Provinciale Universiteitsdag te Rotterdam op Donderdag 26 Mei 1898.
Op den avond, die dezen merkwaardigen dag voorafging, werd in de Nieuwe Kerk te Rotterdam, eene ure des gebeds gehouden, waarin als voorganger optrad Ds. H. H. Veder.
Naar aanleiding van Matth. 28 : 18 bepaalde Z.Eervv. zijn hoorders bij de heerschappij van Christus in hemel en op aarde. Achtereenvol
Christus in hemel en op aarde. Achtereenvolgens werd nagegaan: i. Wat onder die heerschappij te verstaan zij. 2. Waartoe die ons verplicht. 3. Hoezeer die ons bemoedigt.
Christus heeft heerschappij ontvangen na zijn Hemelvaart als Middelaar. Deze heerschappij strekt zich niet alleen uit tot het erf der kerk, maar ook tot het gebied der gemeene gratie.
Christus moet dus geëerd worden, op dat der wetenschap. Dit wordt veelal beter begrepen door de tegenstanders, die nooit een aanhanger der Anti-Revol. Staatsleer tot professor zullen benoemen, dan door vele voorstanders die meenen, dat die heerschappij alleen betrekking heeft op het eeuwige.
Die heerschappij legt ons èn persoonlijk èn als volksgeheel eene dure roeping op de schouders: de bevordering van het Christelijk Hooger Onderwijs. De toekomst van een volk toch hangt meer af van het Hooger, dan van het Lager Onderwijs. De ideëen die een volk beheerschen, zijn door de kweekelingen der Academiën verspreid. Daarom is de oprichting eener Vrije Universiteit noodzakelijk. Ook in de wetenschap komt Christus de heerschappij toe.
Ons getal is klein, onze vijanden zijn vele, onze strijd is zwaar, maar met het oog op de heerschappij van Christus, gaan we gemoedigd voort en durven we de Heere smeeken, dat het onze jeugdige Koningin vergund worde, aan de graden der Vrije Universiteit, dezelfde rechten toe te kennen, als aan die der Rijks Hoogesc holen.
De morgen-vergadering, die te 10 uur door Ds. Sillevis Smit na het lezen van Job 28 werd geopend, was druk bezocht. In een kernachtig en opwekkend woord ter inleiding lichtte Z.Eerw. den aard van deze provinciale universiteitsdagen en de keuze van de onderwerpen toe. Worden op den jaarlijkschen algemeeneii universiteitsdag vooral zaken afgedaan, op de provinciale dagen zijn de beginselen van de Vrije Universiteit en hunne toepassing aan het woord. Voordat de Vrije Universiteit bestond, was hier te lande de wetenschap slechts voor een kleinen bevoorrechten kring bestemd. Maar God heeft de wetenschap ook gegeven aan Zijn volk, het Calvinistische. De liberale wetenschap, van ongodistischen oorsprong, is ons volk opgedrongen, met verbreking van de historische lijn. Met Rome kunnen de Calvinisten samenwerken om de wetenschap weer los te maken van de heerschappij der rede en van de Revolutie. Geheel met Rome meegaan kunnen de zonen van Calvijn echter niet, omdat Rome de wetenschap ten slotte niet losmaakt van de kerk. Boven de liberale staatswetenschap en de kerkelijke wetenschap geeft de Vrije Universiteit de ware wetenschap, en die brengt zij aan het volk.
Aan de Vrije Universiteit wordt de wetenschap gediend om haar zelfs wille, dat is om Godswil.
Niet alleen echter om haar zelfs wille wordt zij er gediend; aan elke wetenschap is een technische zijde, zij zoekt altijd een toepassing in het leven, gaat uit om de vorsten en grooten, maar ook om het volk te dienen. In dit practische gedeelte heeft de Vrije Universiteit nog te weinig gedaan. De theologische faculteit heeft goede uitkomsten geleverd, maar van de juridische faculteit is nog weinig gebleken, en de medische is er nog niet. Maar zij moet komen. Er is schreiende behoefte aan geloovige medische wetenschap; reeds is de geloovige medische praktijk haar ver vooruit. Men zie op Veldwijk, 's Heerenloo en zoovele geneeskundige inrichtingen op gereformeerden grondslag meer. En nu is er de groote sociale kwestie, waarvoor de Calvinisten krachtens hun beginsel zooveel gevoelen : dat is vooral ook het werk van de juristen.
De onderwerpen, op dezen universiteitsdag te behandelen, houden zich met die sociale kwestie bezig.
