Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Uit de Pers.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de Pers.

10 minuten leestijd

Over Da Costa, en wat na hem kwam, schrijft Ds. Gispen naar zijn fictie:

In de vorige week is door onderscheidene bladen in herinnering gebracht, dat op 14 Januari 1798 da Costa geboren werd.

Het schoone artikel van de Standaard, waarin dit feit in herinnering wordt gebracht, hebt gij zeker ook gelezen.

Da Costa was een man dien men, in Oud-Testamentische taal, een man Gods mag noemen. Dat Joodsche kindeke was door God verkozen om een profetische roeping voor Nederland te vervullen.

Hij heeft dichterlijk voor de waarheid gestreden en van de waarheid getuigd, maar, gelijk hij 't zelf noemt: «waarheid uit den hemel". Hij is niet opgevoed in de waarheid. Hij heeft de waarheid niet in de scholen geleerd. De waarheid is hem uit den hemel geopenbaard. Zijn Goël heeft hem gezocht, toen da Costa niet naar zijn Goël zocht. Da Costa heeft zijn Goël gevonden. Hij zag Hem. En toen hij Hem zag, heeft hij zich overgegeven.. Toen week de hel, en de hemel ging in zijn ziele op, door het licht des Heeren.

Toen wij kinderen en jongelieden waren, hebben we da Costa, die toen reeds een man van gevorderden leeftijd was, meermalen gezien en hooren spreken. Op straat hem tegenkomend liepen we hem een eind weegs achterna, om hem goed op te nemen, want we zagen in hem een man Gods. We hadden dat gehoord van onze ouders en andere oude menschen. Da Costa ziende, dachten we altijd aan David, Jesaja en de voornaamste mannen uit het Oude Testament.

Het was toen de tijd van het «absolute", zooals de Standaard-het uitdrukte. Een mensch, in wien het werk Gods openbaar werd, en die vroeg naar de oude paden, was een groote zeldzaamheid; een rariteit in het midden van een eeuw, die beheerscht werd door de idee van het liberalisme in kerk en staat; een eeuw die zwom in de zegeningen, welke de «Maatschappij tot nut van 't algemeen" over de «ontwikkelden" en «het volk" uitgoot: de eeuw, waarin de liberale dominees stichtelijke boekjes schreven voor «beschaafde Christenen uit den fatsoenlijken stand".

In dien tijd viel ook de eerste periode van de Afscheiding. De openbare meening was zoowel tegen da Costa als tegen de Afgescheidenen. Da Costa werd wel niet beboet en in den kerker geworpen, maar toch stond er politie voor da Costa's woning, om te zien wie hem bezochten, en de namen, als die bekend waren, aan de hoogere autoriteiten op te geven. Mevrouw Brumrnelkamp heeft mij later verteld, hoe zij, onder den druk en het lijden van die dagen, oogenblikken had van hoop op betere tijden, en dan tot haar echtgenoot zeide : «Man, wat zal het ons vreemd wezen, als we eens weder onder de menschen gerekend worden!" Waarlijk, het was toen de tijd van het absolute.

God werkte krachtig en wonderbaar in de harten der menschen. Die «oudere tijdgenooten", staan daar nog voor onzen geest, in de kleeding uit de eerste helft dezer eeuw ; en we hebben vaak moeite om ons te bedwingen, opdat onze mond niet zegge: zulke menschen Gods, zulke Christenen leven er nu niet meer!

Maar het werk Gods kunnen we niet naspeuren of doorgronden. Er is een planten zoowel als een natmaken op den akker des Heeren. Jesaja moest eerst zijn, daarna Paulus. En als men dan de profetieën van Jesaja met de brieven van Paulus vergelijkt, ziet men, dat Paulus over dingen, over allerlei bijzonderheden van het echtelijk, huiselijk, maatschappelijk leven spreekt, die Jesaja niet aanroert. En toch is Paulus de grootste Apostel, gelijk Jesaja de koning onder de profeten is.

