Onze Eeredienst.
XXXV.
Aan de zit/> laatsen-quaestie knoopt zich vanzelf de quaestie der kerkelijke bedienden.
Vooraf echter nog een kort woord over het gevaar van paniek.
Ook een kerkgebouw kan in brand geraken. Het lot dat Spurgeons Tabernacle te Londen trof, bewees het dezer dagen opnieuw. Dit kan door het inslaan van den bliksem. Het kan door gasontploffing. Het kan door het omvallen van een stoof of zooveel meer. Paniek kan ook uit andere oorzaak voortkomen. En vooral vergete men niet, dat brandpaniek niet zelden aan twintig, dertig en meer menschen het leven heeft gekost, waar de brand zelf in een ommezien was te blusschen. En vooral verlieze men niet uit het oog, dat de slachtoffers van een paniek volstrekt niet alleen te zoeken zijn in hen, die bepaaldelijk doodgedrukt of doodgetreden worden, maar dat, o, zoovelen bij zulk een paniek een schrik of kneuzing opdoen, die eerst later haar noodlottige uitwerking toont.
Nu is zulk een brandpaniek in de komedie veel gewoner dan in de kerk, om de eenvoudige reden, dat op het tooneel zooveel licht ontvlambare stof, en zoo velerlei soort laag, gespreid licht aanwezig is. Maar op zich zelf staat een kerk er evengoed aan bloot, en schrijver dezes zelfheeft voor jaren eens zulk een paniek in de Hervormde kerk te Scheveningen bijgewoond bij een volgepropte beurt. Het licht in het klankbord boven den predikstoel, dat te hoog opgedraaid was, deed plotseling even een vlam uitslaan, en dat gezicht voor één oogenblik van een kleine vlam boven den predikstoel was genoeg, om in één seconde, heel de kerk overeind te doen vliegen, over banken en stoelen te doen klimmen en in minder dan twee minuten de kerk te doen ontruimen. De kerk was leeg, eer men binnen het dusgenaamde doophek zich rekenschap kon geven van wat gebeurd was. Nu gold het hier een forsche, stoere bevolking, die tegen een stootje kan, en zich niet ontziet in het duwen een stootje te geven, en ook een bevolking, waarvan het manlijk personeel aan klimmen en klauteren gewoon is. Van
daar dat alles zoo vlot Ijep. En ook het gebouw stond geheel vrij, en had uitgangen aan alle kanten. Maar als dezelfde paniek was uitgebroken in een kerk met galerijen en trappen er in, en met slechts uitgangen aan één straat, dan is het geen oogenblik de vraag, of bij een gewone bevolking, die minder vast op de beenen staat en minder aan klimmen gewoon is, waren er dooden gevallen.
Reeds bij het bespreken van het gebouw wezen we er daarom op, dat het zaak is, bij den aanleg van de trappen en uitgangen hierop te letten. Iets waartoe de politie dan ook verplicht. Maar ook bij de zitplaatsen komt dat gevaar van paniek ter sprake, omdat men bij drukke beurten de gewoonte heeft, om alle looppaden en toegangen, en zoodoende heel de oppervlakte der kerk, van muur tot muur te bezetten.
Ontstaat er nu een paniek, dan staan in de looppaden niet alleen al die personen, maar wat haast nog erger is, ook al die stoelen of taboeretten. Men staat op, en laat zijn stoel of taboeret staan. Die worden omgeloopen. Een struikelt er over.
Een tweede over dien ééne. Zoo komt er een opstopping. En opeens is het doodsgevaar aanwezig. En zulks te eer waar men mannen en vrouwen vaneen scheidt, en het sterkere geslacht bedacht op zelfbehoud, het zwakkere, en vooral de ouden van dagen onder het zwakkere geslacht omver-en overhoop loopt.
Het schijnt daarom raadzaam, de looppaden steeds geheel vrij te houden, en nimmer het neerzetten van stoelen, krukken of taboeretten in de looppaden toe te staan. Of ook, kan men daartoe niet besluiten, dan is het plicht kleppen aan de banken te maken, die, als men opstaat, vanzelf opslaan, en zoo het looppad weer vrij maken. Die kleppen zijn intusschen alleen aan banken te bevestigen, zoodat in kerken met stoelen bezet, onverbiddelijk op het niet bezetten van de looppaden moet worden aangedrongen.
