Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Onze Eeredienst.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Onze Eeredienst.

9 minuten leestijd

XIX.

De kerk heeft alzoo met de kunst haar profijt te doen. Ze mag de kunst, kunst. over mits deze eene gave Gods is, niet ignoreeren. Aan het hooge ideaal door de kunst gesteld mag ook de kerk zich niet onttrekken. Alleen maar in dit alles heeft de kunst te dienen, in de kerk mag niet anders Iieerschen dan de Religie.

De „beeldstormers" der zestiende eeuw zijn in hoofdzaak door de schending van deze wet tothun lakenswaardige buitensporigheden geprikkeld.

Wat hen dreef was geen roofzucht, want persoonlijk hebben ze zich uit den kerkschat niets toegeëigend. Ook bezielde hen geen Vandalisme, want particuliere woningen of civiele stichtingen zijn niet aangetast.

En evenmin waren ze in beginsel tegen de kunst, want wat buiten de kerk aan kunst bloeide, eerden ze.

Wat hen prikkelde was de heerschappij van de kunst in het heiligdom, en het terugdringen door die kunstheerschappij van het religieus element. De afleiding, zoo men wil, van den Schepper naar het schepsel.

Hun ongelijk bestond alleen daarin, dat ze: i**. zich eigenmachtig opwierpen als rechters en als uitvoerders van hun eigen vonnis; en 2". dat ze in plaats van te volstaan met een en ander uit de kerkgebouwen te verwijderen, het vernielden.

Intusschen valt niet te ontkennen, dat ook hier het ééne uiterste het andere heeft te voorschijn geroepen, en dat de overlading van de kerkgebouwen met te zeer heerschende kunstvoortbrengselen en kunstuitvoeringen, in smallen kring zekeren tegenzin tegen alle kunst, als bij reactie, had doen opkomen.

Gelijk er een richting is geweest, die zich den Heiland liefst voorstelde als een onooglijke verschijning met verdorven gelaat, en diezelfde richting er toe kwam^ in anderen vorm, heiligheid te zoeken in onooglijke kleedij en onschoon optreden, zoo ooic heeft in sommige streken een tijdlang de neiging geheerscht, om het kerkgebouw en al wat aan het kerkgebouw los of vast was, of er in voorviel, zoo onschoon mogelijk te maken. Grof en ruw het gebouw gebouwd, afzichtelijk geschilderd, slecht ingericht, zonder smaak of aantrekkelijkheid, koud, kil en afstootend; en in dat soort gebouw een prediking zonder hooger vormen, een zich bewegen zonder alle gratie, een zingen dat soms op keelknarsen geleek.

Dit was niet zoo bij geval, maar er lag tendens in.

Zooals de monnik zich opzettelijk speende aan al het schoone, gracicuse en sierlijke, en er schier op uit was, om in zijn natuurlijke verschijning niet te boeien, maar af te stooten, zoo hulde zich dit kerkelijk wezen letterlijk in de monnikspij. En wanende sterk antipapistisch te zijn, deed men niets dan een echt-Roomsche gedachte verwezenlijken, alleen niet de gedachte die in Romes kerk en bij Romcs Eeredienst, maar die in Romes klooster en bij Romcs ascese voorzat.

Gereformeerd nu is deze reactie evenmin als het overladen van den Eeredienst met kunstschoon. Beide én de overschatting én de onderschatting van de waardij van het schoone, is tegen den Calvinistischen regel.

Over het gebruik van beelden in de kerk kunnen we daarbij kort zijn.

Leefde Jezus nog op aarde, wandelden zijn apostelen nog in ons midden rond, dan zou vanzelf een ieder zich bij de schare voegen, die hun gestalte zien wilde. En hierin zou niets zondigs zijn. Het zondige zou alleen kunnen liggen in onverschilligheid voor hun optreden.

Is er onder ons een vader of moeder die ons lief was, heengegaan, dan is het gansch natuurlijk, dat men hun beeltenis, zoo men die bezit, in eere houdt, en gedurig aanziet, en uit den aard der zaak, zou dit eveneens van hun beeld gelden.

Bezat men hun beeld ten voeten uit, zoodat men werkelijk hun gestalte in dat beeld weerzag, zoo zou ieder onzer daaraan hechten.

Maar ztdke beeltenissen of beelden van de heilige personen bezitten we niet. Wat de kunst op dit stuk leverde, behoort niet tot het gebied der werkelijkheid, maar van de ideale voorstelling.

Toch zou ook dit nog geen overwegend bezwaar opleveren, zoo onze natuur er niet toe leidde, om van al zulke beeltenissen en al zulke beelden, misbruik te maken.

Want wel is er nooit in de Christelijke kerk een leeraar opgestaan, die aanbidding van beeltenis of beeld voorschreef of aanbeval en leert ook Rome nadrukkelijk, dat dit niet mag geschieden, maar de practijk druischt tegen die leer in. Wat tot het geestelijke en hemelsche moest opleiden, plaatst zich tusschen het hemelsche en ons in, - en bluscht den geestelijken glans in stee van dien te verhoogcn.

Het is deze overtuiging nu, die de Gereformeerde kerken, evenals in vroegere eeuwen de Oostersche kerken, tot de overtuiging bracht, dat het beter was de beeltenissen en de beelden der heiligen uit de kerkgebouwen te weren.

Ze veroordeelden daarom niet elk product van beeldhouwkunst, gelijk aan den kansel en op het orgel in onzen besten tijd vaak gebeeldhouwde figuren werden aangebracht, terwijl ze ook in het ornament allerlei producten van beeldhouwkunst gebruikt hebben; maar de beeldhouwkunst hebben ze niet in den Eeredienst gedoogd. Die Eeredienst moest geestelijk blijven. Er om heen kon ze, mits spaarzamelijk en sober, gebruikt worden, niet er in.

