Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Kerkelijke rechtsbedeeling.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Kerkelijke rechtsbedeeling.

8 minuten leestijd

Eén Generale Synode om de drie jaar heeft ook, zoo merkten we op, haar schaduwzijde met het oog op de kerkelijke rechtsbedeeling.

Nog steeds geldt de regel, dat alle voorkomende zaken, die door een mindere vergadering tot besUssing zijn gebracht, in appèl kunnen komen bij een meerdere vergadering. Van alle besluiten en beslissingen van de tien Synoden-Provinciaal staat alzoo beroep open op de Synode-Generaal.

Komt nu de Synode-Generaal slechts ééns in de drie jaar saam, dan doet zich het kwaad voor, dat geschillen voorkomendein het laatste jaar in gunstiger conditie verkeeren, dan geschillen uitbrekende in het eerste jaar.

In September 1896 ging de Synode van Middelburg uiteen, en in Augustus 1899 zal D. V. weer een Synode-Generaal dagen te Groningen.

Stel nu dat er een besluit op een Synode-Provinciaal in 1899 is genomen, dan ligt het voor de hand, dat de klager of de verongelijkte, twee maanden daarna bij de Synode-Generaal komt. Is zulk een zaak dan uit den kerkeraad opgekomen, dan heeft zulk een klager in het jaar 1899 drie instantiën van appèl. Eerst op de Classis, dan op de Synode-Provinciaal. En dan nog op de Synode-Generaal.

Maar neem nu iemand die in October 1896 in geding kwam, en die zijn zaak in het voorjaar van 1897 bij de Provinciale Synode tot beslissing heeft gebracht, wat zal die twee jaar wachten, om dan nog in 1899 naar de Synode-Generaal te gaan.?

Dat doet men niet. Dan lijdt men liever ongelijk. En de uitkomst toont dan ook dat de rechtzaken die bij de Synode aanhangig worden gemaakt, óf vrucht van recenten datum zijn, óf wel zaken betreffen van interminabelen aard, waar reeds telkens en telkens over gehandeld is, en die door de twistgierigheid van enkele heethoofden eindeloos aan de orde blijven.

Dit komt dus feitelijk hier op neer, dat de man van 1896 een instantie verliest, die de man van 1899 heeft.

En dit nu mag niet. Eerste cisch toch van alle rechtsbedceling is gelijkheid van de middelen van verweer.

Maar hiertoe bepaalt zich het kwaad niet.

Veel erger zelfs is het, dat de Synode-Generaal nu reeds telkens zóó met arbeid bezet bleek, dat er voor een degelijke behandeling van dergelijke particuliere rechtsgeschillen geen tijd overbleef, en dat is natuurlijk.

Vaak toch is het dossier van zulk een zaak, die reeds door twee instantiën ging, zeer omvangrijk, voorzien van allerlei bewijsstukken pro en contra, en hoc zou er dan tijd zijn om zulk een zaak naar behooren te laten onderzoeken door een 50-tal personen, zoodra er ook maar zes of zeven van zulke zaken voorkomen.'

De behoorlijke afdoening van elke zaak zou dan door elkaar misschien twee, drie dagen vorderen, getuigen over en weer zouden moeten worden opgeroepen en gehoord, pleiten zou moeten worden toegestaan, een verdediger zou voor de Synode moeten kunnen verschijnen, allerlei schrifturen zouden moeten gewisseld worden, en eerst op die manier zou zoo breede vergadering tot het vellen van een oordeel in staat zijn.

Nu dit feitelijk niet kan, omdat er geen tijd en geen geld voor zulk een behandeling is, maakt de Synode er zich dan ook meest van af, door zulk een zaak commissoriaal te maken, een rapport aan te hooren, en voorts twee of drie Deputaten te benoemen, om de zaak ten einde te brengen.

Maar al kan dit nu niet wel anders, men zal toch toegeven, dat is geen rechtsbedceling, en op die wijs wordt het appèl op de Synode-Generaal een wassen neus.

Ook hier openbaart zich alzoo dringende behoefte aan een meer geregeld, jaarlijks saamkomen van een Synode-Generaal, en wel liefst van een Synode-Generaal in kleinere formatie. Het is toch ontegenzeggelijk, dat een rechtbank van tien leden veel beter geschikt is om recht te spreken, dan een rechtbank van veertig, met nog een twaalftal adviseerende leden versterkt. Zoo breede saamstelling van rechtsprekende collegies mijdt men dan ook steeds. De kantonrechter is alleen, en in rechtbank, hof en hoogen raad zit niet dan een beperkt aantal personen.

Doch ook met het jaarlijks saamkomen van een Synode-Generaal op kleiner schaal zou de zaak nog niet gewonnen zijn.

Dan toch zou het te voorzien zijn, dat er veel meer zaken voor de Synode-Generaal kwamen; dat het hooger opgaan naar de Synode-Generaal regel werd; en dat deze Synoden, willen ze haar zaken goed en ernstig zelf afdoen, minstens veertien dagen lang uitsluitend voor rechtzaken zouden moeten eischen.

Daarom moet het ia de tweede plaats

wenschelijk worden geacht, dat er schifting en sphtsing kome, en dat duidelijk worde uitgemaakt, welke zaken zy^/en welke zaken niet bij de Synode-Generaal kunnen worden aangebracht.

