Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Onze Eeredienst.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Onze Eeredienst.

10 minuten leestijd

XXXVIII.

Op zichzelf verdient het zeer zeker aanbeveling, dat de geheele Dienst niet aan één enkel persoon worde opgedragen, en van oudsher heeft men dan ook de handeling bij den Dienst veelal over twee of meer personen verdeeld, t^n al zijn ten onzent van zulk een Dienstverdeeling noch slechts uiterst zwakke sporen over, iets is er toch nog. De Predikant is wel bijna het factotum, maar laat toch nog iets aan anderen over, met name het collecteeren aan de Diakenen, en de Schriftuurlezing aan den Voorzanger.

Hoezeer echter dit kleine overblijfsel van meer gedeelde actie te waardeeren zij, toch zegt het niet heel veel.

Het collecteeren gaat nu eenmaal van den predikstoel niet, en fs op zichzelf een puur materieele bezigheid, een dienst die evengoed door een bus in den muur of door een steenen offerzuil bij den ingang der kerk kon worden verricht, zoodra de offerwilligheid der geloovigen maar krachtig genoeg was.

En wat het voorlezen aangaat, zoo mag niet voorbijgezien, dat men dit jarenlang en allerwegen geheel buiten den Dienst placht te plaatsen, en dat het verricht placht te woorden door een gehuurd voorlezer, die geheel buiten het ambt stond.

Veel zegt dit dus niet, al mag met dank erkend, dat van lieverlede weer de gewoonte in zwang komt, om de praelectuur uit de Heillige Schrift door een der Opzieners te laten verrichten, en zelfs om die te laten verrichten in den Dienst.

We geraken dus den beteren weg op, maar we zijn er nog niet.

Juist daarom echter moet in die richting verder worden gestuurd; want het overlaten van - alles en alles aan één man heeft iets drukkends, en dreigt altoos het denkbeeld van een vergadering weer teloor te doen gaan.

Als eenige honderden personen saamkomen, en ze wachten allen op één man, en als die ééne man er is, doet hij alles en spreekt hij alleen, en als hij uitscheidt met spreken, keert ieder huiswaarts, dan moet er het denkbeeld wel in komen, dat men daar om dien éénen man kwam, om hem te hooren, om naar hem te luisteren, en dat hetgeen er verder bijkwam, een soort franje was, die desnoods kon worden weggelaten.

Men voedt dan het valsche denkbeeld van een gehoorzaal, waar iemand een rede ten gehoore brengt, en het denkbeeld van een vergadering van de geloovigen te houden raakt er uit.

Ook voor de Opzieners als zoodanig is het gewenscht, dat niet de indruk ontsta, alsof slechts één uit hen in de vergadering der geloovigen handelend mocht optreden, en de anderen er slechts als figuranten bij zitten.

En niet minder is het gewenscht voor den Dienaar des Woords zelven, voor wien de vermoeienis, zoo hij twee-of meermalen op één dag moet optreden toch al groot genoeg is, en wiens zelfbesef meer broederlijk gestemd blijft, zoo hij niet altoos de spil is, om wien letterlijk alles draait en zich beweegt.

Dat er kleine kerken zijn, waarin dit niet anders kan, dient te worden toegegeven.

Een kerk kan zoo klein zijn, dat men er met moeite één ouderling en één diaken kan vinden, en ook in kerken van iets breedere verhoudingen, laat het zich zeer wel denken, dat alle overige Opzieners zich bezwaard gevoelen, om wat deel dan ook van den Dienst voor hun rekening te nemen.

• In zulk een geval nu moet de Dienaar des Woords wel alles en dit alles alleen doen, en er zijn kerken, vooral in Azië en Afrika, die nog altoos zoo onvolkomen in haar gestalte zijn, dat de ééne Dienaar des Woords er de gebeden, de voorlezing en de preek doet, zelf het orgel bespeelt, zelf voorzingt, en als de Dienst uit is, zelf als koster fungeert, de kerk sluit en de sleutels in zijn zak steekt.

Maar daar doet dit geen kwaad.

Dan toch gevoelt ieder dat het nog niet zoo is als het hoort. Dan volgt men zoo gebrekkig voorbeeld niet na, waar het anders kan. En is men er op bedacht anderer hulp in te roepen, zoodra die hulp maar te vinden is.

