Calvijns prediking.
De studiën over Calvijn nemen toe. Het is of het besef algemeen wordt, - dat de Gereformeerde wetenschap schuldig staat aan verzuim, vergeleken bij de overrijke studiën die men in Luthersche kringen aan Luther gewijd heeft.
Zoo zond Prof. Biesterveld thans weer een studie over Calvijn als Bedienaar des Woords in }iet licht, niet om dit onderwerp uit te putten, maar om er als met den vinger op te wijzen, welk een goudmijn ook hier nog school.
Eerst verzamelde hij daartoe een reeks uitspraken, waarin Calvijn zijn gevoelen zegt over de beteekenis van de Bediening des Woords. Daarna kenschetst hij de beteekenis, die aan Calvijn als prediker moet worden toegekend. In een derde hoofdstuk geeft hij, voor wie niet op de hoogte is, nog eens een bibliographisch overzicht van Calvijns predikatiën. En alsdan tot zijn eigenlijk onderwerp komende, bespreekt hij achtereenvolgens de signatuur, den stijl, het Schriftuurlijk karakter, den inhoud, en den actueelen tint van Calvijns prediking. Een conclusie besluit deze studie, waaraan dan als bijlage drie predikatiën van Calvijn en wel over Job 5 : 17, 18, Efese 4: I, 12 en Hebr. 13:13 worden toegevoegd.
Het gevaar van Calvijn te willen nabootsen, wat in onzen tijd op een uiterst bedenkelijke opvatting van de Bediening des Woords zou uitloopeu, snijdt hij zelf in zijn conclusie af, waar hij o. a. zegt: p. 143, 144.
Of wij dan Calvijn als modelprediker ter navolging voorstellen ? Op deze vraag is ons antwoord ontkennend. En wel om de eenvoudige reden dat Calvijn in alle opzichten een zoo geheel eenige plaats inneemt, dat er van navolging geen sprake kan zijn. Wat bij hem een deugd is zou bij een ander een groot gebrek zijn, Hoe zou men een man van zoo genialen aanleg, van zoo reusachtige kennis, van zoo diep inzicht in de Schrift als model kunnen voorstellen voor ons die hoe langer wij op zijne figuur staren, te meer van eigen kleinheid overtuigd worden ?
Hij kon zonder vaste methode, waar wij die leiding niet kunnen missen. Hij behoefde die vorming niet, die gewone menschen wel noodig hebben. Zal men bv. kunnen zeggen dat het als regel aanbeveling verdient zich niet voor zijne preeken voor te bereiden ? En toch Calvijn deed dat niet, tenminste niet zooals wij dat gewoon zijn op te vatten, in vele uren van afzondering mediteeren over den tekst, om na ernsrige studie en meditatie de preek samen te stellen. Maar waarom deed Calvijn dit niet. Om tweeëlei oorzaak. Vooreerst hij kon dit niet doen, daar God hem tot zoovele werkzaamheden en zoo gewichtige riep, dat er geen tijd overschoot. Maar dan ook — hij behoefde dat niet te doen, daar zijn God hem zoo i ijke gaven geschonken had dat zijne improvisatien rijker aan gedachten en logischer in gevolgtrekkingen zijn dan menig weloverdachte preek. Men ga vrij improviseeren zonder veel voorbereiding, als men even geleerd is als Calvijn, en even zoo goed de taal weet te kneeden als hij! Men improviseere als men met een goed geweten kan zeggen even weinig tijd voor voorbereiding te hebben, als deze reformator! En wie zal dat kunnen zeggen ?
Ernstige voorbereiding voor 'den Dienst des Woords, naar den ouden regel: quatn plurimum scribere, en straks vrijelijk het weldoordachte' en gerijpte der gemeente voorstellen, als welde het zoo pas als een frissche stroom in ons op — ziedaar wat bij alle dienaren des Woords aanbeveling verdient.
