Een levensteeken.
Gelijk bekend is, zijn de kerken in Engeland en Schotland meer en meer afdolende van haar oude belijdenis, en is een strijd als hier te lande voor de aloude waarheid gevoerd wordt, in die landen op dit oogenblik ondenkbaar.
Zelfs wat men in Engeland de Presbyteriaansche beweging noemt, is een meer formeele dan confessioneele actie. Men verzamelt al wat „ouderlingen" kiest, zonder te vragen naar de eenheid des geloofs.
Ook in de Quarterly Register, die door de Presbyteriaansche Alliance wordt uitgegeven, is dit steeds duidelijk en doorzichtig. Geheel moderne kerken zijn hier even welkom als de stiptst geloovige, mits er maar „ouderlingen" zijn.
Daarom deed het ons te meer genoegen, ditmaal een getuigenis van Dr. Dykes uit Londen in dit blad te vinden, waaruit een hooger toon spreekt.
In the Quarterly Register van Februari toch bespreekt principal Dr. Dijkes de hooge beteekenis van den kleinen Westminster Catechismus, wijst er op, met hoeveel juistheid daarin de hoofdwaarheden van het Christelijk geloof zijn saamgevat, en gaat dan aldus voort: „Men kan natuurlijk de vraag stellen, of de toenmalige opvatting van de hoofdwaarheden des geloofs voor onzen tijd nog bindende kracht heeft. Tennyson moet eens gezegd hebben; „Onze eeuw is eene eeuw van ontzettend ongeloof" Nu daargelaten of dit waar is, onze eeuw verschilt in ieder geval hemelsbreed van de 17e, die zich vooral toelegde op het vaststellen van de dogma's in de religie. Stukken der belijdenis waarmede nu slechts een enkel hoogleeraar in de theologie zich bezighoudt, werden toen geacht te behooren tot de eerste beginselen van kennis op Christelijk gebied. De Raad Gods, de verkiezing, de verzekerdheid des geloofs zijn zoovele leerstukken, die eenmaal van het grootste gewicht waren en nu schier geheel op den achtergrond geraakt zijn. Bovendien heeft onze geheele perspectief in zake religie eene wijziging ondergaan; quaesties, die ons aller belangstelling gaande maken, waren een 250 jaar geleden nog niet eens aan den horizont verrezen.
Ik ben ook zeer geneigd te gelooven, dat al deze leerstukken over de genade eigenlijk van lieverlede als ouderwetsch zijn ter zijde gelegd.
Ook geloof ik niet, dat wereldschgezinde lieden er zich ooit bij hebben kunnen neerleggen: terwijl vermoedelijk de nederige, vrome kinderen Gods van alle kerken steeds ja en amen hebben gezegd op dat gedeelte van Gods Woord, dat den mensch in zijne hoogheid het diepst terneder werpt, en Gods vrije en souvereine genade op 't heerlijkst doet schitteren. In onze dagen werken verschillende oorzaken mede om deze - belijdenis in discrediet te brengen. De zonde wordt niet meer zoo zwaar geteld en ook niet meer zoo ernstig bestudeerd als toentertijd: vandaar allerwegen onder de geloovigen groote oppervlakkigheid, zoowel in de 'opvatting der zonde als in het rekening houden met hare gevolgen.
Men heeft de souvereine genade verworpen, omdat ze in strijd schijnt met Gods liefde voor de geheele menschheid, en allen grond ontneemt aan de geliefkoosde gedachte, dat in 't eind alles weder terecht zal komen.
Zelfs wordt de noodzakelijkheid der weder-
barende werking van God den Heiligen Geest voor de bekeering van zondaren bij de verkondiging des Evangelies soms eenvoudig verzwegen, omdat men vreest den menschen het besef hunner volle verantwoordelijkheid voor hunne bekeering te zullen ontnemen.
En zoo is het geschied, dat al wat op grond der Schrift, als hoofdsom van het Evangelie van gereformeerde zijde geleeraard is, in oneere geraakt of erger nog, eenvoudig geschrapt is.
Ik behoor tot degenen, die vreezen, dat wij reeds veel verloren hebben en nog meer verliezen zullen door het op den voorgrond dringen van eene gemakkelijke, vage, eenzijde theologie. Onze vaderen gedurende meer dan twee eeuwen gevoed door het onderwijs uit den kleinen Catechismus, hebben een krachtig, eerbiedwaardig, onwankelbaar type van vroomheid ontwikkeld, dat wij noode uit onze omgeving zien verdwijnen: eene vroomheid, die, al doet zij minder aangenaam aan dan de vriendelijke vroomheid onzer dagen, een kracht van overtuiging en beginsel in zich droeg, die bestand was tegen alle stormen, diep geworteld als zij was in die stukken der belijdenis, die ons het meest bezighouden met God, met Zijnen eeuwigen Raad en met Zijn inwonen in de ziel als Auteur van al het goede. Ik belijd het: ik wantrouw eene religie, die bevreesd is voor mysteriën en terugdeinst voor den strijd met deze diepere levensproblemen ; en als uit onze scholen, uit onze gezinnen, uit onze catechisatie-kamers de kleine catechismus als het handboek voor onderwijs meer en meer zal worden gebannen, zullen wij hebben toe te zien, dat niet van lieverlede de belijdenis der genade verdwijnt uit onze prediking en uit ons geloof
Voor ons land klinkt deze toon nog dof en mat.
Maar voor Engeland is zulk een getuigenis een levensteeken.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 20 februari 1898
De Heraut | 4 Pagina's