GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

,,Naar ons beeld en naar onze gelijkenis.”

Bekijk het origineel

Bladeren
+ Meer informatie

,,Naar ons beeld en naar onze gelijkenis.”

7 minuten leestijd

[KERSTFEEST.]

En God zeide: aat ons menschen maken, naar onzen baalde, naar onze gelijkenisse. Gen. I : 26a.

Bethlehem en het Paradijs liggen door eeuwen vaneengescheiden, en hoeren toch vlak bijeen.

Het „laat ons merschen maken naar ons beeld en onze gelijkenis", is de gereede draad, die door den val in zonde afgebroken, in de stad Davids weer wordt opgenomen.

De „mensch naar den beelde Gods", in het Paradijs ondergegaan, leeft in de kribbe van Bethlehem weer op. Hier verschijnt „Gods Zoon en des menschen Zoon, " en het is door hem, • en in die twee-eenheid, dat onze menschelijke natuur, voor het eerst na den val, weer klaarlijk het beeld en de gelijkenisse Gods openbaart.

Daarom zijn er engelen bij de schepping van ons aanzijn, toen de morgensterren, gelijk het in Job heet, vroolijk zongen, en de kinderen Gods, dat zijn hier de hemelsche heirscharen, juichten. Maar óók engelen in Efratha's velden, orn te jubelen bij de /zifrschepping, bij de herstelling van ons aan zijn bestemming ontzonken geslacht.

Natuurlijk, ware geen val op onze schepping gevolgd, waartoe zou dan de Zoon des menschen verschenen zijn? Uit Adam zelf, en uit zijn volmaakt en heilig geslacht, zou zich alsdan de waarachtige Zoon des menschen, en in hem het volle rijke beeld van God, naar Goddelijke glijkenisse, tot de volkomenheid toe ontwikkeld hebben.

Het beeld Gods zou dan zijn opgekomen, en zulks met ongedempten luister, uit de daad der eerste schepping zelve.

Voor een Messias zou op een wereld zonder zonde geen plaats zijn geweest.

De liefde des "Vaders voor den Zoon zijns welbehagens is te groot, om hem als een overtollige verschijning, wilt ge, als onnoodig toevoegsel, aan deze wereld te geven.

Als God zijn eeniggeboren Zoon aan deze wereld geeft, is dit een zelfoverwinning der eeuwige ontfermingen, en alleen omdat de nood schreide en de wereld wegzonk, en Gods eigen plan met deze wereld verijdeld werd, en zijn beeld en zijn gelijkenisse in de menschenkinderen geschonden en verminkt was tot onkenbaar wordens toe, daarom triomfeert de liefde in God, en doet Hij in zijn lieven Zoon, dank zij de Vleeschwording van het Woord, zijn menschelijk beeld weer in zuivere gelijkenisse optreden.

En dat wel optreden in zoo wonderbaar verband met ons verloren geslacht, dat deze Zoon des menschen zondaren weer in kinderen Gods herschept, en het geschonden beeld des Vaders weer in ons verloren geslacht, in millioenen, en nogmaals millioenen van Gods uitverkorenen doet opleven.

Als het heilig Kindeke, met maagdelijken trots en dank, in de kribbe van Bethlehem wordt nedergelegd, dan aanschouwt Maria, dan aanschouwen de herders van Efratha, dan aanschouwen de wijzen uit het oosten, ja, dan aanschouwen Gods engelen, bij hun nederdalen en onder hun liefelijke zangen, voor het eerst weer de afschaduwing van Gods beeld en van de Goddelijke gelijkenisse in onze menschelijke natuur.

Niet dat Kindeke als kindeke, maar dat beeld Gods bekoort in Bethlehem door zijn geheimzinnige aantrekkelijkheid.

Er ontsluit zich in dat heilig Kindeke een nieuwe wereld, er opent zich een nieuwe toekomst, er tintelt het uitgangspunt voor een vernieuwd menschelijk geslacht.

Juist dat beeld Gods in den mensch was door Satan aangevochten. Juist dat beeld Gods had, toen het geschonden werd, de zonde zoo vreeselijk doen uitbreken. De mensch kon, ook in zijn val, aan zijn scheppingsordinantie naar den beelde Gods niet ontkomen, en juist het feit, dat hij dat beeld droeg en bleef dragen, maar nu zoo vermetel verminkt en geschonden, was al de oorzaak van onze naamlooze ellende.

De hel in haar vreeslij kheid, is niets dan de vreeslijke openbaring van het geschonden en verwrongen beeld van God, dat in onze menschelijke natuur was afgedrukt, en van die hel ondergingen we hier den bitteren en alle leven verbitterenden voorsmaak.

Satan wilde ons omscheppen naar zijn beeld en naar zijn gelijkenis, en overmits Satan niets kan scheppen, bleef hem niets anders over dan het beeld Gods in ons te misvormen en te verwringen, en hieruit kwam onze zonde op, en hieruit ontsproot al onze menschelijke jammer.

En daartegen nu gaat God in zijn liefde bij Bethlehem in.

