Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Vraagbaak.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Vraagbaak.

7 minuten leestijd

Ds. Bruna, predikant in de Hervormde kerk, ook aan de lezers van de Heraut door zijn scherpe aanklacht tegen zijn eigen kerk, bekend, heeft onze populaire letterkunde verrijkt met een soort vraagbaak, waarin hij zoo kort en zoo objectief mogelijk een beschrijving poogt te geven van de onderscheidene denkbeelden en richtingen, die elkander tegenwoordig op geestelijk gebied kruisen.

Hij gaf zijn boeksken, slechts 90 bladzijden groot, en dat wel van zeer klein formaat, den titel van : Wat men gelooft in onzen tijd, en deed het 't licht zien bij den uitgever Ten Bokkel Huinink, te Utrecht.

In dit kleine geschrift nu doorloopt hij kortelij k alle gewichtige problemen, en alle koersen, waarin men zich voor de oplossing dier problemen beweegt.

Reeds hieruit volgt, dat hij zich alleen tot de hoofdzaak kon bepalen, zelfs die hoofdzaak alleen summierlijk kon ter sprake brengen, en bijna alle fijne schakeeringen moest weglaten.

En toch, al is het boeksken hierdoor verre van volledig, en schier voor niemand bevredigend, ontkend kan niet, dat zulk een korte generaliseering haar nut heeft, dat zulk een bezien van de geestelijke bewegingen bij vogelvlucht voor meer dan één helderheid in den chaos van zijn voorstelHngen kan brengen, en dat het menigeen eraan wennen kan zich ordelijk te orienteeren.

Het zal onzen lezers misschien belang in­ boezemen, te weten, wat hij ter karakteriseering van het Calvinisme of van het Gereformeerde standpunt schrijft.

Kort saamgedrongen komt het hierop

Ook ten opzichte van de wetenschap zooals die door den staat wordt onderwezen, geldt een dergelijk beginsel.

De staat, die Protestant is, zal alleen onderwijs kunnen doen gevea dat in overeenstemming is met de Protestante leer, maar tevens kunnen toelaten, dat door particulieren ander onderwijs gegeven wordt.

Nu is ons bestek te klein om de verschillende belijdenissen der kerkelijke protestanten afzonderlijk te bespreken, doch op een dezer belijdenissen moet hier bijzonder de aandacht worden gevestigd en wel op de z. g. Calvinistische.

Deze leer, die naar Calvijn is genoemd en in vele opzichten, gegrond is op de algemeene Christelijke en de algemeen protestante overtuigingen, wijkt in één opzicht daarvan sterk af.

Terwijl toch alle andere Christenen meenen, dat het allen menschen mogelijk is genade te verkrijgen en de waarheid te verstaan, meent de Calvinist dat dit niet voor alle menschen mogelijk is. Het is dus uit Gods wil, indien er velen zijn, die de waarheid niet inzien en geen genade ontvangen daar de genade en de waarheid niet voor allen, maar alleen voor de uitverkorenen zijn gegeven.

Dat uit deze leer voor de godgeleerdheid merkwaardige gevolgtrekkingen kunnen worden gemaakt, is een door de historie bewezen feit.

Op maatschappelijk gebied zal deze leer leiden tot eene groote mate van verdraagzaamheid, daar immers de niet-geloovigen om hun ongeloof niet mogen worden lastig gevallen. Op wetenschappelijk terrein is de hoofdconclusie wel deze, dat het Calvinisme tweeërlei wetenschap noodig acht: een wetenschap voor de Christenen en een wetenschap voor de anderen.

Overigens is 't Calvinisme met hart en ziel de algemeene Christelijke leerstellingen toegedaan.

Men ziet het, van onwelwillendheid is hier geen sprake, evenmin als waar hij de kerkelijke organisatie bespreekt, en desaangaande zegt:

Nu zijn er in de vorming van de kerk en in de keuze van bestuur en in de wijze van kerkregeering onder de verschillende protestante kerken groote verschillen op te merken.

Bij sommige kerken, die men democratisch zou kunnen noemen, geschiedt de keuze nog steeds door en uit de geloovigen. Bij andere echter is het recht van de benoeming aan den landsvorst, of zijn het andere hooggeplaatste personen die de kerkbestuurders benoemen, doch ook in dat geval ontleenen zij hun bevoegdheid aan het feit dat ze in gehoorzaamheid aan den bijbel de kerk (de geloovigen) dienen.

