Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

„Vaar in uwe scheede.”

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

„Vaar in uwe scheede.”

11 minuten leestijd

o, Wee, gij zwaard des Heercn, hoe lang zult gij niet stilliouden? Vaar in uwe scheede, rust en wees stil. Jeremia 47 : 6.

Slappe zoetsappigheid derft den ontzettenden ernst des levens, en het is onder dat gemis aan heiligen ernst, dat ons geslacht lijdt en onze eeuw haar hoogere veerkracht inboette.

Te erge dingen moeten ons gespaard worden.

Zijn er erge dingen, dan moet ge ze met een sluier overdekken. En moet er dan gesproken worden, omwoel dan elk woord. Te scherpen prikkel kan ons overspannen gevoel niet verdragen.

Daarom komt de ernst toch wel, want de een voor, de ander na sterven weg wie ons lief waren, en ten slotte legt de dood zijn hand ook op onzen schouder, maar ook daarvoor moet een chassinet geschoven. Zeg den kranke nooit dat er gevaar is, eer zijn uiterste ledematen reeds koud gaan worden. Spreek er over heen, lach waar droefheid over het naderend scheiden uw hart overstelpt; leid af; en komt het sterven, laat het dan opeens komen, verrassend onverwacht, zoodat de lijder zelf nauwlijks begrijpt dat dit nu sterven is, en bekort zoo den doodsstrijd. Af­

nu sterven is, en bekort zoo den doodsstrijd. Afscheid nemen gaat snel genoeg, ook al komt er dan geen woord meer over de lippen.

En trad de dood in, spoed u dan uit de sterfkamer weg. Laat de lijkbereddering aan anderen over. En komt het klokgelui, dat grafvvaarts roept, maak dan dat er bloemen, bloemen en nog eens bloemen zijn.

Niets moet ge van de lijkkist, niets zelfs van de; ^ zwarte lijdwade zien. Het moet al kleur en geur zijn, dat u toespreekt.

Want is al niet elke aandoening u te sparen, laat dan toch een vriendelijke aandoening aanstonds de sombere afwisselen.

De ernst is er wel, maar laat die ernst u niet naderen van te dichtbij.

Haast zou men zeggen, dat onze ernst het karakter van het vuurwapen heeft aangenomen.

Twee heiren staan in slagorde tegenover elkander, op een afstand, dat men elkaar niet ziet, noch onderscheidt, en hoogstens een streep in de verte merkt.

Dan wordt er gevuurd. Het schot gaat af en het doodelijk lood zwiept door het luchtruim.

Plotseling, eer ge er op bedacht zijt, treft het u.

Ge zijt kind des doods.

Maar zoo snel en zoo zacht gaat dit toe, dat vaak een soldaat, die doodelijk door het schot getroffen was, eerst daarna aan het vocht van zijn eigen bloed merkte, dat de moordende kogel in hem drong.

Heel anders sprak dit doodsgevaar op het slagveld in oude dagen, in de dagen waarin Israël zijn strijden streed, en de profeten Gods profeteerden.

Jeremia, Ezechlël, Zacharia, ze spreken ja van den pijl, die „als een bliksem uitvaart", maar toch, als ze zich den verslindenden ernst des levens levendig willen voorstellen, dan spreken ze van het zwaard.

God heeft ook pijlen, maar toch het ontzettende waarvoor de ziel terugdeinst en waarvoor het hart ineenkrimpt, is het gewette en getrokken en opgeheven zwaard.

Het zwaard was het hoofdwapen in die dagen.

Een boogschutter was een uitzondering, maar alle man droeg het zwaard op de heup. En dan drongen de slagorden op elkander in, tot ze over en weer op elkaar stieten. Het was geen vijand op twee kilometer afstand, maar een man met een uitgetogen zwaard vlak tegenover u.

Ge zaagt den gloed in zijn oog, de woede in zijn gelaatstrekken, zóó zóó en hij greep u bij de keel. En in zijn hand was het doodelijke zwaard, dat ge met uw zwaardslag moest opvangen, of ge waart kind des doods, een kind van een wreeden dood, in den schedel of in het hart getroffen.

En die schrik van het zwaard had elk man in Israël doorgemaakt. Men streed met heel het volk, met alle weerbare man. Vandaar in Israël die ontzettend groote legers van een half millioen en meer, en vandaar ook die ontzettende slachtingen, soms een kleine honderdduizend verslagenen op één enkelen dag.

