„Een iegelijk zijnen broeder.”
Daarom zegt de Heere alzoo: ijlieden hebt naar Mij niet gehoord, om vrijheid uit te i'oepen, een iegelijlc voor zijnen broeder, en een iegelijk voor zijnen naaste: iet, zoo roep Ik uit tegen ulieden, spreekt de Heere, eene vrijheid ten zwaarde, ter pestilentie, en ten honger, en zal u overgeven ter beroering, allen koninkrijken der aarde. Jeremia 34 : 17.
Toen Jeruzalem voor Nebucadnezar bezweek, mengde zich in den ondergang der heilige stad ook een sociale qitaestie.
Een geschil tusschen het gegoede deel der bevolking en het armer deel. Een geding tusschen wie liet dienen en wie diende. Een vraag over loon, zoo ge wilt. En onder dit alles, als diepste verschilpunt, de hoofdvraag, of Gods ordinantiën zouden doorgaan en gelden, dan wel of overmacht wet en willekeur recht zou stellen.
Men was te Jeruzalem, zoo verhaalt de profeet Jeremia ons, in Zedekia's dagen, opnieuw tusschen „de twee helften van het kalf doorgegaan" (34 : 18), iets wat, gelijk we reeds uit Abrahams dagen weten (Gen. 15:9V.V.), het teeken was van heilige Verbondssluiting.
Die Verbondssluiting had plaats gehad op Sion, in den tempel, en er was aan deelgenomen door den koning, door de vorsten van Juda, door de vorsten van Jeruzalem, door de heeren van het hof des konings, door de priesters, en door mannen uit allen rang en stand der burgerij (34 : 19).
Er was toen een offerdier geslacht. Dit offerdier was in twee helften doorgehouwen. Tus
dier was in twee helften doorgehouwen. Tusschen die twee helften was een doorgang gemaakt. En toen was ter plechtige sluiting van het vernieuwd Verbond tusschen God en zijn volk, al wie er bijstond, met den koning en zijn hof, en den priester, aan het hoofd, in plechtigen optocht door die twee halve stukken van het offerdier doorgegaan.
Die twee halve stukken van eendier, dat zoo pas nog levend één was, bonden zinbeeldig al wie er tusschendoor ging tot één. En nu was de bezielende gedachte hierbij deze, dat van den éénen kant God Almachtig, ongezien maar door een ieder beleden, met zijn heilige tegenwoordigheid, en van den anderen kant al het volk tusschen die twee helften van het ééne offerdier doorwandelde, om hiermede voor hemel en aarde te betuigen, dat gelijk die twee helften van één leven waren, zoo ook God en zijn volk plechtiglijk vereend waren, als weerkeerig gebonden, en als zijnde van nu af aan onlosmakelijk één.
Waarover liep die Verbondssluiting, op dat hachelijke oogenblik, onder dezen benarden vorst?
Gold ze de rechten des konings ? De zuiverheid van den eeredienst? De Levitische reinheid?
De viering van den Sabbat ? Of iets althans dat met het heilige rechtstreeks samenhing?
Geenszins.
Op dat keerpunt van Israels weg, toen het er met de heilige stad op of onder ging, en in Babyion reeds de booze raadslagen tegen Sion gesmeed werden, riep God, als uiterste redmiddel, zijn volk op tot Verbondsvernieuwing in zake de verhouding tusschen de grooten der aarde en de arme kinderen des volks, door wie zij zich lieten dienen; toentertijd de sociale quaestie in Israël, geheel ingekleed natuurlijk in den vorm dier dagen.
Gelijk men onder ons nu nog een man die door de Justitie beboet is, zoo hij niet betalen kan, gevangenzet, en van zijn vrijheid berooft, zoo gold toen de wet, dat wie aan een ander zijn schuld niet kon betalen, bij hem in dienst ging, om voor hem te werken, zonder loon, om op die wijs zijn schuld in te verdienen.
Maar reeds in de woestijn van Sinaï, zooals VS. 14 herinnert, had God verordend, dat de rijke man zulk een arm schuldenaar na zes jaren dienst vrij moest laten uitgaan. Er moest recht naar beide kanten zijn. Schuld bleef schuld.
Maar ook schuld mocht niet in slavernij ontaarden.
Evenwel die heilige ordinantie Gods ten behoeve van zijn armen hadden de aanzienlijken in Israël voor niets geacht. Eenmaal zulk een arm schuldenaar in hun macht hebbende, hielden ze hem in hun macht. Ze weigerden hem weer vrij te laten, en lieten zich aldoor van zulk een maatschappelijk verongelukt man dienen.
Ze voelden niet, dat die man ook mensch, dat die mensch hun medeburger, hun volksgenoot en hun broeder was. Ze hadden geen eerbied voor zijn recht op persoonlijke vrijheid, en voerden zoo feitelijk onder Gods volk heidensche slavernij in.
En tegen dit kwaad nu ontstak de toorn des Heeren. Daartegen riep Hij Israël tot Verbondsvernieuwing op.
