Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

De prijs onzer vrijheid.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De prijs onzer vrijheid.

6 minuten leestijd

De overtuiging dat de kerk van Christus in eigen boezem de middelen voor haar bestaan moet vinden, brak telkens door, zoo dikwijls het kerkelijk leven tot krachtige uiting kwam, maar zonk ook even dikwijls in, zoodra de zenuw van het kerkelijk leven haar spankracht verloor.

In de eerste eeuw, toen de apostelen, en hun discipelen, allerwegen, kerken stichtteri, dacht natuurlijk de Overheid er niet aan, iets uit haar kas aan de kerken uit te betalen. Ze vervolgde de kerken, of duldde ze hoogstens, maar van uitkeering van staatss V b v d eid ten behoeve der kerken was geen sprake. postolisch werd dan ook de regel vastgeteld, dat uit de kerken zelve moest komen, at de kerk voor haar eeredienst, voor haar eeraars en haar armen noodig had.

Ook toen in de eerste dagen der Reformatie de thermonieter van het kerkelijk even weer hoog stond, dacht niemand zelfs an de mogelijkheid, dat de Overheid bij ou springen.

En toen in de eerste helft dezer eeuw nogmaals een reveil de Christenheid bezielde, zijn én in Frankrijk, én in Zwitserland, én in Engeland vrije kerken opgetreden, die eveneens weer den aiouden regel opnamen, dat de kerk van Christus vrij en onafhankelijk behoort te blijven, en daarom voorziet in eigen onderhoud.

In de nieuwe wereld is dit zelfs vaste usantie geworden, en in de Vereenigde Staten van Amerika is niet ééne kerk, die leeft van staatsgeld. De kerken zijn er vrijer dan ooit de kerk van Christus in eenig land ter wereld geweest is, maar de kerken voorzien dan ook zelve in de behoeften van haar leeftocht.

„Zelf-betalen" is dan ook de prijs, die elke kerk voor haar vrijheid in Christus te kwijten heeft.

Is die prijs haar te hoog, dan weet ze vooruit, dat ze vroeg of laat een aanmerkelijk deel van haar vrijheid inboet.

Nu hangt deze quaestie uiteraard saam met de quaestie der > Volkskerk".

Laat men'die booze idee der Volkskerk niet los, dan kan het niet anders of het grooter deel van de bevolking behoort wel nominaal tot de kerk, maar leeft haar leven niet mede, stelt in haar bloei geen belang, en heeft diensvolgens geen geldelijke ofïers voor haar welstand over.

Er is dan wel in die kerk, zeg een 30 pCt., die warm voor haar is; maar daar de uitgaven over 100 pCt. gaan, en de inkomsten slechts van 30 pCt. leden der kerk inkomen, is er een tekort van 70 pCt., dat van elders moet aangevuld.

Die aanvulling geschiedt dan op tweeërlei wijs, door de Overheid en door de Dooden.

Het zijn dan de Dooden, die groote kapitalen bij testament aan de kerk vermaakten, en haar, gelijk b. v. de Hervormde kerk van Amsterdam in het bezit van millioenen stelden. Immers bij richtig beheer, groeit dit doodenkapitaal steeds *aan, en bereikt ten slotte zoo hooge som, dat de kerk er in weelde van leven kan, gelijk dit met enkele kerken in Engeland dan ook metterdaad het geval is.

En is die som nog niet groot genoeg, om voldoende rente af te werpen, dan komt de Overheid te hulp, en springt voor het ontbrekende bij.

Zulk een volkskerk leeft dan uit drie posten:1°. uit wat ze als rentenierster bezit, 2°. uit wat de Overheid haar toelegt, en 3°. uit het liefdegeld van de levende kern der gemeente.

Dit nu is, wat men noemt, de dood in den pot.

Het overwicht van zulk een kerk toch komt dan vanzelf bij de beheerders van het kapitaal, bij de dodr de Overheid beaalde personen, en bij de rijkere goedwilige gemeenteleden.

De kerk wordt plutocratisch, in stee van Christocratisch.

Het ^«kerkelijke en ^(-^^«kerkelijke eleent geeft in zulk een kerk den toon aan.

