GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

Dan de gemeene Gratie.

Bekijk het origineel

Bladeren
+ Meer informatie

Dan de gemeene Gratie.

17 minuten leestijd

DliRIJE REEICS.

XLIII.

En de God des vredes zelf heiUge u geheel en al; en uw geheel oprechte geest, en ziel, en lichaam worde onberispelijk bewaard in de toekomst van onzen Heere Jezus Christus.

I Thess. 5 : 23.

Zoo poogden we dan te verklaren, hoe het komt, dat ons herboren ik volstrekt heilig in, de kern van ons wezen kan zijn, en dat het zich toch in ons bewustzijnsleven verkeerd en verdraaid aandient. En zoo ook, hoe het te verstaan is, dat de wilsaandrift van ons ik in de kern van ons wezen recht trekt als een jaaslood, en dat nochtans de wil, zooals hij in het leven uitkomt, schuins en scheef werkt. De vergelijking van een neger die in een kalkoven, met een blank Europeaan die in een steenkolenmijn werkt, maakt deze onderscheiding volkomen doorzichtig. Beiden elkaar ontmoetende, en in den spiegel ziende, de neger eenigszins wit gepoederd door de witte kalkstof en de blanke Europeaan roetzwart uit zijn kolenmijn gekropen, zouden naar wat voor oogen is kunnen beweren, dat de neger minder zwart is dan de Europeaan. Maar de neger weet daarom zeer wel, dat hij grondzwart is, al lijkt hij op het oogenblik eenigszins witachtig, en de Europeaan zegt met de volste zekerheid : Ik ben blank, ook al ziet ge hem koolzwart voor u "staan. En als nu diezelfde Europeesche werker, die, er zwart uitziende, tegenover den neger roemt: „Nochtans ben ik blank", thuis komt, en zijn kind springt tegen bem op en wil Jièm omarmen, dan zal die vader tot zijn kind zeggen: „Even wachten, lieveling, v/ant ik hen zwart." Zijn dat nu tivee ikken, een zwart ik en een wit ik, in dien man.'' Natuurlijk niet. Het is éénzelfde ik, dat het eene oogenblik roemt: Ik ben blank, en het andere oogenblik erkent: Ik ben zivart, en wat van die twee hij zeggen zal, hangt af van de tegenstelling. Tegenover den neger, die de nu verborgen blankheid van zijn huid betwist, zegt hij beslist: Onwaar, ik ben geheel blank, er is geen zwarte stip aan mij. Maar tegenover zijn kind, dat zich aan hem bezoedelen zou, erkent hij: Ik ben te eenen male zwart. En zoo nu ook staat de herboren mensch er aan toe. Tegenover den man, die het werk Gods in zijn hart betvcist, zal hij roemen: „Ik ben heilig en ik kan niet zondigen, " maar tegenover zijn broeder, en voor zijn God op de knieën zal hij belijden: „Ik ellendig mensch". En dat niet omdat er twee ikken in hem zijn, één ik van den ouden Adam en één ander ik van het kind van God, maar omdat de ééne zelfde persoon de ééne maal spreekt van zijn verborgen wezen, en de andere maal van den vorm waarin hij uitkomt voor de wereld. Geheel verheerlijkt inwendig, maar nochtans bezoedelend alle gave Gods die we aanraken.