En het is aan dat kwaad dat koningen en vorsten, dat priesters en aanzienlijken feitelijk een einde maakten, door, toen de vijand Sion met ondergang dreigde, plechtiglijk voor God te betuigen, dat ze zijn ordinantie weer in eere zouden houden; en metterdaad lieten ze toen een iegelijk zijn wederrechtelijk in dienst gehouden broeder, vrij uitgaan.
Aldus toch spreekt de Heere door Jeremia: „Gij hadt gedaan wat recht is in mijn oogen, vrijheid uitroepende, een iegelijk voor zijnen naaste, en gij hadt een verbond gemaakt voor mijn aangezichte, in het Huis dat naar mijn naam genaamd is" (vs. 15).
Zoo deden ze in hun angst, toen het oorlogsgevaar dreigde, blijkbaar minder uit vreeze Gods, dan om in het hachlijk oogenblik op de lagere volksklasse te kunnen rekenen.
Nauwlijks evenwel was het oogenblikkelijk gevaar geweken, of plotseling bezonnen ze zich, en kwamen op den gedanen stap terug, en Heten de mannen, die ze vrij hadden gelaten, weer met geweld ophalen, en zett'en ze nogmaals op hun landgoederen of in hun werkplaatsen, zonder loon, aan harden arbeid.
Zoo was er dus zonde op zonde.
Eerst schending van Gods gebod. Toen breking van het vernieuwd Verbond. En nu zelfs de onmenschelijke wreedheid, om wie weer vrijheid gesmaakt had, gansch willekeurig en met geweld van zijn vrijheid te berooven.
En hiermede, zoo zegt de profeet ons, liep toen de beker over. Het is dit spelen met het heilige, het is dit bespotten van het Verbond des Heeren, het is dit wreed mishandelen van Gods armen, dit zich vergrijpen aan hun „broederen" geweest, waardoor het booze kwaad van Jeruzalem ongeneeslijk was geworden.
Wat zij hun broederen misdaan hadden, zouden ze nu zelven ondergaan.
Hadden zij van vrijheid beroofd, ze zouden zelven van hun vrijheid beroofd wor-(ien, Hadden zij geweld gepleegd, liun zou geweld geschieden. Daarom, zoo zegt de Heere: „Gij hebt naar Mij niet gehoord, om vrijheid uit te roepen, een iegelijk voor zijnen broeder, en eeii iegelijk voor zijn naaste, daarom, zoo roep Ik tegen u een vrijheid ten zwaarde, ter pestilentie en ten honger. Ja Ik zal u overgeven in de handen uwer vijanden en in de hand dergenen die uw ziel zoeken, en uw doode lichamen zullen het gevogelte des hemels en het gedierte der aarde ten spijze zijn" (vs. 17—20).
Over zulk een episode in de worsteling tusschen God en zijn volk wordt gemeenlijk heengelezen. Zelfs aan menig getrouw Bijbellezer is het verhaal er van schier vreemd. En toch verdient dit kort verhaal in de hoogste mate onze opmerkzaamheid.
Immers dit blijkt er uit, dat God de zijnen beproeft aan het hart dat ze voor hun minda-en hebben, en zulks niet als het op phrasen en woorden, maar als het op daden en het brengen van offers aankomt.
Er is verschil tusschen mensch en mensch op aarde, niet alleen wat zijn beteekenis als persoon, maar ook wat zijn positie in de maatschappij aangaat. Dat verschil is er, niet omdat God het zoo verordend had, of omdat het zoo zijn moest, want wat verschil in stand zou er in het Paradijs zijn geweest, en welk verschil in stand kunt ge u denken onder de gezaligden in den hemel, of ook straks op de nieuwe aarde?
Neen, dit verschil is sti-af, is gevolg van den vloek, het is er om der zonde wil.
Doch, en ziehier nu de spil waarom heel dit geding zich wentelt, nu zijn er twee personen, de eene een dusgenaamde man van hooger stand, en de andere uit de volksklasse. Die beiden staan onder schuld voor God, onder geheel dezelfde schuld, maar het vrijmachtig welbehagen Gods beschikt het zoo, dat die ééne aanzien, macht, invloed, geld, en volop levensgenot heeft, terwijl die ander, die niets schuldiger is dan hij, verkwijnt in vergetelheid en een kommervol bestaan heeft.
Nu mag die gegoede man van hooge positie niet zeggen: „Ik werp dat alles weg", en de man van lage positie mag niet morren tegen zijn lot, want over beider lot beschikt God de Heere.
Maar één ding staat dan toch vast. Dit namelijk, dat waar beide even schuldig staan, die maatschappelijk gegoede man bijna verlegen moet zijn met zijn rijker lot, en ziende op zijn armen broeder, zich moet afvragen: „Waarom ik niet in zijn plaats ? "; en dat hij, geleid door die gedachte, alles doen moet om het dien arme te doen gevoelen, dat hij hem toch aanziet als een broeder, en tot zijn hulpe genegen is.