Ook is een verschil, dat sommige protestanten de plaatselijke kerk als afzonderlijke kerk beschouwen en andere de kerk van een land als een geheel met den naam kerk benoemen.

In het eerste geval is er somtijds een algemeene vergadering (synode genaamd) in het laatste geval is er meestal een voortdurend opperbestnur, dat eveneens synode wordt genoemd, of somtijds, zooals, in de Engelsche Episcopale kerk in één persoon is belichaamd.

Dit moge het verschil niét uitputten, maar de schrijver wijst dan toch objectief op het hoofd verschil, en doet dit blijkbaar met den toeleg, om ook ons streven tot zijn recht te laten komen.

Dit neemt intusschen niet weg, dat een kort corrigendum, althans wat de eerste aanhaling betreft, hier niet achterwege mag blijven.

De conclusie toch, dat het Calvinisme tweeërlei wetenschap noodig acht, een wetenschap voor den Christen en een wetenschap voor de anderen, is, voor zoover ons bekend, in dier voege nooit door één Calvinist gemaakt.

Blijkbaar doelt de schrijver dan ook op een onderscheiding, die zeer zeker ook onzerzijds gemaakt is, maar op heel andere wijze.

Nooit is door ons gezegd, dat er tweeërlei wetenschap was voor mannen van tweeërlei aard, de ééne noodig voor den Christen en de andere voor den niet-Christen, maar beweerd is, heel anders, dat de één op wetenschappelijk gebied werkt met gegevens, die de ander mist, en dat dientengevolge beider wetenschappelijke studie een ander verloop heeft, een andere methode volgt, en alzoo tot een ander resultaat moet leiden.

Er is dus niet beweerd, dat voor de twee soorten van personen een andere wetenschap noodig was, maar omgekeerd, dat beiden de eenige ware wetenschap noodig hebben, maar dat zij die buiten de Palingenesia staan, de gegevens en het licht missen, waarover de wedergeborenen wel beschikken, en dat ze dientengevolge bij hun studiën tot andere wetenschappelijke beweringen en resultaat moeten komen.

Dit vooreerst, maar ook in de tweede plaats is dit verschil tusschen de wetenschappelijke studie van den een en den ander nooit afgeleid uit de uitverkiezing, maar uitsluitend uit Jezus' woord: „Wie niet wedergeboren is uit water en Geest kan het Koninkrijk Gods niet zien", alsook uit dit andere woord van zijn apostel, „dat de natuurlijke mensch niet verstaat de dingen die Godes zijn".

Het is alzoo een anthropologische conclusie, d. w. z. zulk een besluit, dat getrokken wordt uit het feit, dat de één beschikt over datgene, wat de ander mist.

En evenzoo dient verzet aangeteekend tegen de voorstelling, alsof uitsluitend Gods wil, en niet ook 's menschen schuld, hierbij in het spel ware.

Wanneer men toch zegt, gelijk de schrijver: „God wil, dat er velen zijn die de waarheid niet inzien", dan maakt dat de indruk, alsof hierbij geen tweede oorzaak intrade.

Toch staat het vast, dat zelfs een Gomarus steeds op die tweede oorzaak wees, en nooit het niet zien van de waarheid buiten verband met 's menschen schuld verklaarde.

Het niet zien der waarheid is altoos gevolg van duisternis en verblinding, en die verblinding heeft altoos als naaste oorzaak de zonde en de schuld. En ook, zoodanige verduistering vloeit uit eigen schuld, als gerechte straf voort, dat alleen een opzette - lijk genadedaad Gods, waartoe Hij als Souvereine God tegenover niemand gehouden is, licht in deze duisternis kan doen instralen.

En daarbij nu blijft God vrijmachtig.

„Hij ontfermt zich diens Hij wil."

Een opmerking die niet bedoelt te zeggen, dat de schrijver dit anders verstaan zou hebben, of ook dat hij opzettelijk ons een valsche meening toedichtte, maar toch er op wijst, dat wie leert wat de schrijver zegt, en van elders het Calvinisme niet beter kent, het op die manier niet juist leert verstaan, en veeleer gevaar loopt er zich een geheele verkeerde voorstelhng van te vormen.

Dit doe intusschen aan den goeden loop van dit boeksken geen afbreuk.

De lezing er van zal vele eenvoudigen metterdaad helpen, om hun een klaarder inzicht in de verschillen van onzen' tijd te seven.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 15 mei 1898

De Heraut | 4 Pagina's

Vraagbaak.

Bekijk de hele uitgave van zondag 15 mei 1898

De Heraut | 4 Pagina's