Vu cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Vu te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Vu.

Bekijk het origineel

„Druchten der bekeering waardig”.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

„Druchten der bekeering waardig”.

10 minuten leestijd

Brengt dan vrucliten voort der bekeering waardig. Luk. 3 : 8.

Alle edeler planting doelt op vrucht. Er is ook boomgewas, dat men plant voor den houtkap. Hagen worden ter afscheiding van akker en akker gestekt en gladgeschoren. Linden voor het huis plaatst men voor de schaduw. Het gras biedt in zijn sprieten voedsel aan ons vee. En zoo heerscht ook in de plantenwereld die rijke verscheidenheid, die al het Scheppbgswerk kenmerkt. De eentonigheid nooit, altoos de weelde van 't veelvormige.

Maar toch is omtrent het doel van het plantgewas, gelijk het in zijn aard ligt aangeduid, verwarring ondenkbaar. Het groeien en tieren wijst in zijn voleinding dat doel, gelijk het uit den aard der plant volgt, vanzelf aan.

Immers dat groeien en tieren komt, onder wat vorm ook, uit het zaad der plant op. In dat zaad, hetzij mosterdzadeke of eikel, schuilt dat wonder mysterieuse leven, waar straks de plant uit opschiet. En dan ritselt dat leven door kiem en halm, door tak en stengel, in blad en bloesem, maar voleind is de loop van dit leven, toch nooit, eer uit dien bloesem de vrucht gerijpt is, en in die vrucht (zelf bloem, of uit de bloem gerijpte vrucht) weer datzelfde zaad te voorschijn ^komt, om opnieuw den wonderen loop te beginnen.

Daarom teekent zich de aard van de plant dan ook het rijkst en het edelst, als die voleinding van den groei het schoonst in den bloesem en het volst in de vrucht uitkomt.

Niet het minst in den wijnstok, die, bij groote schraalheid van zijn hout, in edele vrucht het weelderigst en het overvloedigst is.

Of wat zijn rank en wingerdblad vergeleken bij de druiventrossen van Eskol?

Nu is het geestelijk leven wel geen plant ia eigenlijken zin, maar toch wordt het in Gods heilig Woord bij de schepping der plant vergeleken. Zoo noemt Jezus zichzelven »den waren wijnstok" en zijnjongeren »de ranken; " zoo spreekt Jezus' apostel van een planten en natmaken, waarop God den wasdom geeft; en zoo spreekt ook hier Jezus' heraut en voorlooper van een bekeering der ziele, dis gekend wordt aan vruchten zoo heiligen ommekeer in het leven waardig.

Van de gelijkenis van den zaaier, van die van het onkruid in de tarwe, van het mosterdzaadje, en zooveel meer spreken we nu niet eens. Ook buiten den kring van Jezus' gelijkenissen, is de overdrachtelijke teekening van het geestelijk leven, alsof het een plant ware, aan heel de Schrift, in Oud en Nieuw Verbond, gemeen; en ge verstaat de Schrift niet, zoo ge in die overdrachtelijke taal niet anders opmerkt dan willekeurig gekozen beeldspraak.

Er ligt veel meer, er ligt een aanduiding, er ligt een onderwijzing in. Voor het geestelijke hebt ge geen eigen woorden. Het geestelijke is in zich zelf onnoembaar. Hoe een ziel inwendig bestaat, kunt gs u niet voorstellen. Ge kunt de werkingen van de ziel niet in teekening voor u halen. Het proces dat de ziel doorloopt is niet in zichtbare schets te brengen. Ge kunt spreken van aandoeningen, van gewaarwordingen, van gevoelens, van zielsvermogens of van hartstochten, maar dat alles blijft bij algemeenheden. Poog u slechts voor te stellen, wat een »gewaarwording" is, en ja ge kunt het gevoelen, ge kunt er een idee van krijgen, en er u een begrip van vormen, maar hoe het in de ziel werkelijk toegaat, blijft u een mysterie.

Ea hierin nu komt de beeldspraak der Schrift u te hulp^ en door uw geestelijk leven op alle manier bij het leven en de ontwikkeling der plant te vergelijken, ontvangt ge een vorm, die u bij wijze van vergelijking in staat stelt, ook dat geestelijk leven in zijn aard en verloop te bespieden.

