Uit de pers.
In de Friesche Kerkbode verscheen nu reeds het derde artikel over ide Christelijke vrijheid."
Stukken die van pas zijn, nu nog altijd ook in onze kerken de wettische preciesheid met de bezieling des Geestes worstelt.
Kort, bondig en helder is vooral de tegenstelling in het midden van het derde artikel toegehcht.
In dezer voege:
Nu is het rechte inzicht in die vrijheid tegenover de wet zeker een der moeilijkste stukken nit de H. Schrift. Wie ia onze oude theologie thuis is, weet hoe onze Vaderen bij voorkeur over dit onderwerp schreven, en hoe zij worstelden met de taal om deze vrijheid juist te omschrijven. Bunyan's Onder de wet en onder de Genade, Witsius De leer der Verbonden, Comrie's uitlegging van den Catechismus, om van anderen te zwijgen, zijn goudmijnen, waaruit nog schatten op dit punt te delven zijn. En ongetwijfeld ligt de oorzaak van veler gemis aan den vrede der coiiscientie, die alle verstand te boven gaat, daaraan, dat deze vrijheid tegenover de wet niet genoegzaam gepredikt en door Gods kinderen niet voldoende verstaan wordt. Heel dit stuk in onze Kerkbode uiteen te zetten ware een onbegonnen werk. Alleen de hoofdlijnen der Christelijke vrijheid kunnen hier worden uitgestippeld.
Én dan zij vooreerst opgemerkt ter voorko-r ming van alle misverstand, dat met deze vrijmaking van de wet niet bedoeld is, dat de wet zou zijn afgeschaft voor Gods kind als »regel des levens". De Wet is in den grond niet anders dan de uitdrukking van Gods heiligen wil. Het is het: Zijt heilig, want Ik ben heilig, dat God aan al Zijn kinderen toeroept. Van het anti-nomianisme — het op zij werpen der wet om naar het goeddunken des harten te leven — is elk goed Gereformeerde afkeerig. Maar even afkeerig is hij van het Neo-nomianisme, het opnieuw oprichten der wet om daardoor eenige gerechtigheid voor God te verwerven. Niet alleen wanneer met die wet bedoeld wordt het volbrengen der tien geboden of het uitmunten in goede werken, maar ook wanneer onder deze wet verstaan wordt de zoogenaamde Evangelische plichten van trouw Gods Woord te gaan hooren, door boete en berouw zich vftor God te vernederen, door werken van barmhartigheid zich bij God aangenaam te maken. Genade^ d. w. z. onverdiende gunste sluit elk werk der wet geheel buiten.
Om nu de oplossing van deze moeilijkheid te vinden, dat aan de eene zijde de wet blijft voor Gods kind als regel des levens en aan de andere zijde geheel is afgeschaft, of liever in Christus voor ons vervuld is geworden, moet er op gelet worden, dat alles afhangt van de wijze, waarop wij staan tegenover de wet en de wet staat tegenover ons.
Wie nog onder de wet staat, gelijk de Apostel Paulus het uitdrukt, staat tegen haar als een dienstknecht, die poogt door de wet een loon te verwerven bij God. Hij is nog bezield met een wettischen geest, den geest der dienstbaarheid tot vreeze. Het is hem te doen om naar den regel der wet te leven, opdat hij door die wet het eeuwige leven zou beërven. God is Zijn meester. Door dien meester is aan hem, als knecht, een taak opgelegd. En die taak moet worden afgewerkt om straks bij den meester het toegezegde loon als recht te kunnen eischen.