Over de schilderkunst oordeelden ze evenzoo. Men kon de schilderkunst niet in den Eeredienst aanwenden, zonder ook het beeld der heilige personen voor het oog te doen verschijnen, en zoo de schilderij dan sprekend en bezielend is, leidt ze tot hetzelfde misbruik. Hiermee is glasbeschildering, beschildering vanmuurvlakte en van orgelpancel volstrekt niet uitgesloten, en evenmin het optreden van de schilderkunst in het ornament, maar uit het centrum van den Eeredienst zelve is ze gebannen, niet uit weerzin tegen de kunst, want van Bijbels met gravuren hield men veel, en schilderijen uit de gewijde geschiedenis waren geliefkoosd, maar omdat men den Eeredienst streng geestelijk wilde houden, en zich door niets van het geestelijke wilde laten aftrekken.

De bouwkunst is wel terdege geëerd, en al stemmen we toe, dat het Calvinisme op dat terrein niet tot het ontwikkelen van een eigen type gekomen is, toch bewijst én de vorm der Koepelkerk én een kerk als de Westerkerk te Amsterdam, dat men ook op dat terrein allerminst de kunst verachtte of ignoreerde.

Had men dan ook niet bijna overal de bestaande kerkgebouwen in gebruik genomen, en was men verplicht geweest, allerwegen zelf te bouwen, zoo is er geen twijfel, of de kerkbouw zou een veel hooger vlucht hebben genomen. Nu was het bouwen van een nieuwe kerk een exceptie.

Grooter rol speelde dan ook de toonkunst, in zang en orgelspel.

Er moest gezongen worden, met of zonder muziekbegeleiding. Voor dat zingen had men xvijzen noodig, en die wijzen kon alleen de kunst scheppen. Dat heeft ze dan ook gedaan, en gedaan met zoo hooge vlucht, dat de componisten der eerste Psalmwijzen steeds meer blijken gansch geniale componisten van de eerste grootte te zijn geweest, die aan de toonkunst een nieuwe ontwikkeling gaven, waarvan de geniale grepen en uitvindingen nu nog in de toonkunst heerschappij voeren.

De studiën hierover van Douen stellen dit buiten twijfel.

Heel iets anders was het intusschen deze wijzen te componeeren, en heel iets anders haar richtige uitvoering te verzekeren.

De gemeente moest zingen, en in het noorden van Europa, waar het Calvinisme zich het sterkst uitbreidde, is het volk in den regel noch zuiver noch vast in den zang, en munt evenmin uit door welluidende stem.

Dit gebrek heeft men toen op tweeërlei wijs zoeken te beteren. Eensdeels door orgelspel in te voeren, anderdeels door een koor of een voorzanger te doen optreden.

Natuurlijk, ware het 't meest gewenscht, zoo men het orgel had kunnen missen.

Zuivere zang van enkel schoone menschelijke stemmen, staat verre boven het orgelspel, en het orgel treedt slechts op, om als de zang onzuiver of onvast dreigt te worden, hem te leiden.

Die leiding is echter aan den zang ook te geven door een koor, dat voorzingt, of door een voorzanger met vocale overmacht, die de gemeente meeneemt.

Tegen dit laatste bestaat echter de bedenking, dat zulk een voorzanger niet dan bij hooge uitzondering te vinden is, en zoo hij al gevonden wordt, te veel met zijn persoonlijkheid op den voorgrond treedt, en afleidt. En wel is een koor hcht saam te stellen, maar een koor zingt meestal om de kunst, zelden in den geest en om den inhoud, en zoo komt het koorgezang meest neer op een opofferen van de personen in het koor aan den zang der gemeente, terwijl straks de gemeente door het schoone koor verlokt, zwijgen gaat, om te beter naar het koorgezang te kunnen luisteren.

Het is om die reden, dat men aan het orgelspel voorkeur heeft gegeven, gelijk dit thans dan ook bijna overal ten onzent is ingevoerd.

En tegen dit orgelspel is dan ook niets, mits de kerkeraad zorg drage, dat de organist niet beproeve, zelf op den voorgrond te treden.

Zijn taak is leiden, steunen, regelen, voort doen schrijden van den zang, en nooit mag het orgel zich het recht aanmatigen, om zich zelf te doen hooren. Het moet den zang der gemeente helpend dienen, en er geheel op gericht zijn, om dien zang te beteren, te veredelen, te bezielen en te doordringen. Niet het orgel moet den zang overspelen, maar de zang moet te heerlijker uitkomen, omdat het orgel hem steunt.

En daarom hindert het, en ontsticht het de gemeente, als er op het orgel een organist zit, die zich zelven en niet de gemeente zoekt, en gedurig de opmerkzaamheid tot zich poogt te trekken.

Onze groote organisten hebben dan ook steeds dit kwaad weten te vermijden, en het zijn alleen de halve en kwart organisten, die, nóch den eisch der kunst nóch het heilige van den Eeredienst verstaande, gedurig kunstjes beproeven voor eigen reclame. barende werking van God den Heiligen Geest voor de bekeering van zondaren bij de verkondiging des Evangelies soms eenvoudig verzwegen, omdat men vreest den menschen het besef hunner volle verantwoordelijkheid voor hunne bekeering te zullen ontnemen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 20 februari 1898

De Heraut | 4 Pagina's

Onze Eeredienst.

Bekijk de hele uitgave van zondag 20 februari 1898

De Heraut | 4 Pagina's