Nadat de voorzitter zich door een vraag tot de vergadering alsnog overtuigd had, dat alle aanwezigen het beginsel der Vrije Universiteit aanhingen, aangezien voor hen alleen de universiteitsdag bestemd was, gaf hij het woord aan den eersten spreker.
Ds. J. H. Landwehr, van Rotterdam, behandelde nu „de Vrije Universiteit en de sociale kwestie".
Vóór spreker zich tot zijn eigenlijk onderwerp bepaalt, brengt hij in herinnering een paar stellingen van den heer Kuiper te Schraard, te verdedigen op het Kerkelijk Congres te Amsterdam, en volgens welke stellingen het Calvinisme met zijne scheiding van Kerk en Staat en ten opzichte der Sociale Kwestie vleugellam zou geslagen zijn.
Daartegenover gaat spreker betoogen: a. Wat er door de maatschappelijke kwestie verstaan moet worden. b. Hoe de Vrije Universiteit krachtens haar aard en beginsel eene ernstige' roeping daartegenover heeft. c. Hoe ze die roeping in een speciaal geval vervullen kan.
Breedvoerig werden deze drie punten uitgewerkt. Wijzende op den val, als de oorzaak van de sociale kwestie, gaf spreker voorts een beknopt overzicht over deze zaak en wees voornamelijk op den gezegenden invloed, dien het Christendom steeds op de maatschappij heeft uitgeoefend. Zelfs tegenstanders als Nietzche moeten dit erkennen. En zou nu het Calvinisme als zuiverste openbaring der Christenheid en „de Vrije", die opkomt uit het Calvinisme, geene roeping hebben tegenover de sociale kwestie?
Zeer zeker, en een gewichtige ook! Ze heeft eene algeheele nieuwe wetenschap tegenover de moderne dezer eeuw op te richten, eene bron te openen, waaraan het volk zijn dorst naar heilige kennis laven kan. Onder de maatschappelijke vraagstukken, die het eerst de aandacht der Vrije Universiteit vragen, is voorzeker het bevolkingsvraagstuk. Deze en dergelijke vraagstukken moeten beschouwd worden in het licht der Gereformeerde ethiek.
Na eenige discussie werd met een collecte voor de Vrije Universiteit de voormiddagvergadering besloten.
Na de pauze trad Dr. B. J. F. Bavinck, van Rotterdam, op. Hij sprak over „zonde en krankheid", het eerste als oorzaak van het tweede, waarvan in het Oude Testament zeer treffende voorbeelden zijn te vinden. Om ons heen zien wij dat 'ook. De drankzonde bv. heeft, behalve andere ziekten, tering en krankzinnigheid in haar gevolg. Onmatigheid in het algemeen, in eten o.a., brengt ziekte mede. Het ergste ziet men dat verband tusschen zonde en krankheid in de (sexueele) onzedelijkheid. En dan ook in de verwaarloozing van gezondheidsvoorschriften, enz.
Hierin ziet spreker het bewezen, dat de zonde krankheid en dood heeft voortgebracht. Hij waarschuwde echter, dat men uit een krankheid van een bepaald persoon niet besluiten mag tot een zonde als oorzaak daarvan. Veelal is er geen rechtstreeksch verband. Toch is oorspronkelijk de zonde oorzaak van ziekte en dood, zonder haar zijn ziekte en dood ondenkbaar. Ziekte en doad zijn op zich-zelf onnatuurlijk en niet te verklaren, tenzij zooals de Bijbel het doet. Wat wij onder ziekte te, verstaan hebben, is eigenlijk ook moeilijk te zeggen; de grens tusschen gezondheid en ziekte is zoo moeilijk te trekken.
En na den zondeval kon de mensch ook nog maar relatief gezond zijn. De dispositie tot ziekte, die is door de zonde in den mensch gebracht. Aan den anderen kant is ziekte dikwijls het middel om den mensch het gevoel van zijn afhankelijkheid van God te leeren, en hem tot inkeer te brengen. En als de mensch dan met God is verzoend, ' heeft de dood geen versc'nrikking meer voor hém, zoo min als men zich kan denken, dat de mensch vóór den zondeval of Christus in zijn lichaam ziek is geweest. Spreker eindigde met een pleidooi voor het noodige van een medische wetenschap rustend op Gods woord, een medische faculteit aan de Vrije Universiteit.