Dieper dringen we hierin thans niet door. Het is ons genoeg, zoo de gevaarlijke leer van de twee ikken maar is afgesneden, en zoo duidelijk wierd, hoe het ik in ons verborgen wezen geheel onzondig , kan zijn, en toch nog in het bewuste, werkelijke leven met de bede om schuldvergififenis voor zijn God kan en moet neerknielen. Dit in ver­ band met bewustzijn en wil te hebben aangetoond, is ons. genoeg. Van de neigingen afzonderlijk te handelen is overbodig, al is het ook, dat onze Formulieren van eenigheid de neigingen apart bij bewustzijn en wil noemen. We lezen toch in Can. Dorde. III en IV. art. i: „De mensch is van den beginne naar het beeld Gods geschapen, versierd in zijn verstand met ware en zalige kennis van zijnen Schepper en van andere geestelijke dingen; in zijnen wil en zijn hart met gerechtigheid; in alle zijne genegenheden met zuiverheid; en is overzulks geheel heilig geweest. Maar door het ingeven des duivels en zijnen vrijen wil van God afwijkende, heeft hij zichzelven van deze uitnemende gaven beroofd, en heeft daarentegen in de plaats van die over zich gehaald blindheid, schrikkelijke duisternis, ijdelheid en verkeerdheid des oordeels in zijn verstand; boosheid, wederspannigheid en hardigheid in zijnen ivil en zijn hart; mitsgaders ook onzuiverheid in alle zijne genegenheden." Naast verstand (of bewustzijn) en wil wordt hier dus afzonderlijk gesproken van „alle zijn genegenheden die zuiver waren, " en daarna van het gevolg der zonde, waardoor „onzuiverheid in alle zijn genegenheden" gekomen is. Gelet moet daarom op die „genegenheden" of „neigingen" wel terdege, maar ze staan daarom met bewustzijn en wil volstrekt nog niet op één lijn. In bewustzijn en wil is de mensch actief, maar in zijn neigingen is hij lijdelijk. Wat helt, helt vanzelf en onwillens, en de actie van den wil gaat, zoo hij werkt, juist tegen die overhelling in en poogt zich op te houden. Die neigingen zijn dan ook in den oorspronkelijken mensch, en zoo ook in ons zelven, buiten zonde gedacht, niets dan bijzondere trekkingen die God van nature naar het een of ander in ons heeft gelegd. Do ééne jongen zal van nature naar de zee trekken, en niet rusten eer hij matroos is geworden, terwijl de ander van de zee een onverwinlijken afkeer heeft, en zijn hart naar de bergen voelt uitgaan. Twee personen die beiden artistiek zijn aangelegd zullen nochtans even beslist de één naar de tonenwereld, de ander naar de schilderwereld neigen. Zoo trekt de één naar het handelend practisch optreden, de ander naar het stil mijmeren en peinzen. De één voelt een neiging in zich naar wat diepzinnig en mystiek, de ander een voorkeur voor wat helder in de oppervlakte is. Zelfs kan men zeggen, dat in geheele volken de eene of andere neiging of trekking of zuiging sterker uitkomt. En dit verschil in neiging gaat zóó ver, dat het zelfs onze verhoudingen tot de verschillende personen in onze omgeving beheerscht, reden waarom we van sympathie spreken, van sympathie voor den één, en van antipathie tegenover den ander.

In deze „neigingen" ligt dus op zich zelf niet anders, dan de gespecificeerde aantrekkingskracht die het één of ander voorwerp op ons uitoefent. Evenals een plant beter tiert in den éénen bodem dan in den anderen, zoo| ook tiert ons wezen beter in de ééne dan in de andere omgeving. Dat is niet bij allen één, maar bij allen verschillend, en juist uit dit eindeloos verschil van „neigingen" ontstaat een rijke veelvoudigheid in het leven. Want wel zijn er algemeen menschelijke „neigingen", die de menschelijke natuur van de natuur van andere schepselen onderscheiden, maar deze grondneigingen van onze menschelijke natuur verschillen op allerlei wijs in graad van sterkte, in voor­ keur door keuze, en in - '.aamvoeging en dooreenstrengeling, en hef-is uit deze bepaalde verhoudingen dat ? *; iers onderscheiden aanleg, inborst en karakter opkomt. Zoolang nu de oorspronkelijke harmonie, waarin God deze verschillende neigingen in een mensch bijeenvoegt, ongestoord blijft, zijn deze neigingen zuiver, de één de ander niet verdringend, in evenwicht. Maar wordt de mensch door de zonde uit zijn levensbodem van God uitgetrokken, dan gaat deze harmonie, deze juiste verhouding, dit evenwicht teloor. Er komt overhelling en ontstaat scheeve stand, en dan loopt ten slotte niet één lijn meer recht, en zijn alle genegenheden in hem onzuiver geworden. Ook die „neigingen" komen derhalve bij de bespreking van den herboren mensch wel terdege in aanmerking, maar 4aar ze door het bewustzijn in ons worden opgenomen, en, met hoe zwakke buiging ook, niet anders dan door den wil werken kunnen, is afzonderlijke bespreking hiervan op dit pas overbodier.

