waar hij zegt, dat door mij deze schriftplaats •a> eenvoudig wordt opgevat, als ware het „OBVergankelSk Zaad" mets anders dan de gepredikte waarlieid".

Met geen enkel woord, Hooggel. Broeder! is door mij deze opvatting aangegeven of verdedigd. Toen ik dien tekst aanhaalde, en eene week vroeger op den kansel even besprak, stond het bij en voor mij reeds vast, dat het •»onvergankelijk zaad''' wel terdege moet onderscheiden worden van »de gepredikte waarheid".

Trouwens, gelijk gij zult gezien hebben, plaatste ik ter verdediging van mgn gevoelen, vóór ik van Uwe hooggewaardeerde critiek kennis kon hebben, de exegeze van Staring over dezen tekst in de Zuider-Kerkbode. In deze exegeze nu wordt het duidelijk gezegd, ook in die van Van Alphen — insgelijks afgedrukt — dat het y> onvergankeli}k zaad'' en i> }iet levende en eeuwig blijvende woord Gods" niet hetzelfde is, maar moet onderscheiden worden.

»De apostel wijst aan — het zaad waaruit, en het middel, - viTiZxdoor dat geschied was, " schrijft de een, en de ander zegt: »Dat het levend en eeuwig blijvend woord niet is aan te merken als het owwrgankelijk zaad, waaruit de mensch wordt wedergeboren, zooals het doorgaans door de uitleggers begrepen wordt. Maar als het middel yasaxdoor de mensch wordt wedergeboren."

Tegelijk liet ik de randteekenaren hooren, die hier zeggen: »Alzoo wordt het woord des Evangelies genoemd, omdat het met de onberouwelijke werking des Geestes gevoegd is."

Deze exegeten had ik nagezien vóór ik mijn tweede stuk schreef, ' dientengevolge schreef ik dan ook in mijn eerste artikel, dat ik hooggeachte schriftuitleggers citeeren zou.

Maar genoeg, dunkt mij, ter verzekering dat Gij U over mijne exegeze van i Petr. x : 23 vergist hebt.

Aangenaam zal het mij dan ook zijn, indien Gij ook dit schrijven onder de oogen uwer lezers wilt brengen.

Ik voeg er alleen bij: dat ik steeds geloofde, dat door ons, »naar het oordeel der lief de''' de Gemeente Gods als een geloovige en geheiligde in Christus Jezus moet worden aangezien.

Dat doet de Schrift zelve, en dat deden de Gereformeerde vaderen in symbool, in liturgisch geschrift en boekwerk.

Maar dat als regel de wedergeboorte vóór den doop plaats heeft en de kinderen dan dus wedergeboren zijn, en mitsdien, de wederbaring na den doop uitzondering is, heb ik uit de Heilige Schriften nog SvAe!!^bewezen gezien.

Als dit in en door het nagelaten geschrift van onzen, helaas, zoo vroeg ontslapen broeder Kramer geschiedt, zal hij mij reeds hierom, nog na zijn dood, aan zich verplichten.

Hiermede is aan het verzoek voldaan.

Toch is de zaak er nog niet mede tot klaarheid gebracht.

Als God het kindeke Johannes reeds in zijns moeders schoot wederbaart, doet het er niets af of toe, of dat kindeke geboren werd in een omgeving waar de Schriften des Ouden Verbonds bekend waren.

Stel Johannes was kort na zijn geboorte gestorven, zoo zou hij nooit iets van die Geschriften gezien, gehoord of gekend hebben.

Elke betrekking tusschen zijn nieuw ingeplant leven en die Schriften zou zijn uitgebleven. En toch zou hij zalig zijn geworden.

Alleen dit kan men zeggen, dat de verkiezing in den regel (niet altoos) verkorenen doet geboren worden in familiën en geslachten, die reeds verkorenen geleverd hadden.

Dit is de 'Verbondsgenade.

Maar niemand kan staande houden, of bewijzen, dat de verkiezing zich altoos aan de geslachten bindt.

Over Sadrach schrijft N. N. in de Utrechtsehe Kerkbode nog nader:

In den vorigen brief beloofde ik u meê te deelen, wat Sadrach na den dood van Mevr. Philips deed, om zich zijn zelfstandige positie te verzekeren. Ik herinner u eerst even, dat ik u vroeger iets schreef van de eigenaardige beschouwing, die in den laing van Toenggoel-Woeling heerschte. Die heden, schreef immers Hoezoo, stonden in geen enkele betrekkmg tot een Zendeling en waren prat den naam «Kristen djawa", de anderen die een op Zendeling volgden, «Kristen blanda" noemende.