Dat nu is geheel het standpunt van het Verbond der werken. Het: Doe dat en gij zult leven. En juist omdat de mensch van nature onder het Verbond der werken staat, kan het niet anders of dit wettische beginsel werkt telkens opnieuw in den mensch door. Ge vindt dat wettische beginsel bij de Fafizeën in Christus' dagen en bij de Roomsche kerk ten tijde der Reformatie en bij de eigengerechtige lieden in onze eeuw. En gewoonlijk gaat het bij hen gepaard met zulk een oppervlakkige beschouwing van den eisch der wet, dat men evenals de rijke jongeling ter goeder trouw meent heel de wet te hebben volbracht, zoodat men door eigen gerechtigheid voor God bestaan kan. Ge vindt dat wettische beginsel bij menig ontdekte aan de macht der zonde, die nu sidderend voor de heilige gerechtigheid Gods, poogt om de wet te volbrengen, ten einde met God verzoend te geraken en die het door dien weg leeren moet, hoe aan den voet van Sinaï niets dan verdoemenis te vinden is voor den zondaar. Dat was Luther's strijd in de kloostercel te Erfurt, de strijd dien Bnnyan teekent in zijn Christenreize, wanneer Christus aan den voet van den Sinai staat, de strijd, die menig bekommerde van ziel nog in de bangste vreeze houdt. En eindelijk, ge vindt datzelfde wettische beginsel, ook nadat genade gevonden is, nog bij menig kind van God, wanneer het weer, gelijk het volk het uitdrukt, lin het werkhuis zit", d. w. z. opnieuw pogen gaat om zijne eigene gerechtigheid voor God op te bouwen in plaats van uit de genade van Christus alleen te leven.
Deze dienstbaarheid der wet nu staat lijnrecht tegenover de ware Christelijke vrijheid. De wet blijkt dan geen zachte, maar een zeer harde Meesteres. Ze is niet tevreden met al wat ge doet om haar te verzoenen, want ze eischt het volmaakte; ze legt u telkens een nieuwe rekening van schuld voor; uw beste werken maakt ze tot een wegwerpelijk kleed voor God. En ze doet meer dan dat. Ze herinnert u altoos weer opnieuw aan het ontzaglijke woord, dat vervloekt is wie f liet h lij ft in al wat geschreveti slaat in het boek der wet om dat te doen. Zs belooft u geen loon, maar dreigt u met de eeuwige verdoemenis. Ze drijft u voort met den stok van den drijver: ze laat u voor een oogenblik met rust: ze legt u een juk op, oniixogeüjk te dragen, en als eenig loon voor al uw arbeid brengt ze u nooit anders dan dea eeuwigen dood.
Zeg dan zelf hoe ooit zulk een dienen van God onder de wet met ware vrijheid zou kunnen bestaan ?
Neen, ook hier geldt het woord: Indien de Zoon u heeft vrij gemaakt, dan zijt ge waarlijk vrij. Christus zelf roept het dezulken toe : Komt tot Mij, gij die vermoeid en beladen zijt, en ik zal u ruste geven. Mijn juk is zacht en mijn last is licht. Hij komt niet alleen om mij uit de macht der zonde, maar ook om uit de dienstbaarheid der wet zijn volk te verlossen.
Hij doet dit vooreerst door ons te verlossen, gelijk de Apostel zegt van den vloek der wet. Daartoe wordt Hij zelf een vloek voor ons. Al de straf, waarmede de wet ons bedreigde, wordt aan Hem voltrokken. Maar Hij doet meer dan dat. Hij volbrengt ook geheel den eisch der wet. Hij levert dat volmaakte goede werk, dat alleen voldeed aan den eisch van Gods recht. Geen enkel gebod der wet, of het is door ïlem voor ons vervuld geworden.
Wie dus in het geloof staat, staat vrij tegenover de wet van God. Wanneer die wet in de vierschaar der conscientie hem aanklaagt en zijn oordeel eischt — hij kan op Christus wV.en, die den vloek der wet voor hern droeg. VVanneer die wet eischt een volmaakt yolbrer^ger van al haar geboden — hij heeft een Verlosser, die alles voor hem volbracht heeft.