Saamvattende wat we dusver vonden, komen we alzoo tot deze slotsom, dat lO. de allereerste aandrift die uit het herboren ik, in de verborgen kern van. ons wezen opkomt, altoos goed, heilig en j-ein is, maar zonder daarom altoos ook maar tot ons flauwst bewustzijn door te dringen. 2". Dat deze allereerste heilige aandrift wel er op uit is, om in ons bewustzijnsvermogen en in ons wilsvermogen door te dringen, maar dat het volstrekt niet altijd in staat is, de tegenovergestelde werking, die uit het verleden in dat bev/ustzijn en in den wil nawerkt, te overwinnen en te boven te komen, zoodat de eerste aandrift zeer wel heilig is, al komt toch én ons bewustzijn én onze wil nog op allerlei mani--'r onheilig uit. 3''. Dat deze aldus reeds'gebroken actie van ons herboren ik zich, om de buitenwereld te bereiken, moet voortbewegen langs de geleiddraden van heel het organisch leven waarin we verwikkeld zijn, en hierop wel eenigen invloed ten goede uitoefent, en wel eenige ombuiging teweegbrengt, maar zonder daarom in staat te zijn, die geleiddraden over heel hun lengte recht te trekken en ineen te werken. 40. Dat het heel anders staat met de lijn waarlangs het herboren ik zich tot God opheft, omdat deze lijn niet horizontaal, maar verticaal loopt, en onmiddellijke gemeenschap met God kan geven, iets wat we belijden als de inwoning in ons van den Heiligen Geest. En 5". dat dit alles tot het resultaat leidt van een schijnbaar geheel strijdige existentie, waaruit het ik de ééne maal getuigt als een heilige en verloste, de andere maal als een met zonde beladene en in zonde verzinkende klaagt, de ééne maal roemt in hooge dingen, en de andere maal zonde belijdt waarvan hij toch zegt, dat niet hij ze wilde, en alzoo het gevoel, het besef ontvangt van een ouden en een nieuwen mensch die in hem worstelen; een nieuwen mensch geschapen in Christus-Jezus tot goede werken, die God voorbereid heeft, opdat wij daarin wandelen zouden, en met al zijn lust naar alle geboden Gods uitgaande, een ouden mensch die steeds belet dat het tot meer dan een klein beginsel van deze gehoorzaamheid in dit leven komt.

Werd hij hierbij nu aan zich zelf overgelaten, zoo zou hier vooruitgang, noch vordering in wezen, en wat we belijden als „heiligmaking" zou ondenkbaar zijn. Maar dit is dan ook niet het geval. „De God des vredes heilige u geheel en al, bidt raulus aan de kerk van Thessalonica toe, en uw geheel oprechte geest en ziel en lichaam worde onberispelijk bewaard in de toekomst van onzen Heere Jezus Christus." Hiermede treedt alzoo een daad Gods, [een gestadige gifte van genade, in het zieleleven in. En waar ons herboren ik machteloos staan zou, zoo tegenover de in ons bewustzijn en wil ingeslopen werking ten kwade, als tegenover het organisch saamstel des levens, waardoor we heen moeten werken, om in het leven der wereld te kunnen uitkomen, komt nu God met zijn sterkende en en heiligende genade tusschenbeide, om de sfeer waarin het herboren ik heerscht uit te breiden, en den tegenstand van de onherboren sfeer des levens om en in ons, te verzwakken. Tweeërlei werking Gods is hier dus wel te onderscheiden. Er is eenerzijds een werking om het herboren ik, niet in zijn kern, maar in zijn eigen bewustzijn en wilssfeer te sterken, en anderzijds een werking om den tegenstand in het organisch samen.stel van het leven te verzwakken. Beide deze werkingen werken elkaar in de hand, ze zijn op elkaar aangelegd, en ze hebben tengevolge, dat het herboren ik tot helderder bewustheid, tot krachtiger wil ten goede, en tot reinere levensuiting geraakt. Maar al zijn ze op elkaar aangelegd, en al werken ze beide de heihgmaking in de hand, toch zijn ze verschillend van aard. De genadewerking Gods die inwendig het herboren ik sterkt en tot heldere bewustheid en sterker wilskracht ten goede brengt, is geheel personeel en particulier, en doelt op zaligmaking; de andere werking daarentegen waardoor God den tegenstand breekt, die uit de nawerking en inwerking der zonde van buiten komt, is geweven door anderer leven heen, draagt een meer algemeen karakter, en verheft wel het karakter van het tijdelijk leven, maar heeft met de eeuwige zaligheid niets uitstaande. Alzoo is de eerste actie een werking vz, n par tien lier e genade, de tweede van gemeene gratie.