Da Costa's geest was niet aangelegd op het Calvinisme, op de Gereformeerde dogmatiek en het Gereformeerde kerkwezen. Dat Joodsche kindeke is opgegroeid tot een Joodsch man. En die Joodsche man heeft, niet zoozeer door de kerk of door het ambt, maar door den ambteloozen, vaderlijken vriend Bilderdijk, den Messias leeren kennen. En toen de Messias hem en hij den Messias gevonden had, werd da Costa eerst waarlijk Israëliet, Israëliet als David en Jesaja. Was hij niet uit den stam van Benjamin, evengoed als Paulus?

Niet de herstelde Gereformeerde kerk met Belijdenisschriften en Kerkorden uit de i6e eeuw, en P juridische verbintenissen aan de Confessie, maar: y> gansch Israel's herleving'" was het, wat da Costa'su harp bezielde, zijn dichtkunst gloed gaf en leven.

De historie, de politiek, de sociale nooden, alles bracht hij onder het gezichtspunt van gansch Israels herleving". Want de herleving van «gansch Israël stond in nauw verband met de wederkomst van den Messias, den Koning der Joden en Heer der gemeente, de spruit uit Jesse's stam, den Koning voor Wien alle koningen eens zullen buigen, en aan Wiens voeten de genieën al hun gaven en al hun heerlijkheid eens zullen nederleggen. Dat zal ook zijn de redding der natiën, en de redding der nationale kerken ; want te dien dage zal de Heere één zijn en Zijn naam één over de gansche aarde.

Met Groen streed da Costa over de juridische opvatting der oude Belijdenisschriften en, in verband daarmede, over de middelen en de wegen tot kerkherstel; en met de Afgescheidenen over het geoorloofde en noodzakelijke van separatie. Afscheiding als te Kampen was voor da Costa de dood der verstijving ; afscheiding als te Rotterdam de dood der ontbinding.

Een eigenlijke school heeft da Costa niet nagelaten, maar wel een talrijke, geestelijke familie.

Spaart God ons nog eenige jaren in dit leven, dan zullen wij menschen kennen uit drie onderscheiden eeuwen. Menschen uit de i8e, 19e en 20ste eeuw. Van de laatsten zullen we dan wel niet veel meer zien. Maar ook zullen deze in ons niet veel belang stellen.

En ook zullen wij, afgaande op den indruk, dien wij tot hiertoe van het leven ontvingen, meer belang blijven stellen in de menschen die geweest zijn, dan in degenen die komen zullen. Want de eerste indrukken, die wij ontvingen, waren ook nog uit het «absolute", dat in de dagen onzer jonkheid de godvruchtigen bezielde en zooveel kracht in hun leven ontplooide. Het meer systematisch denken en handelen hebben we eerst op later leeftijd leeren kennen en waardeeren, en we hebben ons zelven pogen te overtuigen van het noodzakelijke en onvermijdelijke der organisatie aller dingen.

Waren de menschen of de Christenen volmaakt, dan zouden er ook geen tegenstellingen in het leven zijn, die in voortdurende botsing verkeeren. We zouden het organische en systematische in alle Gods werken, zoowel in de genade als in de natuur, klaarlijk doorzien, en er ons, met onuitsprekelijke zaligheid in verblijden. Maar nu dit niet zoo is, ziet de een vrijheid en absolute daden Gods; en de ander ziet de gebondenheid aan de wetten van het denken en het regelmatige in alles, wat God doet.

De een legt allen nadruk op de onmiddellijke inspiratie, op de plotselinge, in het leven ingrijpende daad Gods; terwijl de ander alles naspeurt, de fijnste vezelen van het leven, in genade en natuur, ontleedt, en het organische in al Gods werken ontdekt.

Dat een en ander beheerscht het leven en den tijd. De geestelijke familie van da Costa maakt, onwillekeurig, en zonder zich er van bewust te zijn wellicht, systeem van het onsystematische. Haar systeem is, geen systeem te hebben. En dat systeem verdedigt ze soms heftiglijk.