In dat opzicht geld het woord des Apostels: Wij zijn niet meer onder de wet, maar onder de genade. Want de wet des Geestes des levens heeft ons vrijgemaakt van de wet der zonde en des doods.
Maar al is de wet aldus afgeschaft voor Gods kind, gelijk onze vaderen het uitdrukten, wat haar verdoemende kracht en de gestrengigheid van haar eisch betreft, ze blijft daarom ten volle van kracht als regel voor ons leven, als uitdrukking van Gods onveranderlijken wil, hoe Zgn kind zal wandelen. Met nadruk kwamen onze vaderen op tegen den laster van een Bellarminus, den bekenden Roomschen Godgeleerde, alsof volgens ons de mensch, , gerechtvaardigd zijnde door het geloof, aan geen enkele wet in de conscientie meer gebonden was en vrij van de verplichting om de w^et te volbrengen en alle dingen voor onverschillig houden mocht. Een Luther moge soms uitdrukkingen gebruikt hebben tegenover de wet, die zulk een indruk konden doen ontstaan, Calvijn was op dat punt voorzichtig genoeg. Voorzooverre God, zoo schrijft hij in zijn verklaring van Rom. VII, in de 10 geboden ons heeft geleerd wat recht is en ons een regel geeft voor ons leven, raag niet gedroomd worden van een afschaffing der wet, omdat de wille Gods altijd haar kracht blijft behouden. Derhalve is de wet niet afgeschaft voorzooverre zij een resrel voorschrijft om goed te leven, maar wel is ulj-ïschaft die hoedanigheid der wet, waardoor zij stond tegenover de vrijheid, ons door Christus geschonken, nl. in zooverre zij de hoogste volmaaktheid eischte en ons, omdat wij dit niet konden, bond onder den schuld des eeuwigen doods.
En nog schooner wordt diezelfde gedachte door Calvijn uitgewerkt in zijn Institutie, wanneer hij het onderscheid tracht duidelijk te maken door het beeld van een dienstknecht en een kind in huis. Een dienstknecht moet de bevelen van zijn meester volbrengen, ze zijn een dwang hem van buitenaf opgelegd; er wordt niet gevraagd of dat bevel met zijn aard en inborst overeenstemt. En wanneer de dienstknecht zijn arbeid niet heeft afgemaakt, durft hij zijn meester niet onder de oogen te komen, want dan heeft hij geen verschooning maar straf te wachten. Ziilk een dienen is slavernij. Maar geheel anders dient het kind den vader. Zijn vader heeft hem lief; omdat de vader hem liefheeft, schrijft de vader aan het kind voor, wat de regelen en ordinanten zijn in het huis. Juist omdat het kind het beeld des vaders draagt, zal het met lust en liefde naar die ordinantien wandelen. En ook al blijkt het, dat het nog telkens onvolmaakt werk levert, dat ook het beste werk gebrekkig en met zonde bevlekt is, het gaat gerust naar den vader toe en legt hem den arbeid voor. Immers »een vader verschoont den zoon, die hem dient."
Zóó God te dienen is geen last, maar een lust; geen dienstbaarheid, maar vrijheid. Niet een dwangjuk van buitenaf ons opgelegd, maar een ontplooien van het beeld van Christus, waarnaar wij door de werking des H, Geestes worden vernieuwd.
Zoo nu opgevat is de wet niet meer een stok, die ons voortdrijft, maar een staf in onze hand, waarop we leunen kunnen om te wandelen op den weg des levens. d D g
En toch blijkt ook hier weer, evenals bij het eerste stuk, dat de volle Christelijke vrijheid hier op aarde niet ons deel is, en dat eerst in den hemel het hoogste standpunt zal worden bereikt. Daar eerst houdt de wet ook op een staf te zijn, waarop we nog moeten leunen om verder te komen. w V s g u d
Wat wij daarmede bedoelen zal Gods kind wel verstaan.
