Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Teleurstellend.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Teleurstellend.

9 minuten leestijd

Amsterdam, 8 April 1898.

Reeds sedert eenige weken ligt op onze tafel ter recensie gereed: Dr. J. H. GUN­ NING JHZ., Van Babel naar Jeruzalem, een uitlegging voor het volk van Jes. 40—66.

In ethische bladen is dit werk hoog geroemd, voor zoover de Gereformeerde pers er zich over uitliet, sprak ze van pijnlijke teleurstelling, een gewaarwording ook bij ons er door gewekt.

Een teleurstelling daarin gelegen, dat Dr.

Gunnings eerste woord van zijn inleiding een verwerping is van de echtheid van het Schriftstuk dat hij behandelen gaat.

Toch lieten we dit liever eerst door anderen uitspreken. In den waan verkeerende, dat ook wij in de verwerping der echtheid van Jesaia 40 v.v. eenstemmig met hem dachten, had namelijk de geachte schrijver ons gemeld, dat hij op ons oordeel in bijzondere mate prijs stelde. Iets wat we niet als een persoonlijke vriendelijkheid, maar als een uiting van de overtuiging beschouwden, dat de ethischen ten onrechte de Gereformeerde beweging in beteekenis onderschatten, gelijk Dr. Gunning dan ook meer dan eens den moed toonde (waarlijk geen eere voor zijn kring dat er moed toe noodig was) om met naam en toenaam Dr. Kuyper met zeker gevoel van broederlijke saamhoorigheid te vermelden.

De feiten aan Dr. Gunnings naam verbonden saamvattende, beschouwen we dan ook zijn tweede tekortdoen aan de autoriteit van het Oude Testament, liefst niet als een bedenkelijk afwijken, maar als een nog niet genoeg bekomen zijn van vroegere aberratie.

Gelijk men toch weet, heeft Dr. Gunning in vroeger jaren een eerste dichterlijke studie over een deel des Ouden Testaments geleverd, die veel verder afweek. Daartegen protesteerden ook wij toen. En sinds verluidde meer dan eens, dat Dr. Gunning het onbetrouwbare van de ethische Schriftbeschouwing inziende al meer neigde om tot het voorvaderlijk geloof terug te keeren.

En bevatte dit gerucht een deel waarheid, dan geeft ons dit vrijheid tot het vermoeden dat we ten deze meer met een achterlijkheid in het terugkeeren, dan met een welbewuste neiging tot afgaan van het gezag des Ouden Testaments te doen hebben.

Onze hope blijft dus gericht op een volgende studie, die ook het verkeerde in dit geschrift ridderlijk en rondborstig herroept.

Hoezeer dus ongeneigd tot een hard oordeel, moet ons intusschen toch een ernstig protest uit de pen tegen tweeërlei.

Vooreerst daartegen, dat Dr. Gunning het herhaaldelijk voorstelt, alsof die geleerden, die niet met hem medegaan, niet eerlijk zouden zijn. Hij zegt dit wel niet met zoo vele woorden, maar als hij zoo telkens uitspreekt, hoe hij • en de zijnen hierbij eenvoudig en eerlijk té werk gaan, spreekt het toch vanzelf, dat hij anderer eerlijkheid in verdenking brengt.

Weet men nu dat én aan de Vrije Universiteit én aan de Theol. School te Kampen, een tegenovergesteld gevoelen wordt vastgehouden, en dat hier te lande wijlen Prof. Dr.

A. Rutgers, wiens kennis van de Hebreeuwsche taal ook door Dr. Gunning wel verre boven de zijne zal geschat worden, evenals een reeks achtbare geleerden in Duitschland, met de nieuwe opinie niet medegaat, dan gaat het toch te ver, het voor te stellen, alsof het in deze geheel anders denkende kringen, niet zoozeer aan kennis, als wel meer aan eerlijkheid ontbrak.