Allengs echter was het opdragen van heel den Dienst aan één man, zelfs in de grootste en ruimst bedeelde kerken derwijs gewoonte geworden, dat men er het onvolkomene niet meer van inzag, het alzoo ten regel stelde, en wat er nog van andere herkomst over was, als een waterloot uitsnoeide.

Wat we vragen is dus allerminst, dat men op eenmaal, dat men plotseling, dat men overal, tot zelfs in de kleinste kerken, den Dienst splitse en verdeele, maar alleen i". dat men ook over dit punt ga nadenken, er zich rekenschap van geve, dat het oudtijds overal anders was, en dat het nu nog in bijna alle buitenlandsche kerken anders toegaat; 2**. dat men de oorzaken opspore, hoe het bij ons zoo eentonig geworden is, en 3". omzie naar middelen, om eerst op de overtuiging te werken, en daarna met gezamenlijk overleg een zuiverder en meer gewenschten toestand in het leven te roepen.

De Gereformeerde kerken hebben thans een vaste basis herwonnen, er zit nu gang in haar kerkelijk leven, en ze genieten nude meest volkomen vrijheid, om zich te regelen naar haar aard en te bloeien uit den wortel van haar beginsel.

Het in 1619 afgebroken proces kan alzoo nu weer doorgaan.

Na 1619 heeft Overheidsinmenging de samenkomst van Generale Synoden belet, en toen deze in 1816 hersteld werden, heeft men ze in valschen vorm opgericht. Nu daarentegen bindt niets ons dan de Schrift, en zoo men wil de historie, de historie der vaderen, en staat alzoo de weg open om in allerlei opzicht het ontwikkelingsproces van ons kerkelijk leven te doen doorgaan, en steeds zuiverder onze kerken op te bouwen in den echt Gereformeerden stijl.

Natuurlijk werd de actie der eerste Synoden dusver in beslag genomen door pogingen, om het kerkverband naar eisch te ordenen, door het vraagstuk van de opleiding der Dienaren, en evenzoo door het groote vraagstuk, der Missie.

Men hebbe geduld. Niet alles gaat opeens.

Niet, hoever we in tien, maar hoever we in honderd jaren kwamen, is de vraag die over ons beginsel beslist.

Doch zoodra het aan onze kerken zal gelukt zijn, om al wat op het kerkverband, de opleiding en de missie betrekking heeft, zoo te regelen, dat er een bevredigende toestand, en een toestand die bij de beginselen past, zal verwezenlijkt zijn, kan er geen stilstand volgen, maar moet de diaconale quaestie, evenzoo de financieele quaestie, en zoo ook de liturgische quaestie scherper in het oog worden gevat.

Er ligt nog werk voor den boeg voor minstens dertig Generale Synoden.

Denk slechts aan de Bijbelvertaling, aan de Psalmberijming, aan het Kerkgezang, aan

de redactie van Formulieren voor den eeredienst en zooveel meer. Al kon men toch in dit eerste stadium niet anders doen, dan de oude Statenoverzetting, en de bestaande formulieren in zuiver historischen, voor onzen tijd leesbaren tekst aan de gemeente hergeven, toch kan men op den duur daarbij niet blijven staan en zal er een periode moeten komen, waarin men uit de periode van het traditioneele in de periode van het zelf redigeeren overga.

We vernamen daarom met blijdschap, dat Dr. H. H. Kuyper eerlang onze literatuur verrijken zal met een uitgebreid werk over de Postacta van de Dordsche Synode. Daarop toch moet worden teruggegaan, om aan het verleden aan te knoopcn, en het is metterdaad een onvergeeflijk verzuim geweest, dat de kerken dusver deze Postacta, en al wat er mee samenhangt, zoo slordig hebben behandeld.

Men versta ons dus wel, dat onze studie over den Eeredienst volstrekt niet bedoelt, overal en terstond allerlei verbeteringen in te voeren.

We geven niets dan een studie, die uit het beginsel critiek oefent en uit het beginsel poogt op te bouwen, en daarmee een bijdrage wil leveren ter bevordering van toekomstige ontwikkeling in zuiverder lijn.

