Uit de Pers.
In een keurig geschetst opstel heeft de heer J.' Postmus, redacteur van de Standaard, ons in Taal en Letteren Afl. V. van dit jaar een echt "Calvinistische toehchting op het Wilhelmus gegeven.
Al wat we hier doen kunnen is, zijn paraphrase en karakteriseering van den inhoud overnemen.
Ze luidt aldus:
Diep heeft de auteur van dit lied met Oranje meegevoeld en vóórgevoeld. Onkunstmatig is zijn vers. Er is vóór-nocli achtergrond in. Hoofdzaken treden niet genoeg naar voren, bijzaken niet naar achteren. Wjj moeten trachten het in onze taal over te zetten. Laat ons zorgen dat er niets verloren ga bij dit overgieten van dezen ouden wijn in nieuwe zakken.
Oranje wordt sprekend ingevoerd. (Couplet I-IV):
Willem van Nassouwe spreekt u toe. Ge kent mij immers. Geen vreemdeling ben ik, ik ben als gij van Duitschen (Germaanschen, niet-Walschen), bloede. Ik denk er niet aan den strijd op te geven. Tot den dood toe blijf ik het Vaderland getrouw, al is het nu in de macht van Alva en zijne beulsknechten.
Ik ben een Prins van Oranje. Vrees ken ik niet: Je maintiendrai, leest ge immers op mijn wapenschild.
Waan echter niet dat ik den koning van Spanje zou wenschen te verdrijven. Altijd heb ik den koning geëerd, mijne wettige overheid. Geen revolutie, slechts reformatie wil ik.
Waarom ik dan verdreven ben; van land en luyden beroofd? Enkel en alleen omdat ik steeds getracht heb in de vreeze Gods te leven. Niet God de Heere heeft mij mijn ambt ontnomen. Hij zal mij steeds besturen als zijn gewillig werktuig. Daarom zal ik dan ook in mijn «regiment" wederkeeren.
En van zich zelven af, richt zich nu het oog van den Prins op zijn volk in de verdrukking:
En meent niet, mijne onderzaten, dat ik slechts aan mij zelve denk. God zal ook u niet verlaten, wijl gij hem oprechtelijk wenscht te dienen. Wel wordt gij nu verdrukt, maar houdt aan in het gebed, dag en nacht. Bidt den Heere, dat Hij mij kracht geve om u ten helper te zijn.
Wie treft het hier niet, dat Oranje niet zegt: Verlaat \\ op mij, ilc, ik zal u redden. Niet op hem zelven, slechts op God zegt hij him hunne hoop te stellen. Hij wenscht enkel Gods instrument te zijn. Vurig wenscht hij dit, zijne daden zeggen het immers ook, zoo beurt hij het volk op:
Heb ik u niet getoond, wie ik voor u zijn wil?
Mijn leven zoowel als mijne goederen heb ik voor u in de waagschaal gesteld.
Ook mijn broeders, mannen, wier namen en titels toch genoemd mogen worden, hebben het u immers getoond, dat ge op hen kunt rekenen.
Een krijgsmansdood vond graaf Adolf. In Vriesland is hij in den slag gebleven. Wel hem, in 't eeuwig leven wacht hij den grooten morgen der opstanding.
Hier eindigt het eerste deel van het lied.
Een auteur, meer de techniek meester dan de dichter van het Withelmtts, zou op de een of andere wijze aangekondigd hebben dat hij hier een tweede gedeelte van zijn vers begon. De lezer lette zelf op deze kleinigheid. Om de hoofdzaak is het slechts te doen. Dat hem die niet ontga! De aanhef van het vijfde couplet herinnert geheel aan dien van het eerste. (Coupl. V—IX):
Al mag ik mij met recht een rijksvorst noemen, van een geslacht dat zelfs tot den Keizerlijken troon geroepen werd, slechts als Christen, voor het Woord des Heeren, dat te prijzen is, heb ik zonder vreeze, als den held betaamt, mijn vorstelijk bloed gewaagd.
