Uit de Pers.
Over afdolingen van den oorspronkelijk zoo schoonen weg, door onze vaderen betreden, schrijft de Bazuin:
Uit de Geneefsche reformatie volgt, dat in de voorstelling en in het stelsel der Gereformeerden alles berust en berusten moet, op een gebod Gods. Een mensch, wie hij ook zij, heeft in den dienst Gods niets te zeggen of te bevelen. Onwillekeurig leidde dit ware en mitsdien schoone beginsel, toen het door onvolkomen, zondige menschen in practijk werd gebracht, tot zoodanige wettische toestanden, dat het onderscheid in de bedeeling van het genade-verbond, vóór en na de komst van den Middelaar, zoo klein mogelijk werd gemaakt.
In de plaats van de besnijdenis do kinderdoop gekomen zijnde, moest deze ontvangen worden, wel niet juist op den achtsten dag, doch altijd vóór, niet na den achtsten dag.
In plaats van den zevenden dag, de Sabbat op den eersten der week, met al de predicaten en eischen van den Sabbat des zevenden dags.
In plaats van één tempel, elke kerk een tempel, bevolkt door Sionieten, die uit God geboren zijn.
Geen Koning David of Salomo, maar, om bij Nederland te blijven, een Voedsterheer der kerke, een tweede David, een tweede Salomo, een tweede Jozua, een tweede Mozes, en een raad van oudsten in hunne Heeren Hoog-Mogenden. En in de regeeringslichamen van Stad en Lande, Gewesten, Dorpen, Heerlijkheden, allerlei Welgeboren, Hoogwijze, Erntfeste, Zeer geleerde en Zeer godzalige mannen met de wijsheid van Salomo en de godsvrucht van Hiskia toegerust.
Als Priesters en Levieten moesten de Predikanten en de Ouderlingen beschouwd worden, en Nederland was het wezenlijke verbondsvolk, gedeeld, gelijk Jacobs nakroost, in twee Rijken, het Rijk van Israël (de Roomschen) en het Rijk van Juda (de Gereformeerden.)
Ik zal de uitwerking niet verder voortzetten, en voer het bovenstaande alleen aan, om de voorstelling bij u te verlevendigen en er u op te wijzen, hoe de denkkracht en de scherpzinnigheid der menschen uit een op zich zelf waar, en mitsdien schoon beginsel velerlei halen kan, dat er toch niet inzit.
Dit is gebleken, zoowel wal betreft de leer als de Kerkenordening.
Wat de leer betreft, redeneerde men in onze jeugd sterk uit art. 7 der Gel. Bel., voornamelijk uit deze woorden: ^tMen mag ook geener menschen schriften, hoe heilig zij geweest zijn, gelijk stellen met de Goddelijke Schrifturen, noch de gewoonte met de waarheid Gods, (want de waarlieid is boven alles, ) noch de groote me? iigie, noch de oudheid, noch de successie van tijden of fersonen, noch de conciliën, decreten of besluiteti."
Hieruit bewees men, dat het echte Gereformeerde beginsel vrijheid van denken en spreken eischt, en onderteekening van de Formulieren van eenheid, als in alles met Gods Woord overeenkomende, een onprotestantsche en ongereformeerde eisch en daad is. Men mag toch geen geschriften van menschen, hoe heilig zij geweest zijn, vergelijken bij de Goddelijke Schriften, den Bijbel, noch de gewoonte bij de waarheid Gods.
En ook is het ongereformeerd, zich op het gezag der Dordsche Synode te beroepen, want noch de conciliën, noch decreten of besluiten, hebben bindend gezag voor ons, wijl alle menschen feilbaar en mitsdien leugenachtig zijn. De waarheid is boven alles! En om de waarheid te kennen moet men onderzoeken. En om met vrucht te kunnen onderzoeken moet men vrij zijn. Men moet alle menschelijke schriften, dus ook de belijdenisschriften, aan de waarheid toetsen. En dan moet men ook vrij zijn om de resultaten van zijn onderzoek openbaar te maken. Men moet kunnen prediken en onderwijzen, wat men, na ernstig onderzoek, gelooft waarheid te zijn, en recht hebben, dit te verdedigen tegen alle tegenspraak. Dat is het echt Gereformeerde beginsel, het beginsel der Calvinistische reformatie: Gods Woord alleen en niets dan Gods Woord! Zoo blijkt het mogelijk met een formeel beroep op de belijdenis het materieële, den wezenlijken inhoud van de belijdenis zich van den hals te schuiven, alles in naam van het echt Protestantsch, echt Gereformeerd beginsel! Het komt er maar op aan, of men redeneeren kan, en de kunst verstaat van te kunnen bewijzen, wat men wil bewijzen.
