Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Toch geen rust.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Toch geen rust.

7 minuten leestijd

Amsterdam, 4 Maart 1898.

Een tijdlang heerschte het Ignorabimus van Du Bois Reymond, als gevleugeld woord aangegeven in zijn bekende rede over de Grenzen der natuurkennis, van 1872.

Ignorabimtis wil zeggen: „We zullen er niet langer naar zoeken, maar er ons bij neerleggen dat we er niets van weten". En hiermede was bedoeld, dat vragen als die naar den oorsprong van het eerste leven, den kring van onze kennis te boven gingen, en dat het ijdel was er naar te vorschen.

Dit standpunt is thans echter weer opgegeven, en op 8 Februari heeft Prof. Dr.

Th. H. Mac Gillavry aan de Leidsche Universiteit een rectorale oratie geleverd, waarin hij opnieuw een poging waagt, om het probleem van den oorsprong van het leven op te lossen, en zich verzet tegen het afzien van elke poging om er achter te komen.

Hij sprak toen, volgens het breed verslag van de N. Rott. Ct. dit:

De materie is ons een groot mysterie en onze zintuigen scliieten geheel te kort, maar een voorsteUing van de buitenwereld laat zich geven in een opbouwing uit atomen, gegroepeerd tot moleculen, en deze tot groepen van moleculen.

Stellen wij hiertegenover nu onze zintuigorganen, dan voelen wij aan onze tastwerktuigen door sommige lichamen stoeten medegedeeld.

Wij nemen ze waar als geluid, warmte, licht.

Van de mogelijke-bewegingen komt slechts een zeer klein deel tot ons; middellijke waarneming door toestellen echter kan veel waarneembaar maken, wat anders aan onze waarneming ontsnapt; die toestellen trachten zoo goed mogelijk de ontbrekende zintuigen te vervangen.

Van die bewegingsvormen, die wij niet onmiddellijk waarnemen, gaan er vele door ons lichaam heen; van andere blijft er iets achter en dan heeft ons organisme energie opgenomen zonder dat wij er iets van bemerken, en deze opname staaft de skiagraphie met nadruk, 't Zij hier — vóór verder onderzoek —herinnerd dat energie uit de wereldiuirate opgenomen door beweegbare stof, eenigen tijd in die weegbare stof kan opgeborgen blijven, potentieel daarin aanwezig kan zijn, tenzij b. v. de temparatuur van een lichaam door toedoen van zonnestralen verhoogd wordt. De mogelijkheid vloeit hieruit voort dat energie uit de wereldruimte moleculen tot andere maakt.

De bewegingsvormen der levende stof (in tegenstelling der doode) bewaren beter hun zelfstandigheid tegenover invloeden van buiten, deelen hunne bewegingsvormen aan anciere stoffelijke deeltjes mede: een geharde stalen staaf in een ledige ruimte, tevens magnetisch veld, houdt, als ge den magnetiseerenden invloed doet ophouden de energie van den wereldaether vast, die de ijzerdeeltjes van een v/eek-ijzeren staaf spoedig verliezen. Het geheim der krachtige magneten schijnt te steken in een stemmen der ponderabele stof voor bepaalde bewegingsvormen.

Bij het dooden door middel van electriciteit (zooals in Amerika) wijzigt men de eigenaardige bewegingsvormen der elementaire deelen van het organisme zoodanig, dat het leven niet meer bestaan kan; het verschil van stof bij scheikundige werking in het lichaam vóór en na de executie komt, duidelijk aan den dag: de stof n. m. 1. toegerust met de bewegingsvormen van het leven en de stof waaraan die vormen zijn ontnomen.

Men vraagt: is er, naar analogie van het feit dat in plantendeelen de energie van zonnestralen is opgeborgen, niet veel meer opgeborgen? Een afdoend antwoord is niet wel mogelijk bij ons gebrekkig weten, maar uitgesproken mag worden dat de bewegingsvormen uit de wereldruimte een gedeelte eigendom wordt der aardbewoners, en onder onze oogen de doode materie doen worden een deel van de levende. Men komt tot het vermoeden, dat de eerste stappen van den weg ten leven evenzoo zijn gedaan. Abiogenetische oorsprong dus! Ja, maar niet bij den kleinsten levensvorm dien wij kennen, de microob. Pasteur bewees reeds dat hier van geen abiogenetischen oorsprong de rede kan zijn, maar hierdoor is nog niet aangetoond dat levende organism.en niet uit doode stof kunnen ontstaan. Goed waargenomen feiten laten m. i. geen andere opvatting toe dan dat microben reeds hoog ontwikkelde levensvormen zijn.