En al brachten de meesten het er levend af, ze hadden dat zwaard „met den dood in het lemmet" dan toch vlak voor zich en vlak boven hun hoofd zien glinsteren, en alleen door zelf met hun eigen zwaard die mannen tegenover zich neer te vellen, waren ze den bitteren dood ontgaan.

"• Vandaar dat in de dagen der profeten het zwaard het symbool van des levens ernst was.

En vandaar ook, dat ze aan God denkende, en voelende zijn heiligen toorn, van het zwaard des Heer en spraken.

Het was de herinnering aan den Cherub met het vlammend lemmet bij het verloren paradijs.

Het was de herinnering aan den ernst, dien God over hun leven gespreid had, door zijn gerichten.

Het was de vreeze der ontwaakte consciëntie, die dit zwaard des Heeren als voor oogen, tegen zich dreigende, en doodelijk naderen zag.

En het was uit die hartaangrijpende gewaarwording, dat de bede opsteeg: „Zwaard des Heeren, vaar in inv scheede!"

Van Gladstone was het eerste, wat men na zijn sterven hoorde, dat hij zijn vrienden gebeden had, geen bloemen te spreiden over zijn lijkbaar, geen bloemen neer te leggen bij zijn graf.

Daar herkent ge den Calvii.ist aan, d. i. zulk een kind Gods, dat den ernst des levens aandurft, en al dit bemantelen en verbloemen afkeurt als zedelijke lafheid.

Struisvogelpolitiek heilige gerechtigheid. tegenover God en zijn

Gemis aan zedelijken moed om de werkelijkheid der dingen onder de oogen te zien. De werkelijkheid der dingen ook zooals ze van Gods zijde op ons aandringt.

En daarom stond dat spreken in de profetie van het zwaard des Heeren onvergelijkelijk veel hooger, dan dat lispelen van „dien goeden God, " waarmede men zich thans in den slaap der ziel wiegelt.

Wat men thans doet is God verlagen. Van den Almachtige een euphemistischen God maken, zooals men zelf als mensch euphemistisch bestaat.

En van Hem, die zegt: „Ik dood en ik maak levend, " een beeld zich vormen, alsof Hij die zelf alle lijden, zelfs den dood ons aandoet, den dood wegschoof achter een gordijn en onder bloemen schuilen deed.

Ons spel met het leven op God overdragen, alsof God zelf met dood en leven speelde.

Dien dood, dat lijden, dien bangen ernst denkt men zich dan als, buiten God om, ons uit een bang noodlot, uit harde natuurnoodwendigheid, uit blind geval overkomende, en God zelf, evenals wij, voor den ernst vluchtende, en ons helpende om er aan te ontvluchten.

En daartegenover staat nu de Schrift, die, dat laffe spel der zoetsappigen en blooden verachtend, God zelven het zwaard in de hand geeft, Hem met dat scherp gewette zwaard voor zich ziet, en dan ja opklimt tot de ondoorgrondelijke barmhartigheden, en tot de eeuwige armen van ontferming, die onder ons zijn, maar die naar boven tot dat goddelijk mededoogen niet kan opklimmen, en in dat mededoogen niet kan genieten, dan na eerst het zwaard des Heeren voorbij te zijn gegaan, en iets gevoeld te hebben van dien schrik des Heeren, die zijn ontzettende majesteit ons in het hart slaat.

Dat zwaard van den doodelijken ernst voelt men dan reeds vooruit snijden in de consciëntie eer het neerkomt.

Men ziet op Golgotha met een bangheid die de ziele wondt en ontroert, hoe daar het woord vervuld werd: „Zwaard, ontwaak tegen mijnen herder, " toen het uw Heiland tusschen de saamvoegselen van het merg doorging.

En pleitende op Gods ondoorgrondelijke barmhartigheden, bidt de ziel in stille angstige verzuchting, of het nóg mocht worden afgewend: „Zwaard des Heeren, vaar in uw scheede, en laat er nog sparing voor uw volk, sparing ook voor uw dienstknechten zijn."

Niet: „Neem dat zwaard weg." Niet: „Verbreek dat zwaard." Niet: „Laat dat zwaard bot worden geslagen."

Neen, de ziel die verstaat dat het leven niet buiten dien ontzettenden ernst kan, om ivaarlijk leven te zijn, en dat een God zonder het zwaard der gerechtigheid, een machteloos, een onheilig God zou zijn, voelt dat dit niet kan, dat dit niet mag.

De ernst, de spanning moet in het leven blijven. Eerst als er geen zonde meer zijn zal, en nooit meer zonde zal kunnen komen, genaakt de ure, waarin dat zwaard kan worden afgelegd.