Daarbij echter is het raadzaam, geen looppad in het midden te maken, vlak voor den kansel. Middenin de kerk zijn de beste plaatsen, en met name voor den spreker is het niet alleen onaangenaam, maar zelfs hinderlijk, en bij het spreken belemmerend, als hij vlak voor zich uit, niets dan vloersteenen ziet, 1 Het raadzaamst is, de looppaden van beide zijden langs het middenvak te doen loopen, en zoo breed te nemen, dat minstens twee man er nog door kan.
Vooral als Gereformeerden moeten we ook in die uitwendige dingen toonen practisch en vaardig te zijn, en niet in geestelijken overmoed God te willen verzoeken.
Gods wet gebood aan Israël een leuning langs het dakplein te maken, opdat niemand een ongeluk zou krijgen. Dat te verzuimen, was zondigen tegen het zesde gebod. En zoo ligt ook hier zonde tegen het zesde gebod voor den kerkeraad, zoo hij verzuimt bij mogelijk gevaar voor het menschenleven te waken.
En ook, als er ooit, wat God verhoede, zulk een paniek uitbrak, moet op de kloeke bezonnenheid van ons volk kunnen gerekend worden.
Zulk een paniek levert nooit gevaar op, mits men kalm blijve en niet ga dringen.
Juist dat dwaze dringen doet den dood aan.
En daarom, wie rustig in zijn God, helder van hoofd en practisch van zin is, verstaat dat bij zulk een paniek, ieder zijn beurt heeft af te wachten, en dat, zoo men hierbij maar de tegenwoordigheid van geest bezit, zelfs de achterste er veilig uitkomt, lang eer het vuur hem kan aangrijpen.
Natuurlijk moet wie in het looppad is, zoo vlug als hij kan er uit loopen, en moet men een kind of een oude vrouw desnoods er uit tillen, maar voor het overige is rtistig zijn benrt afwachten bij alle paniek het probate middel om ongelukken te voorkomen.
Dit over het gevaar van paniek, en nu een kort woord over de „kerkelijke bedienden, " hierin bestaande, dat ze een onding zijn, en in Christus' kerk, uitzonderingen nu daargelaten, niet thuis hooren.
Althans niet zoo men onder „kerkelijke bedienden" gehuurde personen verstaat, die voor geld zich met allerlei diensten belasten.
In de kerk moet alles vrijwillig zijn, tenzij men er geheel van bestaan en van leven moet, en dtis zijn eigen bedrijf of beroep er voor moet aangeven.
Dit is de eenige uitzondering die op kerkelijk terrein bezoldiging toelaat.
Een predikant moet er geheel van bestaan en leven, en moet dus door de kerk onderhouden worden.
Blijkt het zoo in een groote stad noodig, dat één of twee ouderlingen zich den geheelen dag aan het huisbezoek wijden, en hebben zij geen eigen middelen van bestaan, dan moeten ze leven van de kerk waarz'Oör ze leven.
Besluit men een broeder-diaken, met zijn vrouw, in eigen persoon aan het hoofd van een weeshuis of dergelijke te plaatsen, wat altoos veel beter is dan een gehuurde „vader en moeder, " dan moet die diaken leven van de kerk.
Is er een bode noodig, die zoogoed als de geheele week op straat is, en heel de week door voor kerkelijke belangen heeft te zorgen, zoo moet deze geheel onderhouden worden.
Maar diensten om en bij en in het kerkgebouw, die alleen voorkomen op de Zondagen, en die niemand in zijn zaken hinderen, en hem vrij laten om als een gewoon burger in zijn beroep te verkeeren, moeten zonder uitzondering liefdediensten zijn.
Is bij groote gebouwen een kosterij, dan kan men die als vrije woning aanbieden, maar meer is dan ook niet noodig.
Zelfs de organisten moeten de kerk vrijwillig dienen, althans zoo de kerk die diensten alleen op Zondag vraagt. De kerk moet hen van een goed orgel, van goede muziek enz., , voorzien, en mag hen niet als ondergeschikten, maar moet hen als broeders behandelen. Maar hun spel moeten ze aan de kerk geven, zelven verblijd dat ze de gemeente hierin dienen mogen.
En alle overige diensten bij de vergadering der geloovigen moeten óf door leden van den kerkeraad, óf door kerkvoogden, óf door broeders, daartoe aangezocht, met liefde bediend worden, zelfs al heeft men een toren met een klok, en dus een klokluider noodig.
Op het collecteeren komen we later bij het bespreken van den Dienst zelven teruf, we bepalen ons nu tot wat men onder het oude régime bepaaldelijk kerkelijk bediende noemde, en dan houden we vast aan den gestelden regel: Voor diensten op Zondag bewezen, en die iemand niet in zijn gewone beroep beperken of hinderen, mag door geen kerk geld worden vergoed.