Die regel nu is niet moeilijk te treffen.

Eindeloos appèl dient tot niets. Regel moet zijn: één appèl en één kans op cassatie in elk geding. Meer hoeft niet. Meer is nergens regel. Meer verzwakt de zenuw van het recht en vervalscht de rechtstoestanden.

Van den kerkeraad moet een appèl op de Classis zijn; van zaken ter eerste instantie in de Classis aangebracht, moet er appèl zijn op de Provinciale Synode; en van zaken, die begonnen zijn in de Provinciale Synode moet er appèl zijn op de Synode-Generaal.

Dan staat het voor allen gelijk, en heeft ieder één appèl.

Doch behalve gelijkheid tot appèl, moet er ook gelijkheid zijn om cassatie aan te vragen.

Dat is volstrekt niet hetzelfde. Immers cassatie beteekent niet, dat er een nieuw vonnis komt, maar dat het geslagen vonnis vernietigd wordt, uit hoofde van formeele fouten bij het onderzoek of bij het vellen van het vonnis begaan. Blijkt het, dat dit het geval is, dan verzendt de rechtbank die het vonnis casseert, de zaak naar een anderen rechter om opnieuw te onderzoeken en vonnis te slaan.

Die cassatie nu behoort wel bezien aileen bij de Synode-Generaal, omdat ze strekt ter uitlegging van bepalingen en ter handhaving van rechtsvormen die alle kerken aangaan.

Een jaarlijks saamkomende Synode-Generaal, zou alzoo slechts twee soorten gedingen voor zich krijgen. Ten eerste in appèl de gedingen, die het eerst bij de Synode-Provinciaal waren aangebracht. En ten tweede in cassatie alle gedingen, die bij de mindere vergaderingen tot beslissing waren gekomen.

Dit zou dan ongetwijfeld in de eerste jaren veel drukte geven, juist omdat thans allerlei formeele vragen en vragen van uitlegging geheel op losse schroeven staan, en ten deze maar al te veel wilkeur in onze kerkelijke rechtsbedeeling heerscht.

Maar gaandeweg zou dit aantal cassatiegedingen afnemen. Immers door vorige arresten, zouden dan allengs allerlei vraagstukken zijn opgelost, allerlei twistpunten uitgemaakt." De Provinciale Synoden zouden zich wel wachten zich te vergaloppeeren. En zekere eenparigheid zou alzoo vanzelf in onze kerkelijke rechtspraak tot heerschappij komen.

Bovendien zulk een cassatieproces zou veel minder tijd vorderen. Dan toch wordt niet geoordeeld over de feiten, vervalt ook alle getuigenverhoor, en komt het eigenlijk aan op een nagaan van den loop van het proces en op uitlegging van bestaande bepalingen.

Zulke cassatiegedingen zullen kerkrechtelijke adviseurs vereischen, maar dan ook spoedig afloopen.

En de eigenlijke moeilijkheid voor de Synode zou dan alleen gelegen zijn in het appèl bij die gedingen, die'noch bij kerkeraad noch bij classis waren geweest, maar in de Provinciale Synode waren opgekomen.

Deze zaken echter zijn zeer weinige in aantal.

Ze kunnen niet vele zijn. En we durven wel profeteeren, dat er per jaar geen twee in appèl zouden komen.

Hiermede zou alzoo gewonnen zijn, dat 1°. elke zaak een gelijk aantal instantiën kreeg; 2". dat appèl en cassatie onderscheiden werden; 3". dat op het formeele van de kerkelijke rechtspraak betere controle kwam; en 4". dat vastheid en eenparigheid in de kerkelijke rechtspraak werd bevorderd.

Vooral die controle op de kerkelijke rechtspraak, wat het formeele aangaat, weegt bij ons zwaar.

Predikanten en ouderlingen zijn gemeenlijk slechte juristen. D. w. z. ze hebben geen de minste opleiding, ook niet in de eerste beginselen van alle rechtsbedeeling ontvangen, en staan daardoor bloot aan het gevaar, dat ze het recht schenden en te kort doen met de uitnemendste bedoelingen.

Het begrip reeds dat een vonnis alleen rusten mag op voldingend bewijs, en dat er voor het vinden van bewijs een vaste methode te volgen is, ontbreekt meestal geheel.

Voegt men daar nu bij, dat wij op kerkelijk terrein geen procureurs hebben om een zaak in goeden vorm aan te brengen; en dat er geen advocaten zijn, om het recht te verdedigen; dan voelt men aanstonds hoe vaak uitspraken van kerkelijke vergaderingen innerlijk zwak moeten zijn, en hoe zelden ze eerbied afdwingen aan de in het ongelijk gestelden.

Dit nu is stellig een kwaad, dat uit den eigenaardigen vorm van onze Gereformeerde kerkregeering opkomt, maar juist daarom is het temeer zaak, naar waarborgen tegen onrecht om te zien, en we twijfelen geen oogenblik, of de instelling van jaarlijksche kleine Synoden-Generaal en de scheiding tusschen appèl en cassatie zou ons alvast twee solide waarborgen opleveren.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 6 maart 1898

De Heraut | 4 Pagina's

Kerkelijke rechtsbedeeling.

Bekijk de hele uitgave van zondag 6 maart 1898

De Heraut | 4 Pagina's