En wat aangrijpende macht hierin schuilt, voelt ge nimmer beter, dan wanneer u, na uw bekeering wordt afgevraagd, of ge reeds vrucht hebt gezet, en vrucht hebt doen rijpen, zoo heiligen ommekeer in heel uw zielsbestaan waardig.

Die vraag van den Dooper nu, gedaan nog eer het Koninkrijk van God gekomen was, dringt zich te ernstiger op aan wie door de poorte der genade reeds in dat Koninkrijk des Heeren inging, en die zijnen Vader in de hemelen aanbidden mag in Jezus' naam.

Naar vrucht dringt de stroom des gees­ telijken levens. In vrucht zoekt ook dat geestelijk leven zijn voleinding. Op vruchtdragen is ook dat hoogere, dat nieuwere leven der ziel aangelegd.

Het is een leven u geschonken niet om uwentwil. Wat de hemelsche Landman in zijn geestelijke gaarde plant, wordt gezaaid, gestekt en geplant om zijns naams wille. Hij heeft er een doel mede. Voor Hem moet er de vrucht van zijn.

Het begin zonder meer, d. i. de bekeering zonder voortgang, uitwerking en rijping van vrucht, bereikt dat doel van zijn verheerlijking niet. Het zaaisel dat niet verder komt is ijdel. Bloesem door den wind van de takken geschud en verdorrend en vergelend op de aarde.

Bekeering is niets dan ee7i begi^i. De aanvang van een lang, ongestoord proces dat volgen moet.

En dat proces uvvs geestelijken levens mag niet wild noch willekeurig, maar moet naar de wet van het bekeeringsleven zijn. Eerst de zaadkorrel, dan de halm, en in dien halm straks de are.

Niet eerst de vrucht, maar met de zaadkorrel begint het, en dan komt de ontkieming, na die ontkieming de groei, en die groei moet in de vrucht voleind worden.

Wat verwarring dan niet in uw gewaande geestelijke wetenschap, zoo ge die wondere bekeering alleen naar gevoel en gewaarwording afmeet!

Ge weet dan te verhalen wat in u voorafging, wat' daarna in u omging, wat er op den bodem uwer ziele doorworsteld is, en hoe God de Heere ten leste in de binnenkamer uwer ziel over Satan, die u met zijn hand omklemd hield, triomfeerde. En omdat ge dit alles doorleden en doorleefd hebt, waant ge dat het nu uit is; dat het daarmee is afgedaan; en dat ge op dat in u volbrachte werk Gods kunt insluimeren.

En zoo blijft dan het gelaat uwer ziele zwart, gelijk zwart de aanblik van den akker blijft, waar wel het zaadkoren in wegzonk, maar zonder dat het zaad nog uitschoot.

En dit nu kan, dit mag bij deze geestelijke plantinge niet. Dat zou tegen de wet van dit geestelijk leven, tegen Gods bestel, en tegen zijn heilige bedoeling met het in u volbrachte werk ingaan.

Het begin is er, niet om zelf het einde te zijn, maar opdat er iets uit beginnen, uit opschieten, uit voortkometi zou, en opdat dit voortgekomene en uitgebotte leven doorgaan zou tot aan zijn voleinding, en die voleinding zou bereiken in het bloeien van den bloesem en straks in het rijpen van de vrucht.

Daarom is zoo goddeloos, zoo dikwijls een kind van God, ia de herinnering van zijn bekeeringsgevoel rustende, om dat bloeien van den bloesem en dat rijpen van de vrucht zich niet bekommert.

Goddeloos, want het is zijn bekeering, die toch uit God is, aan God ontstelen. Hem de vrucht onthouden, den aard van het nieuwe leven vervalschen, en de pure wetenschap, van wat jGod eens aan de ziel deed, rooven voor eigen valsche zielsrust.

De tak waar niets meer in ritselt, en die geen groen hout meer onder de opengeschrapte schors vertoont, is dood. Dien breekt men van den boom af, en de sprokkelaar leest hem in den bussel saam. En daarom een bekeerde ziel, die in de bekeering die veel vroeger plaats greep, rust, maar niet ritselt en trilt van leven, en niet verder komt, en doorgroeit, lijdt aan versterf. Een versterf dat Gods genade ten leste stuiten moge, maar dat hem tot schuld is.