Tot de plantenwereld gerekend, sluiten de microben zich, wat levensvoorwaarden betreft, bij de dieren aan. Hun voedsel is naar gelang eiwitlichamen, druivensuiker, glycerine. Groote vaardigheid hebben ze in het produceeren van chemische stoffen, makend als ze het noodig hebben hun eigen licht, zonder onnoodige warmteproductie en volgens een procédé, dat de menschelijke methoden de loef afsteekt Bij vermenigvuldiging splijten ze in tweeën; bij ongunstige levensvoorwaarden vonnen zij sporen, waarmee zij jaren lang een latent leven kunnen voortzetten, om, als de tijden gunstiger worden, de spoor te vervormen tot een splijtzwam, die welhaast aan milioenen nieuwe individuen het aanschijn geeft. Onder de microben vinden we obligate aëroben, facultatieve anaëroben en obligate anaëroben, welke laatste alleen zuurstof uit chemische verbindingen opnemen.

Hoe kunnen nu levende organismen het uithouden in een voor hen doodelijke middelstof?

In verschillende waterlagen van een gracht bv. leven ze broederlijk bijeen; boven aan de oppervlakte de sterke zuurstofgebruikers, hieronder de matige, in de diepere lagen slechts geheel-onthouders.

Uit het meegedeelde krijgt de stelling grootere zekerheid, dat de microben hoog ontwikkelde organismen zijn; en is het dan waarschijnlijk dat hier het leven zou beginnen?

En vraagt men dan nu, hoc deze geleerde het leven op deze planeet verklaart, dan luidt het antwoord, dat er één lijn loopt van den mensch tot den bacil, dat de bacil reeds een hoogere ontwikkelingsvorm van • het leven is, dat achter den bacil nog een onafzienbaar proces van levensontwikkeling ligt, en dat de eerste stoot hiertoe waarschijnlijk ontstaan is door iets, dat uit de „energie van de wereldruimte" op deze planeet aanlandde.

Keeren wij tot ons vroeger dilemma terug: „De levenskiemen op onze aarde van buiten af aangevoerd", brengt de vraag hoe is het leven ontstaan geen haar breed verder.

Hiervan moeten wij ons eerst rekenschap geven. Misschien ware het nog beter het probleem tot in de verre toekomst te verschuiven, maar het menschenverstand neemt geen genoegen met raadgevingen die ons trachten af te houden van speculatief of experimenteel onderzoek. Ik spreek derhalve zonder schroom uit, dat de bewegingsvormen der doode stof zich continu voortzetten in die der levende; dat wij over de wijze waarop, toen er nog geen levende stof was, de doode langzamerhand den levensweg opging, niets weten; maar dat hetgeen wij om ons waarnemen, ons ondanks ons zelven noopt om als waarschijnlijk aan te nemen dat energieën, van uit-de weieldruimte tot ons gekomen, dit merkwaardig verschijnsel hebben teweeggebracht.

Deze overpeinzing begroeten we deels met vreugde.

Ze toont toch, dat de menschelijke geest bij het Ignorabimus niet kan rusten en dat de poging om een „moderne religie" te construeeren, die omtrent de schepping en den oorsprong aller dingen geen opinie zou hebben, als mislukt is te beschouwen.

Maar van den anderen kant stelle men zich toch de vraag, of nu deze geleerde waarlijk gelooft, dat een zoo zwevende, onzekere voorstelling als hij gaf, ooit in staat zou zijn, om de menschheid te bezielen of vastheid van uitgangspunt te geven, en of hij waant dat al wat hij stelde, ook maar één oogenblik in majesteit wedijveren kan met de eeuwenoude belijdenis der Christelijke kerk: Ik geloof in God den Vader, den Almachtige, Schepper des hemels en der aarde}

Zelfs vordert hij niets. Hij verschuift alleen de quaestie.

Laat het zoo zijn, dat hij op zulk een wijze het uitkomen van het leven hier op, aarde kan verklaren, ligt daar achter dan niet een veel dieper en veel ernstigerquaestie, hoc die stof, hoc die kracht, hoe die energie van de wereldruimte er gekomen en aldus geordend zijn.

Waarlijk het Ignorabimus had toch deze goede zijde, dat de natuurkenner beleed: Uit mijn wetenschap komt op deze vragen geen antwoord! — mits hij na deze ootmoedige belijdenis er bijvoegde: Ignorabimus ex scientia, sed e Scriptura credemus.

Van de natuurkennis zullen wc het antwoord niet wachten, maar we zullen het geloovig aannemen uit de Heilige Schrift; ,

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 6 maart 1898

De Heraut | 4 Pagina's

Toch geen rust.

Bekijk de hele uitgave van zondag 6 maart 1898

De Heraut | 4 Pagina's