Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Onze Eeredienst.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Onze Eeredienst.

12 minuten leestijd

XVIII.

Kunst die bij den eeredienst iets anders wil dan dienen, eindigt onwillekeurig met te gaan hcerschen, en komt, dank zij die heerschappij, ten slotte tegen het doel en karakter van den eeredienst over te staan.

Onder de Roomsche hiërarchie heeft de kerk de nadeeligc gevolgen hiervan telkens ondervonden; reeds wezen we er op, wat misbruik in vroeger eeuw op die wijs insloop; thans een aanhaling, waaruit blijken moge, dat een ernstig, vroom man, die zelf onder de hiërarchie leeft, dit misbruik als nóg voortwoekerend betreurt.

In de Katholieke Gids toch liet nog onlangs M. V. zich aldus uit:

Hebben niet heilige, verlichte, door God met gezag bekleede mannen herhaaldelijk en krachtig hun stem verheven om recht te spreken waar onrecht te zegevieren dreigde ? Hebben niet eminente, van God hoog begenadigde kunstenaars zich opgemaakt om, der wereld oordeel niet achtende, moeite noch strijd vreezende. te doen triomfeeren de vlekkelooze kunst der Kerk, hare schoonheid te doen uitschitteren, haartetoonen in hare sublieme heerlijkheid, hare wondere bekoorlijkheid, hare Goddelijke macht over menschenzielen aan allen, wier gansche liefde het wereldsche had?

Maar velen vermochten niet te begrijpen de vorstelijke schoonheid dier hemelmelodieën, den aanbiddelijken eenvoud en toch zoo onuitputtelijken rijkdom der zielezangen — toen hebben ze zich afgewend van het heilige om het onheilige te gaan dienen, eeredienst, die niet vorderde zwaar offer van hoogmoed en eigenwaan, eigenliefde en zinnelijk welbehagen; het begeesterend „sursum corda" was voor hen vergeefs gesproken.

Want is dit niet het kleinzielig doen van velen onder hen, aan wie, helaas, in onze kerken de leiding van het koorgezang is opgedragen ? Geven zij zich niet voortdurend de grootste moeite om de profane muziek, de pronkende, pretentieuze dame du monde, zoo gracielijk mogelijk de kerk binnen te leiden en getroosten zij zich voorde gewijde muziek, de eigen, hooggeboren dochter der Kerk wel de geringste opoffering?

„Oremus" laat ons bidden, vermaant de prieser aan het altaar, terwijl de zangers schijnen it te roepen: „laat ons schitteren, pralen met igen knapheid, laten wij afleiden de devote andacht dier knielende menigte van het gebed, an den zoeten omgang met God, opdat zij ons oore, ons bewondere, en de door ons vertolkte kunst !"

Wat wordt er onder zulke leiding van den unstsmaak der zangers wat van hun eerbied

voor de heiligheid van Gods huis, wat van hunne nederigheid en bescheidenheid in de tegenwoordigheid des Heeren, wat van hunne gehoorzaamheid des Heeren, wat van hunne gehoorzaamheid aan de voorschriften der Kerk, aan de vermaningen der hooge kerkehjke Overheden, wat eindelijk van hunne opvatting van de roeping eens kerkzangers?

Veel gereeder dan men gemeenlijk waant, erkennen de ernstige Roomschen al zulk soort insluipend misbruik. Als er op zulk een misstand door een tegenstander gewezen wordt, om er een schampere conclusie tegen de kerk onder Romes hiërarchie uit te trekken, moge men van die zij zich scherp zetten, op zich zelf ontsluit de ernstige Roomsche zeer wel zijn oog voor soortgelijk gebrek, en wordt de toorn er tegen, gelijk in bovenstaande aanhaling, kwalijk ingehouden.

Alleen maar „misbruik heft gebruik niet op", roept men u tegen, en acht daarmee zijn standpunt, dat de kerk geroepen is om de kunst in haar heiligdom te wijden, en de kunst ook in de kerk zelve Gode toe te wijden, onverlet te kunnen handhaven.

Hierin ligt dan ook dit juiste, dat men nimmer door op misbruik te wijzen een heerschende overtuiging ontwortelt, of een bestaande gevi'oonte ontwricht.

De verhouding waarin kerk en kunst zich tot elkander plaatsen, wordt behcerscht door de algemeene overtuiging die we koesteren omtrent de verhouding tusschen de particuliere genade en de gemccne gratie.

Lost men dit in de hoogere eenheid der kerk op, zoodat ook het kunstterrein op heilig erf komt te liggen, dan is ér geen ontkomen aan de consequentie, dat de kunst eerst dan haar ideale standpunt bereikt, als de geest der kerk haar verheft en wijdt, en dat omgekeerd de kunst evenals elke andere levenskracht geroepen is, haar tribuut te leveren voor de verheerlijking van God in zijn heiligdom.

Zij die onder Protestanten met de idee van de Volkskerk dwepen, maken zich dan ook aan groote inconsequentie schuldig, zoo ze de kunst door secularisatie tot bloei willen doen komen.

