Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Maar één ?

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Maar één ?

4 minuten leestijd

AmsUrdam, 17 Dec. 1897.

Het is geen gelukkige trek in ons Nederlandsch karakter, dat we tot zelfs van het teederste en heiligste een onderwerp van dispuut maken.

Ge kunt niets noemen, van niets een voorstelling geven, voor niets een plan opperen, of aanstonds staan er anderen op, die uw plan afkeuren, en er het hunne voor in de plaats willen zetten.

Natuurlijk steekt ook hier iets goeds in. Het vrijwaart ons tegen de gevaarlijke theorie der jabroers. Het geeft u het profijt van scherpe critiek. Het dwingt u, om u zelven tot in de deelen en onderdeelen rekenschap van uw doen te geven. Het voorkomt overhaaste stappen. Het is tegengif tegen oppervlakkigheid.

Maar met dit al, er ligt ook een kwaad in.

Dit kwaad, dat men de zaak waarom het gaat uit het oog verliest, en al zijn kracht richt op het gelijk-krijgea.

Een drenkeling ligt in het water te spartelen. Vaar er met een schuit naar toe, zegt de één. Neen, zegt de ander, ge moet hem een touw toewerpen. En nu staan ze met hun beiden over touw en schuit honderd uit te redeneeren, en onderwijl gaat de drenkeling kopje onder en verdrinkt,

Djocjo of Poerworedjo?

Ge zult de toepassing verstaan.

Eindelijk is er dan toch een opwaken onder de Gereformeerden in Nederland gekomen, om het werk der Zending in onze Koloniën met kracht ter hand te nemen.

Vroeger werd de liefde voor de Zending onderdrukt, doordien ze niet aangepast was aan onze Nederlandsche Gereformeerde toestanden en beginselen.

Nu dit ook maar even, en nog pas zeer in beginsel geschied is, boog aanstonds de halm zich op.

Er kwam belangstelling, er kwam offervaardigheid.

En als om te toonen, dat het ons waarlijk niet om stijf dogmatisme was te doen geweest, werpt zich aanstonds veler liefde op de medische Zending.

Dr. Scheurer blijkt de rechte man op de rechte plaats te zijn.

Bij veel dat terneersloeg en bedroefde, zijn de berichten die van zijn werk komen, een oase in de woestijn.

Ir is aandrift, er is geestdrift.

J ien weg moet het uit.

Croote gaven komen in, een bloeiende veiceniging slaagt.

Nu, zou ieder zeggen, zal het toch een ee parig werk worden. AI het volk zal juichen. Voorstanders van de vroegere en voorstanders van de nieuwere methode zullen de handen ineenslaan. Het werk zal gedijen, en God zal het zegenen.

Maar wie zoo dacht heeft buiten den w ard van ons Nederlandsch karakter gerekend.

Het zou fteel anders loopen.

Een hospitaal, goed, daar viel niets tegen te zeggen; maar men zou nu eerst eens als kemphanen gaan vechten over de vraag, waar dat hospitaal komen zou.

Ia Djocjo zegt de één. Dat nooit, roept aanstonds de ander, Poerworedjo zal het hebben, of het zal er niet zijn,

Menschelijk, zoo ge wilt, maar ook naar de weegschaal van het Heiligdom?

Liever nog twee jaren het hospitaallaten uitblijven, en twee jaren lang al den zegen derven, dien het brengen kon, dan dat men zijn gevoelen zou prijsgeven.

Mogen we een vraag doen ?

Nederland heeft vijf millioen inwoners, Java ruim vijfmaal zooveel. Denk u nu Nederland en heel België saam, en neem dat alles nog eens dubbel zoo groot. En stel u nu voor, dat er sprake van was een hospitaal op te richten, en dat de één zei: Het moet te Groningen staan, en dat de ander riep: Het moet in Gent komen. Zou dan toch een verstandig man u niet met den lach der bevreemding aanstaren, niets van u begrijpen, en u zeggen: Vriendlef, waarom niet in Gent én Groningen? Ze hebben het beide zoo broodnoodig. En als ge nog in twee andere plaatsen et bovendien een vestigdet, ware het heuse' , nog niet te veel.

En zoo ook hier.

Zou het 1 et vroeder, zou het niet heiliger gezind, zou het niet meer Godverheerlijkend zijn, ., ls we deze onze vreemde disputen staak en, en de handen ineensloegen, en onzen ijver verdubbelden, en als één man uitriepen.: Er zal er én ia Djocjo én in Poerw redjo één zijn.

H l is een vraag.

Niets meer.

Maar eea vraag tot de consciëntie der broederen.

Wat zal het antwoord zijn?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 19 december 1897

De Heraut | 4 Pagina's

Maar één ?

Bekijk de hele uitgave van zondag 19 december 1897

De Heraut | 4 Pagina's