DG. R. J. W. Rudolph, uit Leiden, sprak ten slotte over „de juridische faculteit van de Vrije Universiteit en den strijd om het Recht in staat en maatschappij in onzen tijd"." Spreker stelde tegenover elkaar de Gereformeerde beschouwing van het recht, als heilig en goddelijk van oorsprong, en de beschouwing, die uit de revolutie is en aan het recht het goddelijk karakter heeft ontnomen. Het gevolg hiervan is, dat het recht niet meer vaststaat; er heerscht Babylonische verwarring tusschen de geleerden, over wat recht is, en de wetten en grondwetten worden telkens gewijzigd.
Spreker gaat nu na welke instellingen God onder de menschen heeft gebracht, hoe Hij het recht heeft vastgelegd, de overheid aanstellende om het uit te voeren, en haar het zwaard gevende om elke aanranding van het recht te wreken, desnoods met den dood. De Revolutie nu heeft die instellingen, dat recht, het gezag van de overheid ondermijnd. Als een voorbeeld wijst spr. op het wetsontwerp van den leerplicht, dat den schoolopziener verheft tot een opperhuisvader, het ouderlijk gezag alzoo aantastende.
Tegen die ontwrichting van het recht op staatkundig gebied strijden de Gereformeerden met alle macht.
Op maatschappelijk gebied strijden de Gereformeerden voor de heilige rechten, de rechten bij de gratie Gods van den mensch; voor vrouwen om als vrouwen, voor kinderen om als kinderen behandeld te worden; een strijd dus voor beperking van arbeidsuren; voor het recht op arbeid, op pensioen; voor Zondagsrust, voor nachtrust. Deze rechten moeten door de wet worden beschermd.
De spreker schetst nu hoe de machine den werkman achteruit heeft gezet, hoe zijn inkomsten zijn verminderd, zoodat hij niet meer voor den ouden dag kan zorgen; hoe hij, geen ambacht meer behoevende te leeren, aan zijn machine gebonden en van den fabrikant afhankelijk is; hoe zijn |dag geheel in beslag wordt genomen, zoodat hij aan zijn gezin afsterft; hoe zijn nachtrust wordt opgeëischt, en zijn kinderen zelf al vroegtijdig in de fabriek worden opgenomen, tot verlaging van het loon en tot onheil van de kinderen zelf.
Aan dat ongelukkige leven van den fabrieksarbeider moet een einde komen. De liberalen hebben deze dingen maar laten gaan, maar als nu niet ernstig hervormd wordt, als de wetgever niet ingrijpt, zal het volk opstaan en zichzelf recht verschaffen; — en onder de sociaaldemocraten is er een partij die geen rechtvoer het volk verwacht, als niet de geheele maatschappij omgekeerd is en de verordeningen Gods afgeschaft zijn. Voor de Gereformeerden is het dus plicht in deze op te treden: voor Gods eer, en voor staat en maatschappij, die op Zijn Woord berusten. De strijd is dus tegen de Revolutie. Maar ook is het plicht om mede te strijden met den zwakken naaste voor zijn heilig recht. _ God is niet alleen een God van barmhartigheid, maar ook een God van gerechtigheid.
In dien strijd om het rechtheeft de juridische faculteit van de vrije universiteit ons voor te lichten; uit den Bijbel de beginselen van alle recht opsporen en op dezen tijd toepassen. Aan de andere universiteiten is de juridische studie slechts wettenstudie, de Vrije Universiteit leert het recht, berustend op Gods Woord; aan de wettenstudie liggen hier een Gereformeerde rechtsfilosophie en een Gereformeerde rechtsencyclopaedie ten grondslag. Ook in den maatschappelijken strijd om recht geve de Vrije Universiteit de leiding; daaraan is behoefte. Het antwoord, aan de rijksuniversiteiten op de sociale kwesties gegeven, spruit niet voort uit Gods AVoord en kan dus niet goed zijn. De Gereformeerde rechtswetenschap moet den weg wijzen.
Maar dan moet de juridische faculteit aan de Vrije Universiteit worden uitgebreid, en dat kost veel geld.
Een broederlijke, leerrijke discussie volgde ook op dit referaat, dat op verzoek van Ds Teves zal uitgegeven worden. Ds. Sillevis Smit sloot ten slotte met dankzegging de samenkomst, die hij welgeslaagd kon noemen. Inderdaad mag met voldoening op dezen dag terug gezien worden.
Een vriendschappelijk maal vereenigde in den namiddag nog tal van aanwezigen op den Provincialen Universiteitsdag. Met dank aan God den Heere, maar ook met erkentenis vooral wat de broeders hadden gedaan om de samenkomst van hooge beteekenis te doen zijn, ging men uiteen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 5 juni 1898
De Heraut | 4 Pagina's