Op hun standpunt, gelijk we dat in onze artikelen over de gemeene gratie aanwezen, moesten ze Romes meening over de kunst zijn toegedaan; en het is dan ook opmerkelijk, hoe in de Engelsche Staatskerk, onder den invloed der Ritualisten, deze Roomsche zienswijze steeds meer veld wint.

Zij daarentegen, die met ons belijden, dat de kunst haar levenssfeer vindt in de gemccne gratie, en het terrein der kerk tot de particuliere genade bepalen, kunnen niet anders oordcelen, dan dat de kunst zich vrij en onafhankelijk behoort te ontwikkelen, en dat in haar emancipatie van alle niet bij haar aard hoorende invloeden, de voorwaarde voor haar bloei ligt.

Dat dit haar tot uitspattingen zal verleiden, valt niet te miskennen. De zonde tast alles aan, en het bederf van het beste heeft steeds tot de ontwikkeling van het slechte geleid.

Tegen die ontaarding en verbastering der kunst dient dan ook een rusteloos protest uit te gaan. Maar onzerzijds beantwoorden we deze tegenwerping met hetzelfde argument waarmee men ons afwees. „Misbruik heft ook hier het gebruik niet op."

Ook is het onjuist, dat de kunst, dank zij deze emancipatie, haar geschiktheid zou verliezen, om zich op het heilige terrein te bewegen. Niets verbiedt haar dit. En juist dan als ze zich zelve wijdt, en op heilig terrein beweegt, niet ter wille der kerk, maar uit eigen hooger aandrift, grijpt ze naar haar ideaal.

En dit zoo zijnde, blijven wij in ons volle recht, om op het erf der kerk in de eerste plaats voor het zuiver houden van het religieuse element te waken. De religie is en blijft binnen de wanden der kerJc hoofdzaak. Om aanbidding, om ziclsverheffing, om vertroosting onzer harten, om heilige impulsen is het in het huis des gcbeds te doen. En deswege moet alle regel die op het gebied der kerk zal gelden, aan die hoofstrekking van den eeredienst beantwoorden.

Hieruit volgt, dat ook de kerk zeer zeker de kunst gebruiken mag en moet, en haar te onderschatten of gering te achten, of, erger nog, te bannen, ware miskenning van een kostelijke rijke gave Gods.

Maar dit gebruik van de kunst mag nooit verder gaan, dan het doel van den eeredienst toelaat, en zoodra een meerder gebruik den eeredienst onder de macht van de kunst zou brengen, en tengevolge van de min heilige motieven die in haar bestaan gemengd zijn, tegen het doel van den eeredienst zou reageeren, is het plicht der kerk, de kunst tot de orde te roepen.

Ongetwijfeld heeft ook de kunst den naam des Heeren te verheerlijken. Dit is zoo met elke levensuiting in gezin en maatschappij, in bedrijf en handel, in wetenschap en kunst. Al wat in ons menschelijk leven buiten zonde werkt, is gave Gods, gevloeid uit Hem, van Wien alle goede gave ons is toekomende; maar hieruit volgt in het minst niet, dat het de offerande Gods in de vergadering der geloovigen heeft te brengen.

De kunst brengt Gode haar offerande als ze haar doel bereikt, om ons te verheffen boven de matte werkelijkheid, de idealen van een vroegere werkelijkheid voor ons belichaamt, het optimisme in ons aankweekt, ons troost, ons bezielt, ons in de stemming der bewondering brengt, en het zichtbare besprengt met den doop des Geestes.

Maar dat alles moet ze doen dank zij haar inneriijke kracht, en niet door als priestcresse in het heiligdom op te treden.

De kunst heeft haar eigen tempel. In dien tempel moet ze haar wonderenwerken. En ze zou zichzelve onteeren, indien ze vergeten kon, hoe juist de heerlijkste ent-werpen het hoogste motief aangeven voor haar ontplooiing.

En verwerpen we uit dien hoofde de stelling dat de kunst, opdat ze bloeie, haar plaats in het heiligdom moet vinden, wij dringen haar uit religieuse behoefte van de plaats der heiligheden terug, zoodra ze zich vermeet op heilig erf te gaan heerschen, en voor zich zelve een eere zoekt, die in het bedehuis Gode alleen toekomt.

Verachtelijk is in ons oog de prediker, die in den Dienst des Woords zichzelven bedoelt en na gepredikt te hebben, zich niet afvraagt, of hij de zielen tot God opgeheven, getroost, en gezegend heeft, maar naar alle kant onderzoek doet, of zijn predikatie niet schoon v/as, niet boeide, en zijn naam als prediker niet verhief.

Predikers, bij wie dit gewoonte werd, moest men afzetten. Althans indien ze na ernstig vermaan, deze zonde van hun ambtelijke bediening niet bestrijden wilden.

Wie als prediker niet de eere van zijn God, maar eigen eere zoekt, is een onheilige figuur op den kansel.

Maar hoeveel te ernstiger dient dan niet getoornd, als de kunst, die^t'^zambtelijken dienst in het heilige heeft, zich vermeet om in Gods huis heerschappij te gaan voeren. Als ze de zielen van God af, naar zich lokt. En ten slotte zich niet ontziet, om ongewijde sujetten binnen te leiden, die voor geld en goede woorden hun kunst, en vaak hun onheilige kunst in Christus' kerk komen uitstallen, opdat de roep van hun naam uit opera en kerk om strijd vi'eerklinke.