In dit licht bezie men dan ook onze poging, om in den Dienst meer dan één der Opzieners, en niet altoos denzelfdcn te doen optreden.

De Dienaar des Woords kan als zoodanig niet door een anderen Opziener vervangen worden. Voor den Dienst des Woords toch zijn eischen te stellen, waaraan de meesten niet kunueH beantwoorden. Er is hier een eigen en afzonderlijke taak, die bijzondere voorbereiding, bijzondere schikkingen en bijzondere waarborgen eischt, en die alzoo alleen kan worden waargenomen door hen, die daartoe kerkelijk gequalificeerd zijn.

Zij die den Dienaar des Woords niet als zoodanig in zijn eigen qualiteit eeren, ondermijnen dan ook de instelling van den Dienst des Woords op zichzelf, en stellen er iets heel anders voor in de plaats.

Maar hieruit volgt in het minst niet, dat een ander Opziener niet de praelectuur uit de Heilige Schrift zou kunnen doen, niet een formuHervotum of formuliergebed zou kunnen uitspreken, en niet een psalm of een collecte zou kunnen aangeven.

Bij den Dienst van het Woord, behoort het Sacrament als zegel, en het vrije gebed als verheffing tot God. Dit alles moet alzoo aan den Dienaar worden overgelaten, overmits hierbij eigen initiatief intreedt.

Maar de praelectuur, het bidden van een vastgesteld gebed, het doen van publication, of het aangeven van een collecte of een psalm, vallen onder dit verband niet.

Daarbij is het eigen initiatief juist geheel uitgesloten, en er is geen reden denkbaar, waarom ook niet een ander Opziener, na behoorlijke oefening en voorbereiding, hierin de gemeente zou kunnen dienen.

Doch op die voorbereiding en oefening logge men dan ook nadruk.

Alle ding eischt, om het goed te doen, oefening en voorbereiding, en een Opziener die wanen mocht krachtens zijn ambt hierboven verheven te zijn, vergist zich ten ecnemale.

Goed lezen, en vooral goed voorlezen, en met name goed voorlezen uit de Heilige Schrift is een wezenlijke kunst, die niemand van nature bezit. Alle accent moet daarbij gemeden worden. De taal moet zuiver worden uitgesproken. De klemtoon moet goed neerkomen. Het moet rustig en plechtig, en toch zonder gemaaktheid of te sterke declamatie toegaan. De houding er bij moet stil en ernstig zijn. Er moet zoo worden gelezen, dat ieder volgen kan, en dat het boeit. En zulk lezen nu is alleen mogelijk voor hem, die zich én generaal in het voorlezen oefent, én telkens voor eiken Dienst zich inwerkt in wat hij straks zal te lezen hebben. Immers wat men niet volkomen verstaat, kan men niet goed voorlezen.

Ook steekt er hoegenaamd niets in, dat een Opziener zich aan deze oefening wijde.

De Dienaar des Woords heeft nog wel heel andere oefeningen moeten doorloopcn.

En ook zeggen we niet, dat elk Opziener hiertoe moet geroepen worden. Iemand kan een zeer goed en richtig regcerend Ouderling zijn, al is zijn uitspraak min zuiver, en zijn voorlezen min gekuischt.

Doch dit moet de kerkcraad dan ook onderzoeken, en aanwijzen wie hiervoor al dan niet de vereischte gaven bezit, en door oefening volmaken kan.

Tevens zou hier het voordeel aan verbonden zijn, dat in de oogen der gemeente de stand van de Opzieners gereleveerd werd, dat hun invloed in de gemeente een meerdere werd, en dat de gemeente zich ontwende aan het denkbeeld, alsof zelfs huisbezoek en krankenbezoek met al het andere op den cénen moegeploegden Dienaar moest n2erkomen.

Alles intusschen bijkomstige voordeden, die wel meetellen, maar den doorslag niet geven.

Doorslag geeft alleen het bestrijden van de gehoortiaal, en het maintineeren van het karakter van de vergadering.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 3 juli 1898

De Heraut | 4 Pagina's

Onze Eeredienst.

Bekijk de hele uitgave van zondag 3 juli 1898

De Heraut | 4 Pagina's