Doch juist dat vindt ge nu in den regel niet.
Veeleer juist het omgekeerde.
Mannen en vrouwen, en zelfs kinderen, die er op aarde wél aan toe zijn, beschouwen het als een vanzeltheid dat zij zich door hun mindere laten dienen, zien uit de hoogte op hen neder, en zoeken de oorzaak van het verschil van lotsbedeeling niet in Gods vrijmacht, maar daarin dat zij een soort hoogere wezens zijn, en dat die minder bedeelden een lager menschensoort vormen.
Dat doet de hoogmoed, dat doet de zelfverheffing, dat doet de trots van het hart. Van een gelijke schuld die over allen gaat, wil men niet hooren. Zijn eigen hooge positie schrijft men aan de verdiensten van zijn voorgeslacht of aan zijn eigen verdiensten toe. Men ziet daarin niet iets, dat ter beschaming ons uit Gods vrijmacht toekwam, maar iets waarop men recht heeft, dat zoo bij ons hoort, en waar een ieder voor te buigen heeft.
Onder de heidenen had dit zelfs tot de slavernij geleid. Zoo'n mindere moest geheel rechtloos zijn. Alleen om den meerdere en machtigere bestaan. En als een slaaf niet meer van dienst was, maakte men hem desnoods dood.
Aan dien gruwel is nu een einde gekomen.
Zóóver kan de trots van het booze hart niet meer gaan.
Maar het laatdunkend neerzien is er nog wel terdege. De booze gedachte dat die anderen er zijn, om ons te dienen, blijft in het hart voortwoelen.
Zelfs bij anders nobele vrouwen merkt inen dat tegenover de vrouwelijke hulp van allerlei aard, die ze in dienst nemen.
En dat we ook van de kinderen spraken, had zijn goede reden. Te wanen dat, omdat vader en moeder van hoogere positie zijn, elk die dient ook als hun mindere op afstand moet gehouden worden, is voor die minderen soms het hardst om te dragen.
Nu heeft God reeds voor meer dan drie duizend jaren dat kwaad bij zijn volk door zijn heilige wet gestuit; ook al springt het heel Israels historie door. in het oog, dat ook bij het Verbondsvolk zoomin van de afgoderij (de zonde tegen God), ^ als van de zelfverheffing tegenover den mindere (de zonde tegen den naaste) werd afgelaten.
En juist daarom ligt er iets zoo opmerkelijks, in, dat diezelfde God, vlak voor Jeruzalems ondergang, juist op dit punt zijn volk nogmaals beproefd heeft, en juist op dit ééne punt zijn volk tot vernieuwde Verbondssluiting heeft opgeroepen.
Gij zoudt gedacht en verwacht hebben, dat God die Bondsvernieuwing op het stuk der afgoderij zou hebben doen plaats hebben.
Maar, neen, zoo was-het 7tiet.
God wilde zijn volk beproeven, of het in zake den armeren broeder, op het stuk van de behandeling van den mindere, maar die toch zijn naaste was, nog van" de heidensche hoogheden en trotschheden kon aflaten, om de liefde van een kind van God te laten werken.
Tot prikkel gaf Hij hun daarbij al het plechtige eener nieuwe Verbondssluiting. Wat ze aan den armen broeder misdeden, zou nu het karakter dragen van opzettelijke Bondsbreuke.
En eerst toen het volk bleek ook op dit punt te bezwijken, werd het doemvonnis over Jeruzalem onherroepelijk.
Ons wel een woord ter waarschuwing.
Ook wij staan onder het Verbond. Bij Doop en Avondmaal wordt het gedurig plechtiglijk bezegeld. We roemen in het kindschap. We jubelen dat we van 'sHeeren volk mogen zijn.
Zullen dan ook wij niet met name aan dat ééne gekend worden, of we hen, die om een schuld die op ons even zwaar als op hen rust, een minder deel ontvingen en vaak tot dienen geroepen zijn, steeds met die teederheid, met die liefde, met die verlegen goedwilligheid bejegenen, dat we hen hun mindere positie doen vergeten en hen verzoenen met hun lot?
Buiten den kring van Gods volk gaat tegenwoordig het geroep hoog, om waar het kan, op allerlei wijs het lot dier minder bedeelden te verbeteren.
Voegde het aan de discipelen en discipelinnen des Heeren dan niet, indien strijd steeds voor-aan te staan? Beschaamt het ons niet, zoo wie Christus niet kent hierin een meerderen ijver betoont ?
Bovenal, zal niet elk verloste des Heeren de heilige roeping gevoelen, om in zijn persoonlijke bejegening en in zijn persoonlijke ontmoeting, aan wie hem dient, en naar 'sHeeren bestel dienen tnoet, steeds te toonen, dat hij of dat zij (want op beiden valt hier de nadruk) ook in den mindere den broeder, in de mindere de zuster nooit voorbijziet?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 22 mei 1898
De Heraut | 4 Pagina's