De regel moet daarom stiptelijk gehandhaafd, dat de religie te bepalen heeft, in hoever de kunst wel, en in hoever de kunst niet in de vergadering der geloovigen zal worden toegelaten, en de kerk heeft dien regel te bepalen naar den aard van het geestelijk leven.

Die aard van het geestelijk leven nu leert ons, dat de kunst niet anders kan doen, dan aandoeningen in ons opwekken, en dat deze aandoeningen tweeërlei zijn. Of wezenlijke aandoeningen óf schijnaandoeningen.

De tooneelspeler toont u het verschil tusschen beide duidelijk.

In het werkelijke leven zult ge een aangegrepen gemoed nu eens in toorn, dan in jubel, nu eens in liefde, dan in haat zien uitbreken. En de realiteit, de innerlijke waarheid van zulk een gemoedsuiting heeft altoos iets dat u boeit.

De tooneelspeler daarentegen vertoont u wel gelijksoortige ontboezemingen, en bootst die zelfs in houding, gesticulatie, blik en toon van de stem na, maar bij hem zijn die aandoeningen niet werkelijk. Ze komen bij hem niet uit het gemoed op, maar hij werkt er zich een oogenblik in, om goed te kunnen spelen. Wie het daar het verst in bracht, speelt het best. En sommigen slaagden hierin voor een oogenblik zoo wonder wel, dat ze zich moesten inhouden, om niet aan te vallen op een persoon tegen wien ze hun haat en toorn en wraakzucht uitspraken of uitzongen.

Maar met dit al zijn en blijven dit altegader jt/^yV/aandoeningen, en als straks het gordijn is gevallen, en de gewone kleedij weer aangetrokken is, ziet ge dezelfde personen, die een uur geleden tegen elkander raasden in woede, in vriendschappelijken kout saam genieten.

Zoo nu heeft alle kunst het vermogen, om zekere aandoeningen in ons te wekken, te leiden of te versterken, niet het minst de muziek.

Vandaar dat ge een prachtige kathedraal binnentredend, en de tonen van een heilige muziek door den gedempten lichtglans henen hoorend, onwillekeurig een heilige aandoening over u voelt komen. Zelfs wereldlingen gaven er meer dan eens getuigenis van, hoe ze op zulk oogenblik roerselen in hun hart voelden opkomen, waaraan ze waanden voorgoed te zijn afgestorven.

De macht om heilige aandoeningen te wekken wordt alzoo allerminst aan de kunst door ons betwist.

Edoch, en hier ligt onze bedenking, de aldus gewekte aandoeningen zijn schijnaandoeningen. & /zi; «aandoeningen van een heilig karakter. Stemmend tot aanbidding.

Maar het blijven jc/^ywaandoeningen, die als zoodanig niet uit het hart opkomen, maar door muziek en glans en wierookwalmen in het hart worden ingetooverd.

En dit nu is met het wezen der religie in strijd.

„Wie aanbidden wil moet aanbidden in geest en ivaarkeid, " en juist tegen dat in geest en waarheid staat de vrome schijnaandoening lijnrecht over.

Zulk een schijnaandoening geeft aan het gemoed wel een zoete gewaarwording, maar ze went er tevens aan, zich in een aanbiddende gestalte te denken, zonder dat er aanbidding in het hart is. Aldus verwijdt het de klove tusschen onze levensuiting en ons innerlijk leven, en moet eindigen met ons vroom karakter niet te stalen en te sterken, maar te ondermijnen en te verzwakken.

En het is hierom dat het Calvinisme, dat steeds doordrong naar waarheid in het gemoed, er liever toe overging om opzettelijke kunst wat hardhandig uit de vergadering der geloovigen te bannen, dan dat nogmaals deze betooverende werking der schijnaandoeningen in het heilige zou worden toegelaten.

Den laagsten toon van echte godsvrucht, die door den Heiligen Geest aan het hart v/erd ontlokt, stelde het hoog boven den luidsten toon van aanbidding, die ons uit koperen instrumenten in het hart, of ook maar enkel op de lippen werd getooverd.

We ontkennen daarom niet, dat een echte toon van wezenlijke godsvrucht door de kunst kan worden verhelderd en verder geleid, en in zoover de kunst zich tot dezen nederigen hulpdienst wilde leenen, heette ook de Calvinist de kunst in het heilige welkom.

Maar de uitkomst toonde helder, hoe de kunst bij monde van haar virtuosen voor zulk een hulpdienst in het heilige zich te hoog gevoelde. Op die voorwaarde trok ze zich ijlings terug. En veel minder aan den onaesthetischen zin van het Calvinisme, dan aan de hooghartige hcerschzucht der kunst is het te wijten, dat zo almeer uit onzen eeredienst terugtrad.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 13 februari 1898

De Heraut | 4 Pagina's

Onze Eeredienst.

Bekijk de hele uitgave van zondag 13 februari 1898

De Heraut | 4 Pagina's