Met deze methode heeft men ook het gezag der H. Schrift zelf te niet gedaan.
De Bijbel is door menschen beschreven. De Bijbel is dus een geschrift. Een oud geschrift. De Bijbel moet onderzocht worden. Naar Protestantsch beginsel is het onderzoek vrij. Men mag, naar dit beginsel, niet alles aannemen, wat oud is en overgeleverd door de voorgeslachten. De waarheid bovenal ! En, de Bijbel zelf leert, dat men de waarheid moet liefhebben, en dat de H. Geest in de waarheid leidt, dat het koninkrijk Gods niet bestaat in woorden maar in kracht, en dat de woorden van Jezus woorden zijn van eeuwig leven.
Zoo heeft men, formeel zich op de belijdenis beroepende, zoowel de belijdenis als den Bijbel verworpen, en aan beider gezag zich onttrokken.
Niettegenstaande alle deze buitensporigheden blijft echter het beginsel toch waar, dat we in den dienst Gods ons moeten houden aan hetgeen de Heere ons in zijn Woord geboden heeft.
Doch in de toepassing van dit eenig ware beginsel moet altijd rekening gehouden worden met het onderscheid tusschen de oude en nieuwe bedeeling van het verbond der genade ; met den zoon, die nog onmondig is en onder voogden en verzorgers is gesteld, en den volwassen zoon, die vrij is van den tuchtmeester.
Vooral geldt dit voor de bijzondere bepalingen der Kerkenorde. In die bepalingen treedt de vrijheid des Nieuwen Verbonds zóó op den voorgrond, dat het onderscheid tusschen de wettelijke voorschriften van den dienst Gods onder de Oude Bedeeling en de vrijheid des Nieuwen Verbonds dadelijk in het oog springt.
Het is dan ook onder de Gereformeerden buiten geschil dat, wanneer iemand de bepalingen der Kerkenorde niet naleeft of zelfs daar tegen doet, niet zondigt, zoo hij den innerlijken godsdienst van de eerste' tafel der wet onderhoudt en anderen niet erger maakt, of de orde in de gemeente verstoort. Gods gebod is: laat alle dingen eerlijk en met orde geschieden. Wie daar tegen handelt, zondigt. Maar die, somtijds zelfs om alle dingen met orde te doen geschieden, bepalingen der Kerkenorde niet naleeft of zelfs overtreedt, die handelt niet tegen maar naar het doet van alle Kerkenordening, hetwelk niets anders is dan om de goede orde en de eendracht in de gemeente te bewaren.
Indien het Gereformeerde beginsel, in de practijk altijd zoo ware toegepast, of werd toegepast, zouden er vele onaangenaamheden minder zijn en, naar mijne meening, zou de innerlijke dienst Gods er geen schade maar voordeel van hebben.
In onze dagen moet hier te meer op gelet, wijl de bepalingen der Kerkenorde, waaronder wij leven, uit de i6e en de eerste helft der 17e eeuw zijn, en geheel andere toestanden en verhoudingen onderstellen, dan die thans bestaan.
En de ondervinding heeft dan ook reeds overvloedig geleerd, dat, waar men theoretisch begint met de bepalingen der Kerkenordening te handhaven, men er spoedig practisch toe komt, een weinig w? ter in den wijn te doen, omdat men ziet, dat het eigenlijk toch zoo niet gaat. Het papier is wel geduldig, maar men heeft met menschen te doen en men verkeert in toestanden, die voor geen redeneering wijken.
Dit nu is niet tegen maar naar het gebod Gods, niet tegen maar naar het Gereformeerde beginsel; om alles te schikken en te richten naar het Woord Gods, hetwelk beveelt, alles te doen tot stichting, en opdat de naam van den Heere Jezus geprezen worde.
Die afdoling, waarop Ds. Gispen zoo terecht wijst, is ontstaan door mechanische Schriftopvatting in de eerste periode, en in de tweede periode door een „dusgenaamd" organische Schriftbeschouwing, die wel oog had voor het organische in profeten en apostelen, maar alleen niet begreep, dat de Schrift zelve, op zich zelve en in zich zelve, het karakter van een organisme draagt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 15 mei 1898
De Heraut | 4 Pagina's