Het niet onderscheiden van deze beide heeft telkens en telkens weer tot het miskennen van het geheel eigenaardig karakter der heiligmaking geleid, en teweeggebracht dat in de heiligmaking ten slotte weinig anders gezien werd, dan zekere poging van de belijders van Christus om zich zedelijk te verbeteren. Wij maakten dan ons zelven heilig. En overmits nu ook onder de ongeloovigen vele edele personen voorkomen, die nauw letten op hun levenswandel, hun kleine verkeerdheden bestrijden en te boven komen, en niet zelden in rechtschapenheid van leven zulke aanmerkelijke vorderingen maken, dat ze menig kind van God beschamen, heeft deze miskenning van het eigenlijk karakter der heiligmaking er onwillekeurig toe geleid, dat men de onmisbaarheid van het geloof bij de heiligmaking glippen liet, en alzoo ten slotte de stelüng aanvaardde, dat onze dogmatiek er niets toe deed, zoo men maar braaf en ernstig en zedelijk leefde. De „Christelijke en maatschappelijke deugden" van onze schoolwet, konden eerst als gevolg en uitvloeisel van. die valsche beschouwing los worden gemaakt van haar wortel in de belijdenis van den Zone Gods. Het is daarom strikt noodzakelijk, dat ook op dit punt de belijdenis onzer vaderen v\reer in eere hersteld worde, en kloek en vastelijk door ons worde beleden, dat de heiligmaking niet is een ons beteren, maar een daad, een werking van den Heiligen Geestin ons hart. God, niet de mensch, is van de heiligmaking de werker. Wij worden er door beiverkt.

Dit zal terstond gevoeld worden, als men let op de volstrekte beteekenis van het woord heilig. Een kleed dat bezoedeld is, kunt ge allengs reinigen. Na het eerste bad in vocht en loog zal reeds veel van de bezoedeling geweken zijn. Een tweede bad zal de nog overgebleven vlekken doen verbleeken. Een derde bad zal ook de moeten aantasten. En zoo zal het ten leste gelukken het kleed weer geheel rein te krijgen. Maar zóó is het met het heihge niet. Ge kunt een bezoedeld en innerlijk geheel vervuild menschelijk hart niet eerst voor één tiende heilig maken, dan voor een tweede tiende, om zoo al voortgaande ten slotte tot tien tienden heiligheid te komen. Dat dacht Nicodemus wel, maar Jezus v/eersprak het. Om van onheilig heilig te worden moet de wortel zelf van het leven omgezet. Er is hier een radicaal nieuw begin van het leven noodig. En daarom baat hier alleen nieuwe geboorte, geboorte uit God. Maar kwam die tot stand, dan is het nieuwe, dat geboren werd, ook heilig, niet driekwart, niet half, niet één kwart, maar opeens geheel. Tusschen heilig en onheilig ligt een scherpe grenslijn, een haar breed, nauwelijks meetbaar. Al nu wat links van die lijn ligt, is onheilig, al wat rechts valt is heilig. Zijt ge nu rechts, na eerst links gestaan te hebben, zoo zijt ge overgezet, overgezet uit het rijk der duisternis in het wonderbaar licht. Niet zoo dat ge uit de duisternis eerst in een schemering kwaamt, en na lang door die schemering gedwaald te hebben, eindelijk van verre het licht kondt begroeten. Neen, ge stondt eerst in den donkeren nacht, en nu staat ge op eenmaal in het licht. Heilig is op het erf van God, en niet meer op het erf der zonde staan. Onheilig is nog leven in de zonde, al zijt ge nog zoo rechtschapen en braaf, en dus leven buiten God. De band met God voor uw ziel is er, of die band is er niet. Ontbreekt die band, dan is er geen geloof en staat ge nog in het onheilige. Is die band er, dan trilt de electriciteit langs die lijn, in gejtade van God naar u, en van geloof van u naar God. Met de theorie van het allengs schoon wasschen is hier alzoo niets te vorderen. Het begrip van „heilig" laat in de toepassing op den persoon geen graden toe. Alle leden van Christus-' kerk, die geen hypocrieten zijn, worden daarom door den apostel zonder onderscheid „de heiligen" genoemd. In dien zin sprak Jezus tot Petrus: „Die gewasschen is, heeft niet van noode, ook de voeten te vfassch& n, maar is geheel rein", en een ander maal tot al zijn discipelen : „GijHeden ZIJT nu rein om het woord dat ik tot u gesproken heb". Daarom stelde Jezus dan ook niet herhaalde wasschingen in, gelijk onder Israël, maar het ééne badwater van den Doop, en juist daarom beleed de Christelijke kerk dan ook volstandig, dat de Doop niet kon herhaald worden.