Doch hoe sterk men dit ook afkeurt, en blijve steeds billijk tegenover hen, die het vrijwilligheidsbeginsel niet aandurven. Wie toch de Volkskerk blijft voorstaan, an het niet op de offervaardigheid der geeente wagen. Daarvoor is de omvang van ulk een lichaam te groot.

Al hebben dan ook niet allen, die hier e lande éa in 1834 én in 1886 tegen de eestelijk-kerkelijke actie in verzet kwamen, ich helder rekenschap van hun doen geeven, toch mag men aannemen, dat vereweg de meesten geleld en gedreven zijn eworden door hun verkleefdheid aan de dee der volkskerk.

Daarom konden ze de gestichten en apitalen en Overheidstoelagen niet losaten; daarom riepen ze de hulp van de verheid in; en daarom werden ze er oe gebracht, om te weerstaan, wie dezen lutocratischen steun wilden loslaten.

Het is niet zoo, dat het hun om het eld in de eerste plaats te doen was. Hun itgangspunt was, dat ze de Volkskerk wilen handhaven, en om die Volkskerk te unnen handhaven, verbroederden ze zich et Modernen en Groningers tegen ons, vermits op die wijs alleen de leeftocht oor de Volkskerk te redden was.

Wil men met deze mannen vruchtbaar ebat voeren, dan zal daarom die debatoering moeten geleid worden naar dit ééne unt: Of de kerk van Christus, naar luid an het Evangelie, een Volkskerk zijn moet, . i. een kerk die heel de bevolking zal mvatten, dan of wel de kerk van Christus de vergadering der geloovigen" moet zijn, n als zoodanig een geestelijke kern moet ijn in het volksgeheel.

Zij daarentegen die nu eenmaal voor de rijheid van de kerk van Christus gekozen ebben, zullen moeten toezien, dat ze zich iet Doopersch of Labadistisch tot een ring van heiligen vormen, maar stiptelijk even blijven onder den Verbondsregel, en oor goede oefening van tucht dit Verbond eilig houden. En dat wel zoo, dat ze bij it Verbond niet de bedeeling des Ouden estaments, maar die des Nieuwen Testaents in hun kerkelijk leven verwezenlijken. Juist toch uit het blijven hangen aan de ud-Te.etamentische bedeeling van het Verond is de Volkskerk opgekomen, en omekeerd heeft de Labadistische idee er teeds toe geleid, om voor den regel des erbonds, nu naar zijn Nieuw-Testamentische edeeling genomen, het subjectieve oordeel an menschen in plaats te doen treden.

Deze twee zijn de Scylla en Charybdis bij en ingang van de haven van het kerke­ lijk leven, en wee de kerk, die op eendier beide stoot.

Maar tevens hebben de vrije kerken toe te zien, dat ze niet door schrielheid in het offeren haar vrijheid in Christus voor de toekomst in gevaar brengen.

Wordt een vrije kerk wat men noemt zuinig in kwaden zin, gaat ze beknibbelen op wat voor haar bloei noodig is, zet ze haar leeraars op zwart zaad, en mist ze den geloofsmoed om door leening haar uitgaven voor blijvende gebouwen enz. over twee, drie geslachten uit te breiden, dan toont ze voor haar vrijheid niet te willen betalen, dan*wil ze haar vrijheid als een goed zonder prijs bezitten, en dan kan de uitkomst geen andere zijn, dan dat ze óf te niet gaat óf tea slotte weer naar anderen steun gaat uitzien, en, door dien band, haar vrijheid inboet.

Wie voor zijn kerk mildelijk en blijmoedig ofïert, betaalt niet om de kas te stijven, noch om zijn leeraar te laten leven, maar betaalt voor zich zelf en voor zijn kinderen, om aan het geslacht van nu en aan het toekomende geslacht ïde vrijheid der kerk" te waarborgen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 24 oktober 1897

De Heraut | 4 Pagina's

De prijs onzer vrijheid.

Bekijk de hele uitgave van zondag 24 oktober 1897

De Heraut | 4 Pagina's