Dit is de kern van het lied. Hier verraadt het zijn Calvinistischen oorsprong: alles voor Gods Woord, voor den Heere zelven.
Niet langer tot de menschen richt zich hier de Prins. God den Heere zelve roept hij aan in het gebed. Deze gezalfde woorden dulden geen omschrijving:
Myn schilt ende betrouwen, Zyt ghy, o Godt mijn Heer, Op U soo wil ick bouwen, Verlaet my nimmermeer. Dat ick doch vroom mag blijven, U dienaèr talier stont, De tyrannic verdrijven. Die my myn hert doorwont.
Van al die my beswaren. En mijn vervolgers syn. Mijn Godt! wil doch bewaren, Den trouwen dienaar dijn. Dat sy mij niet verrasschen, In haren boozen moet, Haer handen niet en wasschen, In myn onschuldich bloet.
Aandoenlijke bede! Wat vraagt Oranje van den Koning der Koningen? Eer, macht, wraak? Niets van dit alles. Slechts dit éene: dat zijne standvastige dapperheid in den dienst van God haar doel moge bereiken en hij de tyrannic, waaraan hij zijne landgenooten met een bloedend hart blootgesteld ziet, uit de Nederlanden moge verdrijven, i& MyVK^? sterve voordat de strijd beslist, de zege verzekerd zij. Slechts één ding begeert hij voor zich zelve: Dat hij niet als Egmond en Hoorne in de handen zijner vijanden valle. Niet dat hij den dood schuwt, slechts den sluipmoord wenscht hij te ontgaan:
Met David mag ik mij vergelijken!
Zooals» hij moest vluchten voor Saul den tyran, zoo heb ik met menig edelman de vernederendste vervolging moeten dragen.
Maar uit allen nood verloste hem de Heere,
Een groot koninkrijk heeft hij in Israël ontvangen.
Na de schaduwen het licht!
Na het zuur zal ook ik het "zoet ontvangen. Mijn hart hijgt er naar.
Wat ik dan verlang?
Ge hebt gehoord wat ik den Heere heb gevraagd: een eerlijken krijgsmansdood op het veld en daarna de ki'oon des levens als een getrouwe held.
Weer keert zich de Prins tot zijn volk met wat het zwaarst op het hart drukt:
Uw lot, o dierbaar Nederland, weegt mij het zwaarst.
Des konings landen dus door de Spanjaarden vertreden te zien, deert mij meer dan ik zeggen kan. Het harte bloedt mij als ik er aan denk. Heb ik het mijne niet gedaan, om te voorkomen wat geschied is?
Als een vrije landsvorst ben ik met mijn leger gekomen. Ik wenschte den verwaten tyran slag te leveren.
Hij durtde mij, toen hij zich bij Maastricht verschanst had, niet aanvallen.
Nog zie ik mijn kloeke ruiterij door het veld draven, den vijand uitdagend. Had hij zich maar buiten zijne schansen gewaagd, de beslissing zou toen gevallen zijn.
Maar God de Heere heeft het anders gewild. Hij weet, dat ik deed wat ik kon. Zijn wil is het niet geweest, dat ik toen zou triompheeren. Toch worde zijn Naam geloofd in voor-en tegenspoed.
Men ziet het, geen klacht of aanklacht, tegen wie ook, komt hier van de lippen van Oranje; slechts volstrekte overgave aan den wil van den Almachtige spreekt er uit zijne woorden. Hij beroept zich op den Alwetende:
Wat mij bewoog, weet de Heere.
Ook in den tegenspoed heb ik den moed niet laten zinken, ik ben standvastig gebleven.
Den Heere lub ik mijne zaak overgegeven in het gebed. Hem heb ik gesmeekt uitspraak te doen in dit geding. Hij brenge mijne onschuld aan het licht.