Doch we gaan verder, en houden staande, dat Dr. Gunning de strekking van zijn keuze op dit punt niet eens doorzien heeft.

Hij verkeert toch in den waan, dat het hier alleen de vraag gold, of niet twee even heilige stukken der Heilige Schrift, maar van verschillenden oorsprong, onder één naam kunnen zijn saamgevat. Uitdrukkelijk toch verklaart hij, dat hij geenszins demogelijkheid betwist, dat God aan eenig profeet tot zelfs den naam van Cyrus zou hebben geopenbaard. Maar, zóo zegt hij, er is nu eenmaal een profetische regel, die eischt, dat de profeet spreekt uit den tijd en uit den toestand waarin hij zelf leeft en verkeert. Dit is hier niet het geval. P^n op dien grond besluit ik, dat het tweede gedeelte van Jesaia herkomstig moet zijn van een man, die niet in Jesaia's dagen, maar veel later in de tijden van Cyrus leefde, en leefde in Babyion.

Nu is het ons nooit gelukt de klem van deze redeneering te vatten. Als er in de Schrift zelve stond : „Alle profetie gaat uit van den toestand [waarin de profeet leeft, " dan zeer zeker zou deze regel vaststaan, en alleen te onderzoeken zijn, of hier metterdaad van Babylonische toestanden wordt uitgegaan.

Maar zoo staat de zaak niet. Dien dusgenoemden regel maakt men op uit wat men vindt. Het is een empirisch gevonden regel. Stel ook al, dat in Jesaia 40 vv. die regel niet doorging, zoo zou hier op zichzelf nog niets anders uit te besluiten zijn, dan dat ook hier exceptie conjirmant regnlam d. w. z. dat het niet een regel is die altoos doorgaat.

Maar er is veel meer.

Wie tot de gemeente komt, en zegt: Deze hoofdstukken zijn niet echt, behoort dan ook aan de gemeente duidelijk te maken, wat hieruit volgt, en nu weet Dr. Gunning evengoed als wij, dat juist uit deze hoofdstukken van Jesaia veel en telkens in het Nieuwe Testament geciteerd wordt, en dat er dan gedurig bij staat dat het uit Jesaia is. De autoriteit van het Nieuwe Testament wordt dus op niet weinig bedenkelijke wijze met en. door deze zelfde bewering losgewoeld. Er is dan ook reeds op gewezen, hoe Dr. Gunning bij datgene wat in het Nieuwe Testament wordt aangeduid als in Johannes den Dooper en op andere wijze vervuld, van deze vervulling op in het oog loopende wijze zwijgt.

Op ethisch standpunt nu is dit alleszins noodzakelijk.

Gaat men eenmaal uit van de grondgedachte, dat de profetie onder Israël zoo goed als uitsluitend een paraenetische strekking had, en geenerlei voorzegging bedoelde van wat na deze komen zou, dan is een stuk als Jesaia 40 v.v. in echtheid niet houdbaar, doch dan komt men ook in rechtstreeksch conflict met den Christus en zijn apostelen, die deze opvatting van de profetie niet steunen, maar in het aangezicht weerspreken.

En deinst men hiervoor nu terug, en luistert men eerbiedig toe, als men Jezus aan de Emmaüsgangers hoort uitleggen, hoe in Mozes en al de profeten van hem geschreven was, dat hij alle deze dingen moest lijden en alzoo in zijn heerlijkheid ingaan, en belijdt men met Dr. Gunning, dat er geen reden is waarom God niet tot den naam van Kores toe kon geopenbaard hebben, eilieve, wat reden ter wereld is er dan uitdenkbaar, waarom men aan de echtheid van deze hoofdstukken tornen zou.'' Op ethisch standpunt, dat geven we volkomen toe, is de Schrift onhoudbaar.

Niet enkel Jesaia 40 v.v., maar onhoudbaar heel de opvatting der Schrift gelijk Christus zelf en zijn apostelen ons die geven.