Maar in dit ons leven, met zijn woeling uit zonde en beroering uit ongerechtigheid, zou een God zonder zwaard, zelf in dit zondig aanzijn verwikkeld worden. De tegensteUing zou wegvallen. De strijd zou uithebben. Geen oordeel zou uitgaan of naderende zijn. En het instrument onzes Gods, dat de zonde vellen, en den dood te niet zal doen, zou aan de hand zijner almacht ontglippen.

Maar wel: „Vaar in uw scheede".

Want zoo ook is het bij den krijgsman. De ééne maal slaat hij met het zwaard. Maar niet eindeloos. Als de strijd weer voorloopig tot beslissing is gebracht, steekt hij het zwaard op, en vaart het zwaard weer in de scheede, steeds gereed, om als het moet, weer getrokken te worden, en te glinsteren in het licht.

En zoo is de bede van Gods volk.

Het draagt de litteekenen van de wonden, die dit zwaard van Gods heiligen ernst ons sloeg.

Het zou niet willen, dat dat zwaard er niet was, want uit zijn wonden heeft het geleerd, en zijn litteekens onderwijzen het.

Maar het vraagt om verademing, om een ruste, te midden der worsteling.

Het bidt, dat het zwaard nu in de scheede vare.

Maar ook dat het daar rusten blijve, en gereed hange, omaanstonds weer getrokken te worden, als onze zonde Gods heiligheid omwoelen en verstrikken zou.

Die tijden zijn dan ook het rijkst en het gelukkigst in ons leven, als het oogenblik intreedt dat het glinsteren van het zwaard des Heeren tegen ons een einde nam, dat het zwaard van zijn toorn weer in de scheede ging, en we toch onder den plechtigen, ernstigen, heiligenden indruk verkeerden, dat het zwaard wel in de scheede was gestoken, maar er toch nog altijd was.

Het moet niet zijn, zoodra we uit doodsgevaar gered zijn, en weer aanwinnen in kracht, en opleven, en nauwelijks weer een veer van den mond kunnen blazen, enkel op goedertierenheden drijven, maar ook na onze genezing den indruk levendig houden van die vallei des doods, waarin we reeds enkele schreden hadden gezet.

Neen, al voer het zwaard in de scheede, in die scheede is het er nog, en straks kan het weer tegen ons getogen worden. En dit bidden we niet af, maar willen het zelf niet anders, want juist die scherpe prikkel van den levensernst geeft aan ons zielsleven die hooge spanning, die het Tk€& besef verheft en het z\Q\%leven adelt. g w b k o d e k

In onze gebroken natuur staan we zoo laag.

Let er maar eens op, in wat breede kringen het één lachen en aardigheden maken van den morgen tot den avond is, zonder dat er bijna; ooit een degelijk woord, een ernstig gesprek, een gedachtenwisseling waar wat inzit tusschen beide komt, of het moest een persoonlijke ruzie, een geraaktheid, een uiting van drift en hartstocht zijn, een woede om het eigen ik.

Zelfs in Christengezinnen, en bij Christenpersonen merkt ge hier nog maar al te veel van.

En zeker. God vraagt niet om lange gezichten en grafklanken in het dagelijksch gesprek, want dat alles is gemaakt en gekunsteld, een toeleg om voor vroom door te gaan, en de rol te spelen van een halven heilige.

Daar zit geen kracht, maar veeleer zonde in.

Maar wat ivel moet, is dat er ernst in onze ziel, een bezig zijn met hooge en heilige belangen in ons hoofd zij, en dat het op geheel natuurlijke wijze uitkome, hoe heel anders, en veel hoogere dingen dan van ons eigen ik en ons klein gezin, ons hart vervullen.

d Het moet aan ons te merken zijn, dat we w ons de zake Gods aantrekken, dat Sion ons met zorge vervult, dat de eeuwige dingen ons ter harte d gaan, en dat we meeleven voor de groote be­ e langen der menschheid, en de kleine van ons v vaderland. t

Ja, meer nog, zoolang er zonde in ons eigen hart woelt, en zonde heerscht in de wereld om ons heen, moeten we de spanning van het zwaard Gods, dat tegen die zonde ingaat, gestadig in onze eigen consciëntie doorleven.

Immers in dat zwaard alleen ligt de profetie van den volkomen triomf, die eens over zonde en dood zal bevochten worden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 5 juni 1898

De Heraut | 4 Pagina's

„Vaar in uwe scheede.”

Bekijk de hele uitgave van zondag 5 juni 1898

De Heraut | 4 Pagina's