Hetzelfde geldt van zijne methode van preeken. Hij is streng analytisch, heeft geen plan, bekommert zich niet om thema of verdeeling. Wederom, als men het zóó kan, mag alles! Maar wie kan dat of het wordt een chaos waarin niemand orde scheppen kan. De streng analytische methode heeft voor, dat de Schrift goed tot haar recht komt, maar tegen, dat zoo licht de eenheid te loor gaat. De streng synthetische methode weer leidt licht tot mottoprediking en loslaten van de gedachte van den tekst. Daarom moet niet absoluut tusschen beide methoden gekozen, maar aan elke pjreek de eisch gesteld worden der juiste analyse, het ontvouwen van het Woord Gods, en der echte synthese, de eenheid van gedachten. Het plan, de orde, de propositio, thema en verdeeling moeten in den gewonen regel den toets van de voorschriften der logica en der aesthetica kunnen doorstaan.
Wel ter dege moet bestudeering van de regelen van Rhetorica en Homiletiek eisch blijven voor eiken Dienaar des Woords. Ook voor de uitoefening van den Dienst des Woords sluit de Heere God zich aan bij hetgeen door hem in des menschen natuur is gelegd. Van zelf moet ook hier het eigen karakter der predikkunde gehandhaafd, en wat de Rhetorica leert over inventio, dispositio, elocutio enz. in het licht des Geestes en der Schrift worden beoordeeld en toegepast. Veel zal er dan moeten vallen, maar veel kan er ook dan worden gebruikt.
In al deze dingen moet de Dienaar des Woords geoefend zijn, opdat juist het Woord door al de poorten van het menschelijk leven in ons binnendringe; zoowel langs den weg van het verstand als langs den Weg van den wil.
Calvijn versmaadt deze vormen dan ook niet, gelijk uit heel zijn opvatting van het verband tusschen natuur en genade ook v/el volgen moet.
Maar in het toepassen der regelen is hij niet als model te nemen, en we zagen hoe dat komt.
Dit drukt ook ons gevoelen uit.
Alleen zouden we er aan willen toevoegen, dat een Bedienaar des Woords, die in zich niet de kracht gevoelt, om aan de hooge eischen van een rijke, pakkende, stichtende, heiiigende, vertroostende prediking naar systematischen regel en in hoogen stijl, te voldoen, nog altoos zijn gemeente verder zal brengen, indien hij, als Calvijn, eenvoudig hoofdstuk na hoofdstuk, en boek voor boek, aan zijn gcineente uitlegt, met korte toepassingen, dan dat hij week aan week ongeveer altoos dezelfde generale en overbekende', gronddenkbeelden naar aanleiding van een beperkt aantal wel eenigszins afgepreekte teksten, behandelt.
Stellig beantwoordt zulk analytisch j Bijbellezen" niet aan de hooge eischen der lï , 'miletiek, en op den duur zou het voor u..' gemeente niet genoeg zijn.
Maar het zou althans de gemeente weer in heel de Schrift inleiden, en haar rijken inhoud voor haar ontvouwen.
Zelfs de dagelijksche lezing der Schrift in de gezinnen zou er bij winnen.
Juist met het oog daarop verheugt ons dan ook deze studie, die dit Schriftuurlijk karakter van Calvijns predikatie weer in het heldere licht stelt.
Thans vreest menigeen, dat zoo eenvoudige analytische prediking goed voor een oefenaar, maar beneden de waardigheid van een prediker is.
Nu Prof. Biesterveld hier weer in een zoo boeiend geschreven studie laat zien, hoe een Calvijn zulk een wijze van prediking niet beneden zich achtte, zal men allicht weer moed krijgen om het aan te durven.
Natuurlijk niet om onvoorbereid als Calvijn op te treden; want gelijk Prof. Biesterveld zeer terecht opmerkt: Quod licet Jovi non licet bovi.
Maar wel om eens wat meer op den rijkdom der Schrift dan op den rijkdom van eigen vinding te vertrouwen.
En, ons dunkt, wie dat eens drie jaren lang deed, zou derwijs uit de Schrift doorvoed worden, dat hij daarna allicht weer van wal zou durven steken.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 24 oktober 1897
De Heraut | 4 Pagina's