Als de lente weer in het land komt, kan een lenteplant niet zeggen: Ik sla dit jaar over, en blijf in mijn winterslaap. De sappen moeten uit den wortel opstijgen, ze moeten door den stam ritselen, ze moeten inde takken dringen en persen, ze moeien nieuwe twijgen doen uitbotten. Het blad moet komen, de bloesem moet zich zetten, en tenzij de wind verstoort, mocteri de vruchten rijpen.

En zoo ook werkt er in dat geestelijk leven, zoo het waarlijk leven uit God is, een heilige, hemelsche lentedrang van boven.

Het ritselt vanzelf in de ziel, als de adem Gods weer over de ziel uitgaat. Het bot uit, eer ge er om denken kunt. En de vrucht komt.

Mits geen gemaakte, maar een gegroeide en gerijpte vrucht. Niet denken en zeggen: Om mijn bekeering te toonen, zal ik mij zei ven dit opleggen, en dat mijden, en die bijzondere dingen doen, opdat de teekenen mijner verkiezing voor een ieder in het oog springen.

Dat ware kunstvrucht aan de takken han­ gen, en niet vrucht uit die takken doen voortkomen.

De wijnstok is heel de lente, en heel den zomer, en heel den herfst bezig om vrucht te maken, bij dag en bij nacht.

En zoo maet '..Jt drag : n van vrucht ook bij u resultaat van een gestadige geestelijke bezigheid zijn. Van den vroegen morgen, dat ge opstaat, tot den laten avond toe, dat ge u ter ruste legt, altoos bezig zijn, om de vrucht zich te doen zetten, te doen rijpen, te doen kleuren, en te voldragen voor God.

Het moet vrucht zijn, niet om uzelven te bekoren, noch om anderen te verschalken, maar vrucht iiwer bekeering waardig. Nu was die bekeering in haar aandrift eeti werk Gods in u, en daarom moeten ook die vruchten aan zoo Goddelijke roeping beantwoorden. Door God gekeurd moeten ze gaaf en vol en sappig worden bevonden.

Vruchten, die zeer zeker ook bestaan in goede werken, niet het minst in werken der barmhartigheid en der dienende liefde.

Maar toch dit zijn nog slechts de vruchten van één enkelen tak aan den boom uws levens, en zal het goed zijn, dan moet er vrucht aan al de takken schitteren, want alle rank en tak, die enkel blad doet uitbotten, oordeelt zichzelven.

En daarom eischt de edele oorsprong van uw bekeering, dat er vrucht gezien worde in heel uw persoonlijke en geestelijke existentie. In uw karakter. In de teederheid en zuiverheid van uw gevoel. In de nauwheid en helderheid uwer consciëntie. In de rustige ontwikktiling van uw wilskracht. In het meester Mij ven over uzelven bij prikkeling tot drift e.i bitterheid. In de koninklijke heerschappij) over opwellenden hartstocht. Ia het wakeij, bidden en strijden tegen de zonden die in uw boezem rondsluipen en naar buiten willen. In het heiligen van uw levensgewoonten. In de nobelheid van uw woord. In de rechtschapenheid uwer gedachten. In den ernst van uw tijdbesteding. In de sterking van uw geloof. In de verdieping van uw kennisse der waarheid. In uw gemeenzaamheid met het Eeuwige Wezen. In de spanning uwer aanbidding. In de warmte en innigheid der liefde, waarmee ge God eerst en meest, en om Gods wille den naaste mint.

Dat is vrucht der bekeering waardig.

Niet, als de stam uv/s levens prijkt met aangehangen vrucht. Noch ook als in het dichte loover hier en daar een enkele blozende vrucht uitsteekt. Maar als ge voor God en menschen staan moogt als een dicht getakte planting, zuiver in den stam opgaande, sierlijk in de takken gespreid, en aan heel de dichtgebladerde kroon, naar alle kant vrucht vertoonend.

Dan ziet God het, en de broeder ziet het: Die boom leeft.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 12 september 1897

De Heraut | 2 Pagina's

„Druchten der bekeering waardig”.

Bekijk de hele uitgave van zondag 12 september 1897

De Heraut | 2 Pagina's

PDF Bekijken