Dat Sadrach die beschouwing deelde, zal u duidelijk blijken.

Twee maanden toch na het verscheiden van Mevrouw Philips riep Sadrach de Christenen saam in Karangdjosa en daar deelde hij toen al de vertegenwoordigers der gemeente meê, dat Mevrouw P. hem de zorg van de gemeente had overgegeven, dat hij derhalve thans was verheven tot aller hoofd en leidsman en gerechtigd was, nu zelf alle gemeentezaken te regelen. Hij maakte daarom aan allen bekend, dat hij mitsdien den naam Soerapranata had aangenomen. Dit was een handeling geheel overeenkomstig de Javaansche gewoonte. Als toch een Javaan tot hooger ambt of positie verheven wordt, neemt hij een nieuwen naam aan. Javaansche ambtenaren vragen dan aan het Gouvernement, om een, door hen opgegeven, nieuwen naam te mogen dragen, wat gewoonlijk wordt toegestaan. Nu is het zeer opmerkelijk, dat Sadrach dien naam Soerapranata aannam. Niet dat het zulk een buitengewone naam is, o neen, het is een naam, die door velen in Djocja en Solo gedragen wordt, en wel door den Soesoehoenan wordt gegeven aan iemand, dien hij tot djaksa (officier van justitie) benoemd. Want die naam Soerapranata beduidt: »iemand die gerechtigd is verordeningen te maken". Ik verzeker u, dat die naam i4ets meer beteekent, althans volstrekt niet beduidt: »Godheid die regelt". Trouwens dan zou de Soesoehoenan van Solo dien naam niet aan één van zijn dienaren schenken. Als gij dan ook nu nog vraagt aan Sadrach's volgelingen, die bij die feestelijke naamgeving in Karangdjosa tegenwoordig waren, wat de naam Soerapranata beduidt, dan geven ze de verklaring, dat Sadrach aan niemand meer ondergeschikt was, en nu gerechtigd, om zelf de zaken der gemeenten te regelen. Zie, in dien zin is de nieuwe naam van Sadrach verklaard aan alle afgevaardigden der gemeenten, die feestelijk zijn verheffing hebben gevierd en er daardoor hun goedkeuring aan hechtten. Uit dit alles zult gij zeker reeds verstaan hebben, dat Sadrach, die nooit in dienst van eenig Zendeling was geweest, er in 1876 allerminst aan dacht, om zich onder leiding van een Zendeling te stellen. En ook is het u thans wel duidelijk, naar ik vermoed, dat het evenmin in zijn plan lag, om zich tot de Gouvernementspredikanten te wenden. Sadrach wilde met de 2000 christenen op zich zelven blijven, zij wilde «kristen djawa" (Javaansche Christenen) zijn en geen «kristen blanda'' (HoUandsche Christenen). Ik bedoel daarmee niet, dat Sadrach Soerapranata afkeerig was van de Hollanders ot van de HoUandsche Christenen, maar alleen, dat hij en de zijnen hun eigen zaken wilden regelen. Ge zult zeggen: »nu daar steekt niets verkeerds in, wij Hollanders houden ook bijzonder van vrijheid, vooral als het religezaken geldt, " en ik stem u dit van harte toe.

Maar als gij eens in Indië geweest waart, mjn vriend, dan zoudt gij al lang begrepen hebben, dat toch zulk een gedachte bij «inlanders" door de «Europeanen" al heel spoedig wordt uitgekreten als verregaande vermetelheid en hoogmoed. De verdere geschiedenis van Sadrach zal u dan ook wel doen zien, dat zijn zucht naar zulk een zelfstandigheid en onafhankelijkheid hem nog al wat moeite heeft veroorzaakt. Doch ik wil het ditmaal hier bij laten en groet u van harte.

Dat is geheel ook in onzen geest. Er moet ook hier zoekende liefde werken.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 4 juli 1897

De Heraut | 4 Pagina's

Uit de Pers.

Bekijk de hele uitgave van zondag 4 juli 1897

De Heraut | 4 Pagina's