Deze verslagene van hart en gebrokene van geest, deze verpletterde blijft een vorst ook in de vernedering, ook in de oogen zijns Volks, omdat hij fier
het eigen oog omhoog durft slaan en zeggen: »De Heere kent de Zijnen, Hij zal mij recht doen". Deze woorden moesten weerklank vinden in het hart van het Calvinistische volk: het verstond die taal van het geloof, der kinderlijke overgave. Het beaamde ze ten volle.
En nu het afscheid:
Vaarwel, mijne »arme schapen", al zijt gij nu in grooten nood, als een herder zal ik een wakend oog op u houden. Wees er van verzekerd, dat ik niet stil zal zitten.
Blijft op den Heere vertrouwen. Houdt u dicht bij zijn Woord. Leeft gelijk het Christenen betaamt. »'t Sal hier haest sijn ghedaen".
Onschatbaar is vooral deze laatste trek.
Oranje vleit zijne mannen niet met glorie, noch belooft hun de voldoening der wraak op hun tyran; enkel wat voor hem zelven het hoogste en het heerlijkste is, wenscht hij hun als hun deel toe:
een eeuwich ryck".
Als van een randschrift meent de dichter nog het lied te moeten voorzien.
Ernstig luidt het als een zuiveringseed:
Voor het aangezicht Gods belijd ik plechtig, dat ik te geener tijd mijn wettigen vorst, den koning van Spanje, geminacht heb.
Er is slechts één drijfveer, die mij tot handelen beweegt:
Ik heb God den Heere, den Koning der Koningen, meer moeten gehoorza^n dan de menschen en dat is recht in Zijn oogen.
Zonderlinger krijgslied zal wel nooit gezongen zijn.
Geen hartstocht, hoe edel ook geacht, wordt hier te hulp geroepen, niet dan hjdzaamheid hier gepredikt. Aangespoord wordt tot dulden en - gebed.
Voor den hemel te leven, op den hemel te hopen is de eenige leus, te weten: niet in ziekelijken, maar in gezonden, in Calvinistischen zin: Gods eere het een-en-al.
Onpractischer kan het al niet?
Hier is gehoorzaamheid aan het gebod Gods:
Zoek eerst het Koninkrijk Gods en zijne gerechtigheid en al deze dingen zullen u toegeworpen worden".
Velen zullen zeggen, dat zij deze dingen niet verstaan!
Een Calvinist erkent, dat niet dan «heilige verwondering" in hem is, bij de gedachte, dat juist hij »een geroepene en uitverkorene" zou zijn, neen is.
En ook hij wiens ziel nog frisch genoeg is om vatbaar te zijn voor idealisme, erkent, schoon hij zich misschien van verre houdt, dat hier een mysterie is, dat tot eerbied stemt.
En wel dor en uitgebloeid moet de ziel zijn, die hier enkel nog een teeken van leven weet te geven door een wilden schaterlach of een kil schouderophalen.
Toch valt hier iets ter verklaring te zeggen, dat, dunkt ons, zelfs de »mathematicus" zal verstaan.
Immers dit: Wie ergens op aarde den »hemel" in een symbool of persoon of leus vertegenwoordigd acht, of wel van den vooruitgang der menschheid »een hemel op aarde" wacht, hij kan zijn «toevallig" vaderland niet waarachtig liefhebben. Hij zal in nood en dood niet ten bloede weerstaan. Waarom zou hij ook?
Dit zal hij slechts, die »staat" in het geloof aan de beschikking en de verkiezing Gods, wetende dat hem niets »bij geval" overkomt, maar geloovende, dat alle dingen geschieden »bij des Vaders welbehagen". Hem is het Wilhelmus dan ook ernst, het is hem een levenspsalm, zoowel een «wereldlijk" als een «geestelijk" lied.
Is dit niet kostelijk, en brengt zulk een paraphrase u dit lied uit de diepte, dit Calvinistisch ex profundis^ niet nader aan het hart ?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 17 oktober 1897
De Heraut | 4 Pagina's