Dat Kind des menschen naar zijn Goddelijk beeld en naar zijn Goddelijke gelijkenisse geeft Hij der wereld nog eens te aanschouwen.

Hier is het, hier in Bethlehems kribbe, en wat Satan zich tegen dat Kindeke ook onderwinden zal, in dat Kindeke zal het beeld Gods nimmer, ook niet met één enkele .schrijning, geschonden worden.

Het beeld Gods in dat heilig Kindeke zal triomfeeren over het bangste gevaar.

Toch niet, alsof reeds in de kribbe het beeld Gods in dat Kindeke doorblonk met algeheele volkomenheid.

Het beeld Gods begint in het Kindeke, maar wordt eerst in den volkomen man voleind. Vandaar dat Jezus toenam in grootte, in wijsheid, én in genade bij God en bij de menschen.

En meer nog, Jezus nam onze natuur aan, gelijk die was, vleesch en bloed uit het vleesch en bloed van Maria, en eerst op Thabor werd voor een oogenblik die menschelijke natuur in vollen luister verheerlijkt.

Vand*ir de strijd, eh de worsteling; vandaar het ingaan in het mysterie des lijdens; vandaar het wegzinken onder vloek en dood. En eerst als de drinkbeker tot den laatsten druppel geledigd is, en Immanuël uit het graf verrijst, blinkt het beeld Gods, niet alleen inwendig, maar ook uitwendig, volkomen door, en als de Christus op den weg naar Damascus aan Paulus, en op Pathmos aan Johannes verschijnt, ziet hem het menschelijk oog in volle glorie, en is het beeld Gods en de gelijkenisse Gods in den Zoon des menschen \e bewonderen geweest in zijn verordineerde en tot volkomenheid gebrachte zuiverheid.

Bij Bethlehem is het als het opgaan van de Zonne der gerechtigheid in het gedempte goud van den dageraad, en eerst als Christus uit den hemel verschijnt staat deze Zonne der gerechtigheid, alles verblindend, in haar Zenjth.

Dat is het dan ook wat ons diepst en heiligst gevoel in Bethlehem toespreekt.

Zeker, we komen tot de kribbe niet zonder het beeld Gods in ons. Zelfs in den diepst gevallen zondaar ziet Gods oog nog al de trekken van zijn oorspronkelijk beeld. Als mensch ge boren kunnen we onszelven nooit ontmenschén.

We zijn en blijven eeuwiglijk dat eigen menschelijke wezen dragen, waarin God ons schiep.

Maar zooals ge aan een wrak nog ziet dat het een schip is, en aan een bouwval na brand dat hier een huis is afgebrand, zoo is het aan u in uw verloren staat, nog te merken dat ge mensch zijt. Alles ontzet, verwrongen, bedorven en neergeworpen.

En nu, komende tot Bethlehem, ziet ge daar weer het oorspronkelijke beeld Gods in zijn schoonheid en zuiverheid, onder de dubbele gewaarwording, dat het u aan uzelf als een niïne ontdekt, en u boeit door het heimwee, of zóó het beeld Gods ook in u weer wonen mocht.

Het beeld Gods in dat Kindeke dat zijt gij, zooals ge hadt moeten wezen, zooals ge hadt kunnen zijn, en zooals ge weer worden moet, zal niet eenmaal voor eeuwig de vloek u verzwelgen.

Ge zoudt dat beeld Gods in de kribbe er uit willen nemen, en in uzelven overzetten.

Bij die kribbe trekt alles in dat Kindeke u aan, wekt alles in uzelven uw afkeer:

En zie, dat mysterie is het nu juist dat Jezus vervullen komt. Of zeg zelf, „één plante met hem worden", „gelijkvormig worden gemaakt aan het beeld van den Zone Gods", „hij in u en gij in hem", „hij woning in u makende", en gij uzelven voor hem ontledigende en verloochenende, wat is het anders, dan dat gij dat beeld Gods uit Bethlehems Kindeke in uzelven opneemt, en dat hetgeen een ruïne in u geworden was, weer oprijst als een „woonstede Gods in den Geest".

Het beeld Gods in het heilig Kindeke is als een licht, dat licht ontsteekt, en licht overplant, en licht mededeelt, onderwijl het zelf het oorspronkelijke Licht blijft.

Van vonk op vonk plant het zich voort al de eeuwen door, en waar ook onder de volken 0(.)it het lied der Verlossing aan het van dank zwellend gemoed ontperst werd, was het altoos het beeld Gods in dat Kindeke, waardoor het beeld Gods in den geredden zondaar hersteld werd.

Het gaat ons niet als Jezus, maar het komt ons van Jezus en door Jezus.

Aan hem door den Vader gegeven, en door zijn Middelaarskracht omgezet van kinderen der wereld in kinderen van het Koninkrijk van God.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 25 december 1898

De Heraut | 4 Pagina's

,,Naar ons beeld en naar onze gelijkenis.”

Bekijk de hele uitgave van zondag 25 december 1898

De Heraut | 4 Pagina's

Bladeren