Op denzelfden dag dat da Costa geboren werd, is ook Thorbecke geboren. Meermalen ben ik te Zwolle in het geboortehuis van Thorbecke geweest, en meermalen dacht ik dan aan den man, die da Costa deed spreken van Thorbeckiaansch marmer.

Welk een tegenstelling tusschen gevoel, verbeelding, heldenmoed, en hard, kil, koud marmer! Jrïaar zoo is het leven, onder het aanbiddelijk Godsbestuur.

Wij hebben ons moeten wennen aan organisatie, aan regelingen op allerlei geestelijke zaken, en het is zeer de vraag, of wij er ooit goed aan zullen wennen ; want telkens voelen we neiging om terug te zien naar den tijd, toen het absolute nog zoo grooten invloed oefende; begeerte om nog eens te kunnen spreken met de dooden, en hun te vertellen, hoe alles na hun verscheiden gegaan is, en hoe nu alles organisch en regelmatig geschiedt. Met de jongei-en kunnen we dat niet zoo doen, want die kennen het verleden alleen uit berichten. Zij hebben niet gesien, en vinden alles nu veel beter, dringen steeds op meer regelingen en systematische organisatie aan, op elk gebied, voor kerk, staat en maatschappij. Geef ons wetten, regelingen, organisatie, altijd meer en volkomener, dat is de bede aan het einde dezer eeuw.

Hierin, in dit heden, ligt wat in de toekomst wezen zal.

Er is, in één opzicht: richting en leven ; maar in een ander opzicht ook weder leven en richting.

En hoe meer we dit begrijpen, hoe beter we ook waardeeren kunnen.

Leven zonder richting loopt op vervloeiïng, op wegvloeiïng uit. En richting zonder leven is gelijk aan een kostbaar en kunstig gegraven kanaal — zonder water.

En daarom, moeten we op de teekenen der tijden letten en niet wijzer willen zijn dan God. In Gods werken is leven het eerste, daarna organisatie, want in het leven zelf ligt het organische.

En wij menschen hebben de tijden en gelegenheden in onze macht. Het organiseeren en regelen is onze taak. En wanneer wij daarmede ten allerlaatste weder bij den dood aankomen, wijl wij niet scheppen kunnen, is het onze God, die zijn werk in het leven houdt in het midden der jaren, en het absolute weer openbaart voor de oogen der menschenkinderen. Zoo zal het zijn eeuw na eeuw, en zoo zal het volk des Heeren bewaard blijven bij de belijdenis, dat alleen bij God is de fontein des levens, en dat we in Zijn licht het licht zien.

Slechts tegen ééne uitdrukking in deze teekening hebben we bedenking. Aan Da Costa zou naar zijn eigen voorstelling „de waarheid uit den hemel geopenbaard zijn", zoo staat er in den aanhef.

Dit nu doet onwillekerig denken aan wat met Saulus geschied is. En daarom leidt zulk een uitdrukking er toe, om óf aan het gebeurde met Saulus zijn realiteit te ontnemen, óf Da Costa als een voorwerp van waarheidsinspiratie voor te stellen.

Nu bedoelde natuurlijk Da Costa noch het één noch het ander.

Het exceptioneele in Da Costa, en de zijnen, was niet dat hun op buitengewone wijze een deel der waarheid geopenbaard is. Die hebben ook zij geheel uit de Schrift door de kerk ontvangen. Maar dit is het wondere in hun leven, dat in hun bekeering de onmiddellijke aandrijving des Geestes zoo bijna alles deed, en het middellijk werk van den menschelijken factor zoo miniem was.

Doch, afgezien hiervan, is het volkomen juist gezegd: Na den stoot, dien God bijna rechtstreeks geeft, komt de organisatie, maar die organisatie loopt ten slotte toch weer spaak, tot God opnieuw den stoot des Geestes herhaalt. En nu is het Christenplicht, om, niettegenstaande we dit vooruit weten, toch rusteloos in dien menschelijken factor dóór te werken.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 30 januari 1898

De Heraut | 4 Pagina's

Uit de Pers.

Bekijk de hele uitgave van zondag 30 januari 1898

De Heraut | 4 Pagina's