„Heiligheid", en „zedelijke verbetering" hebben dan ook niets met elkander gemeen. Zedelijke verbetering is het besnoeien van de ranken, „heiligheid" is de inenting op den wilden boom van een geheel ander leven. Zedelijke verbetering kan vrucht van opvoeding zijn, doch zelfs de beste opvoeding kan het kind niet „heiligen". Zelfreiniging van hart en karakter kan de

onwedergeborene zoowel als de wedergeborene ondernemen, maar de grootste zelfbcheersching en de machtigste, ernstigste zcifnangrijping kan nooit wat onheilig is heilig maken. Al is h.et dan ook dat de Neo-Kohlbrüggeanen, geheel blind voor het werk der gemeene gratie, en voor de reëele inwerking van den Heiligen Geest op het menschelijk hart, de heiligmaking, als in het geloof inbegrC' pen, feitelijk hebben weggecijferd, hierin hadden ze recht, dat ze met heiligen toorn getoornd hebben tegen de vermetele poging om de heiligmaking te doen voorkomen als een gradueele heiliging, waartoe de zondaar na tot het geloof gekomen te zijn, sichzelven beiverkte. Dé „heiligmaking" is een genadedaad Gods aan ons, niet een werk van den mensch aan zichzelven, en als er staat: „Jaag de heiligmaking na, zonder welke niemand den Heere zal zien, " beteekent dat niet: Doe uw best, en span u in, om uzelven zedelijk te verbeteren, want alleen wie hiermee gereed komt, zal den Christus in heerlijkheid aanschouwen, maar dan is onder jagen naar heiligmaking te verstaan, een zoeken van die innige gemeenschap des geloofs en der liefde met God en Christus, dat zijn heiligende genade zich krachtig in ons betoone. Een andere voorstelling leidt tot wanhoop. Ware toch de heiligheid een kleed, waaraan we zelven weefden, en dat af moest zijn, eer we den hemel konden binnengaan, dan zou alleen een stokoude grijsaard zich kunnen inbeelden hiermede gereed te komen, terwijl ieder, die in het midden zijner dagen werd afgesneden, door God zelf zou verhinderd worden, om zijn heiligheid te volmaken, en daarom verloren gaan. We kunneif daarom niet streng genoeg aan het absoluut, d. i. volstrekt karakter der heiligheid vasthouden.

Ge zijt heilig of ge zijt niet heilig. Een man die wedergeboren is, is heilig, en kan uist daarom niet zondigen, want het heilige zaad blijft in hem. Een wilde wingerd, die ingeënt is in een edelen wijnstok ging niet langzamerhand uit den éénen staat in den anderen over, maar hield op eenmaal op wilde wingerd te zijn, en was op eenmaal edele wijnstok.

Zoo nu verstaan is onze wedergeboorte zelve onze heiligmaking. Wie wedergeboren werd ïvas onheilig, en zverd heilig. Als Paulus dan ook aan de kerk van Corinthe schrijft: „Maar gij zijt afgewas-.schen, maar gij aijt geheiligd, maar gij zijt gerechtvaardigd" (Cor. 6: ii), dan volgt reeds uit dat plaatsen van de recht\'aardigmaking na de heiliging, dat hier heiliging op de wedergeboorte zelve ziet, natuurlijk met inbegrip van haar uitwerking. Men kan dus tweeërlei doen. Men kan, omdat in het werk Gods alles organisch saamhangt en een eenheid vormt, heel dat werk Gods hetzij onder den naam van wedergebooi'te, hetzij onder den naam van bekeering, hetzij onder den naam van heiligmaking saamvatten, of wel alle drie onderscheiden.

Vandaar dat de „wedergeboorte" de ééne maal aanduidt al zvat God aan ons doet, en dan eerst voltooid is in ons sterven, de anderemaal daarentegen alleen die eerste daad Gods, waardoor het nieuwe leven in ons komt. Zoo ook zal bekeering de eene maal aanduiden, Jieel het zverk Gods, om ons van zonde en ellende tot heiligheid en heerlijkheid te brengen, de andere maal alleen de daad waardoor Hij ons tot het bewuste geloof brengt. En zoo ook zal de eene maal heiligen, of heiligmaken (wat in het Grieksch één en hetzelfde is) aanduiden al wat door God in ons gewrocht is, van onze wedergeboorte af tot en met ons sterven, de andere maal daarentegen alleen die bepaalde daad Gods, waardoor Hij Jiet in ons geplante leven der heiligheid in onze levenssfeer doet indringen, en bij ons sterven geheel van al wati zondig is, afscheidt. Alleen in dien laatsten zin nu, komt het voor als men onderscheidenlijk van heiligmaking spreekt, en alleen in dien zin, komt het dan ook hier ter' sprake, omdat het alleen in dien zin met de gemeene gratie in aanraking komt. !

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 3 april 1898

De Heraut | 4 Pagina's

Dan de gemeene Gratie.

Bekijk de hele uitgave van zondag 3 april 1898

De Heraut | 4 Pagina's

Bladeren