De wet genomen als de wille Gods over ons, blijft eeuwig. Wie niet meer onder de wet zou staan, zou ophouden schepsel te wezen en dat kan nooit. Maar er is onderscheid tusschen de wet Gods als uiting van Zijn heiligen wil en die wet gelijk ze geschreven voor ons ligt in de 10 geboden en is uitgewerkt en toegepast is heel de Heilige Schrift.
Die geschreven, uitwendige wet, ook al heeft ze dan haar verdoemende en eischende kracht verloren, ook al is ze een regel des levens geworden, blijft een beperking der vrijheid. Ware vrijheid is niet alleen God te dienen, maar het te doen zonder eenigen dwang, geheel van zelf, gelijk de bloem van zelf geurt, de boom van zelf vruchten voortbrengt, het water van zelf stroomt door de bedding.
Zoo was het met Adam in het Paradijs. De wet Gods stond geschreven op de tafelen van zijn hart. Hij behoefde daarom geen uitwendige wet van God te ontvangen. En zoo zal het eens in den hemel zijn. Daar wordt geen wet meer gepredikt als regel des levens, want ze zullen allen God kennen, gelijk ze door Hem gekend zijn.
Maar hier op aarde is dat nog niet zoo.
Op Sinaï wordt daarom de wet geschreven op steenen tafelen. Juist omdat de wet weg is uit het hart, moeten ze van buiten af weer worden ingescherpt.
Maar de belofte wordt geschonken, dat God de Heere een nieuw verbond zal maken, en dat dit nieuwe verbond juist daarin bestaan zal, dat de Heilige Geest de wet weder zal schrijven op de tafelen des harten. Dan zal niemand tot zijn naaste zeggen: Kent den Heere, want zij zullen Hem allen kennen.
Voor een deel is dat veruld op den Pinksterdag. De uitstorting des H. Geestes is het tegenbeeld van de wetgeving op Sinaï. Na den Pinksterdag begint dan ook eerst de hoogere vrijheid des N. Testaments, het mondig worden van Gods kind.
Onder het O. T. was Gods kind, nog onder den tuchtmeester van de wet. Gebod op gebod en regel op regel werden daar opeengestapeld. Israël is een kind Gods, maar een klein kind, dat nog telkens van den vader moet hooren, wat mag en wat niet mag. In zooverre is zelfs het onmondige kind, gelijk de Apostel zegt, den dienstknecht gelijk, dat het nog onder de wet leeft.
Maar met het N. Testament is dat anders geworden. God de Heere heeft nu uitgestort den H, Geest, waardoor Hij ons leert wat Zijn wil is. Eerst daardoor in de volkomen vrijheid tegenover de wet gekomen, in zooverre als Gods kind niet door eenigen dwang, maar uit de innerlijke drijving des Geestes naar den regel der wet behoort te wandelen.
Het is hiermede als met iemand, die zwemmen leert. Juist om niet te zinken maar vrij in het water zich te kunnen bewegen, moet hij eerst van zijn leermeester regelen ontvangen. Die regelen worden langzamerhand zijn eigendom. Als pasbeginner moet hij telkens nadenken welke bewegingen hij maken moet naar het woord van zijn leermeester. Maar allengs gaat dit over. Hij doet de beweging van zelf, zonder eenige moeite. En nu eerst ts hij volkomen vrij geworden. Juist omdat het woord van zijn meester in zijn vleesch en bloed is overgegaan.
Deze ter zake dienende, korte en toch niet onvolledige uiteenzetting, meenden we dan ook onzen lezers te moeten voorleggen.
Ook het beeld aan het slot is zoo sprekend.
Jammer slechts, dat deze dingen die in Owens dagen nog algemeen verstaan werden, helaas, voor zoo velen in onze dagen klanken uit een hun vreemde wereld zijn geworden.
En toch die onwetendheid schaadt aan zoo veler geestelijk geluk.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 24 oktober 1897
De Heraut | 4 Pagina's