Iets wat nu natuurlijk niet zeggen wil, dat men plotseling overal, ook waar dusver andere regelen golden, zijn geld moet inhouden, maar wat beduidt, dat men allerwegen bij nieuwe regeling of nieuwe aanstelling bedacht moet zijn op een overgang uit het verkeerde in het eenig goede stelsel.
Voortaan alles anders te willen maken dan het is, is niet wijs, en velen, die thans inzien, dat er in velerlei opzicht vroeger niet uit het beginsel geleefd is, zouden zich verstandiger aanstellen zoo ze geduld wisten te oefenen, dan door met zekeren wil.'en drang alles plotseling anders te willen maken dan het is. Alleen waar van het verkeerde een beginsel wordt gemaakt, moet onverbiddelijk weerstand geboden. Maar voor het overige is het altoos plicht, aangegane verbintenissen stipt te houden, en den vorm der overgangen zacht glooiend en niet oploopend steil te nemen.
Ook moet de gemeente van deze dingen onderricht worden. De zaak moet haar uitgelegd. De veel hoogere eer van vrijwilligen dienst moet haar op het^ hart worden gebonden. Ze moet wiüig opkomen om vrij te dienen, niet als uit dwang maar uit lust des harten.
Bovenal, men moet de regeling goed en verstandig aanleggen.
De kerkeraad moet de regeling niet op zijn beloop laten, maar nauwkeurig aanwijzen»
wat bij den Dienst de broederen ouderlingen te doen hebben, met name wie bij voorkomend ongeval met gezag en regelend heeft op te treden.
De predikant op den kansel kan er niet bij. Er moeten anderen zijn, die hindernissen wegnemen, of ongelegenheden afweren.
En ook, om dezen vrijwilUgen dienst goed te laten loopen, moet men er niet te weinig broederen voor nemen. Zoo enkelen dit alles doen moeten, zijn ze aldoor in touw, en gaat voor hen veel van het stichtelijke verloren.
Meer dan voor één dienst op een Zondag moest niemand ingespannen worden. In een tweeden dienst moest er een ander zijn die hem vervangt, opdat hij, als een gewoon kerkganger, zonder door iets afgeleid te worden, zich onder de schare kan nederzetten. En ook ware het te wenschen, dat enkele mannen van positie hieraan meededen, opdat toch nooit de indruk zich mocht vestigen, dat dit diensten van minder allooi zijn, alleen goed voor broederen van een lagere klasse.
Al zulke gedachten zijn steeds uit den Booze en ontheiligen de saamkomsten.
Wat nu eindelijk de weekdiensten betreft, zoo volgt uit den gestelden regel, dat deze tot schadeloosstelling kunnen noodzaken, althans in groote steden, waar men ook 's avonds op kantoor als anderszins bezig is.
Vele zijn die weekdiensten niet, en op een dorp waar men ten hoogste éénmaal weekdienst heeft, en dan laat, als alle arbeid is afgeloopen, levert dit geen bezwaar op.
Maar in groote steden, waar weekdiensten en trouw beurten tamelijk veelvuldig zijn, is het niet altijd mogelijk broederen te vinden, die zonder schade voor hun beroep, de kerk dienen kunnen.
Wie ook dan vrij man is-, ga daarom bij dezen weekdienst voor, en broederen die hun koetjes op het droge hebben, van pensioen leven, of althans hun zaken naar eigen goedvinden verschikken kunnen, zullen wel doen, daarin de kerk vrijwillig te dienen.' Maar zijn de zoodanigen er niet, en is men verplicht zijn toevlucht te nemen tot personen, die er hun zaken voor moeten achterschuiven, en er winst om moeten derven, dan is het alleszins billijk dat ze hiervoor schadeloos worden gesteld, zooals dit met organisten kan voorkomen, die er particuliere lessen voor moeten opgeven.
Doch dit loopt dan slechts over een zeer klein bedrag, en de hoofdstelling blijft dan toch doorgaan, dat in de gemeente als ze saamkomt, niet de één zich vreemd houdt tegenover den ander, en weigert iets te doen, als hij er niet voor betaald wordt, maar dat al wie kan in liefde vrijwillig dient.
Verdienen op den dag des Heeren zou zelfs met het vierde Gebod in strijd zijn.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 12 juni 1898
De Heraut | 4 Pagina's