En op datzelfde ethisch standpunt is het evenzeer verklaarbaar, dat men zegt zelf „eenvoudig en eerlijk te werk te gaan, " en dan feitelijk de niet-ethische godgeleerden beschuldigt van oneerlijken zin,

Mogen we dus al aannemen, dat Dr.

Gunning bezig is zich aan zijn vroegere ethische praemissen te ontworstelen, er blijkt, dan toch weer uit dit geschrift, hoe ver het er nog vandaan is, dat hem dit reeds gelukt zou zijn.

Integendeel de achtergrond van heel dit werk, is metterdaad nog met de kleuren en tinten van het oude ethische palet geschilderd, en de ethische pers heeft dit zoo terstond gevoeld, dat ze in lof over dit werk overvloedig was.

Van tweeën één dan ook. Dr. Gunning moet den strijd tegen het ethische opgeven, en geheel terugzinken in het subjectivisme, of wel, het bedenkelijke van een werk als het onderhavige inziende, er spoediger dan men denkt, zelf vonnis over strijken.

Immers het is duidelijk, dat het vraagstuk der echtheid volstrelct niet enkel formeel is. Datzelfde vraagstuk der echtheid beheerscht eveneens de uitlegging.

En al willen we nu niets te kort doen aan de vele schoone en goede gedachten, die ook de lezing van dit stuk bij hem gewekt heeft, en die door hem op boeiende, vaak heldere wijze vertolkt zijn, hij zal ons zelf toestemmen, dat dit niet de hoofdzaak raakt.

Is de schrijver van deze stukken een man, die eeuwen later bij zich zelf gedacht heeft: „Ik zal Jesaia nabootsen, en mijn volk een boek geven, alsof het van Jesaia was", dan heeft deze uitnemendste der profeten een boek onder valschen naain uitgegeven, dan is de edelste profetie het werk van opzettelijke verdichting, dan hebben we hier niet met profetieën, maar met pseudonieme opstellen te doen, en wordt alzoo de zin van den schrijver, en dus ook de uitlegging van zijn woord door dezen stand van zaken geheel beheerscht.

En nu moge het zeer stichtelijk en vroom klinken, om, afgescheiden van dit alles, zich uitsluitend aan de zoo schoon klinkende woorden vast te klampen, maar Dr. Gunning zelf zal toestemmen, dat iveten? , cJiappelijk uitlegging van een auteur geheel andere eischen stelt. Dan is met-zijn bedoeling, met zijn ontleding te rekenen.

Doch, al ware het ook, en hiermede eindigen we, dat Dr. Gunning het niet anders zag, en het daarom niet anders kon of mocht zeggen, dan nog zouden we een anderen toon hebben gewenscht. Er wordt door zijn bewering aan de Gemeente iets ontnomen van haar erfgoed, er wordt door zijn stelling inbreuk gemaakt op geheel de Schriftbeschouwing, waarin de gemeente op het voetspoor van Jezus en zijn apostelen leeft, maar nergens spreekt zich een gevoel van sniart uit, dat dit z. i. alzoo moet.

Het is niet een hopen dat het alsnog anders blijken zal. Plet is niet een schuchterlij k nog met de ééne hand vasthouden, wat men met de andere hand moet prijsgeven. Het is een, zonder diepgaande gewaarwording, eenvoudig declareeren, dat men meegaat met de meerderheid der theologen die alzoo oordeelen.

En de Gemeente mag het aanhooren.

Misschien dat Dr. Gunning na dit korte woord van zacht protest gelezen te hebben, toch zelf gevoelen zal, dat er veel meer achter zulk een vraagstuk ligt, dan hij vermoed had, en erkennen dat er, althans op zijn standpunt, geen genoegzame reden uitdenkbaar is, om tot zoo noodlottig besluit te komen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 10 april 1898

De Heraut | 4 Pagina's

Teleurstellend.

Bekijk de hele uitgave van zondag 10 april 1898

De Heraut | 4 Pagina's