Uit de Pers.
Men leest in de Friesclie Kerkbode:
De Generale Synode, die dit jaar te Groningen zal gehouden worden, begint reeds langzaam zich tegen den kerkdijken horizon af te teekenen. De oproeping der Synodale Kerk om punten voor het agendum riep de Kerken en Classes wakker en herinnerde er aan, dat het nog maar kort dag was. De kerkelijke bladen beginnen met de i'ondgezonden projecten te bespreken. En het beeld der komende Synode, dat nog voor enkele weken vaag en nevelachtig was, krijgt allengs vaster vorm en belijnder omtrek. Wat de toekomst brengen zal is reeds niet meer geheel in nevelen gehuld. Ook wij wenschen (en wij gelooven, dat dit de roeping der kerkelijke pers is) mede te arbeiden om klaarheid en duidelijkheid van inzicht omtrent hetgeen op de Sycode behandeld zal worden, te verspreiden. Zal de Synode waarlijk een vergadering zijn uit het leven der Kerken voortgekomen, dan dienen de Kerken zich vooraf een helder denkbeeld te vormen van hetgeen op de Synode behandeld zal worden en daarover haar oordeel uit te spreken op Classis en Prov. Synode. Niet alsof de Kerken daarom aan hare afgevaardigden ter Generale Synode een mandat imperatif, een lastbrief konden meegeven, waarin bindend was voorgeschreven, hoe zij over ieder voorstel moesten stemmen. Dan was er geen Generale Synode noodig; dan behoefde men daar niet meer te beraadslagen en te bidden om de voorlichting des H. Geestes, dan kon een Synodale Commissie volstaan met de stemmen, in de Prov. Synodes uitgebracht, te tellen en daaruit een besluit te trekken. Maar wel behooren de afgevaardigden ter Generale Synode, die daar de Kerken vertegenwoordigen, althans te weten hoe in de Kerken over de voorstellen vv'ordt gedacht, opdat zij met voorzichtigheid besluiten nemen, de Kerken geen dwang aandoen, en den wensch hunner Kerken op de Synode kunnen vertolken. Een bindend mandaat ware independentistisch: een zedelijk rapport is eisch van het Gere formeerd beginsel
Bezien wij nu het agendum, voor zooverre het thans reeds bekend is, dan valt in de eerste plaats op dat de beloofde hoofdschotel ontbreekt, n.l. het rapport over Art. 36. Toen dit rapport over den tijd uitbleef, heeft onze Kerkbode met de Geldersche aan de alarmklok getrokken, en het resultaat was, dat een der aangewezen rapporteurs een half officieus communiqué in de Bazuin plaatste, waarin vermeld werd, dat de zaak op de Synode te Groningen niet aan de orde zou komen, welk stuk indertijd in extenso aan onze lezers is medegedeeld.
De indruk, dien dit stuk heeft gemaakt, is niet zeer bevredigend geweest, en ook wij aarzelen geen oogenblik ons aan de zijde dergenen te scharen, die dezen loop der zaken betreurd hebben.
Vooreerst op grond van een formeel bezwaar. De Synode te Middelburg droeg nu drie jaar geleden aan een Commissie op de Kerken tijdig van advies te dienen, over het ingebrachte gravamen tegen Art. 36 der Geloofsbelijdenis. Drie jaren is geen kleine tijd; de mannen van invloed, die God aan onze Kerken schonk, zijn niet jong meer; wanneer de zaak opnieuw drie jaar wordt uitgesteld, dan is het de vraag, of zij op de dan komende Synode nog aanwezig zullen zijn. En in alle geval komt het ons voor, geheel van de personen afgedacht, dat een Commissie, die een opdracht van de Synode kreeg en drie jaar tijd ontving voor de uitvoering dier opdracht, zich moeilijk wegens het niet-volbrengen dier taak verontschuldigen kan met de bewering, dat de tijd van ernstig onderzoek haar ontbroken heeft.
Maar veel ernstiger drukt ons het materieel bezwaar. Op de Synode te Middelburg hebben de hoogleeraren in de theologie te Kampen en aan de Vrije Universiteit eenparig verklaard, dat zij een gravamen hadden tegen een stuk onzer Kerkelijke belijdenis. Een gravamen wil zeggen, dat men in goede conscientie overtuigd is, dat een stuk der belijdenis in strijd is met het Woord Gods en daarom óf overtuigd wil worden, dat Gods Woord dat deel der belijdenis niet weerspreekt, óf eischt, dat de Kerk dat deel harer belijdenis verandere naar het Woord Gods. Een gravamen is dus een zeer ernstige zaak; het geldt hier niet een zeker ondergeschikt punt, waarover verschil van gevoelen in de Kerk altijd is geduld geweest; het raakt de belijdenis, het kleinood der Kerk, de band van eenheid tusschen de geloovigen, het fundament, waarop de kerk staat. Zulk een «gravamen" jaren lang te laten sluimeren, verzwakt de kracht der belijdenis, maakt dat anderen met veel ingrijpender gravamina zich evenzeer in de Kerk zouden kunnen staande houden, en geeft onzen tegenstanders het recht te zeggen, dat ook in onze Kerken de band aan de belijdenis niet rnstig en oprecht is gemeend.
Volgens het Gereformeerd kerkrecht mag iemand, die zulk een gravamen heeft, dit niet openlijk leeren of prediken, maar is hij verplicht het ie verzwijgen, totdat de Generale Synode uitspraak heeft gedaan. In de belofte bij de aanvaarding van de bediening des Woords afgelegd, wordt dit uitdrukkelijk geëischt. Toch weet ieder, dat, v/at dit gravamen betreft, niemand zich aan deze belofte houdt. De hoogleeraron leeren op hun collega's, dat zij Art. 36 onzer belijdenis in strijd chten met Gods Woord; de redacteurs van kerkelijke weekbladen„spreken het openlijk uit; inde predikatie en de catechisatie wordt hetzelfde aan de gemeente kond gedaan. Dat niemand zich hieraan ergert, geen enkele Kerkelijke vergadering daarover de betrokken personen ter verantwoording roept, is eenvoudig daaraan te danken, dat Art. 36 voor ons volk een dood artikel is, niemand met de daarin gewraakte zinsnede het meer eens is, en daarom het belang niet gevoeld wordt van dezen strijd.
Dit moge tot op zekere hoogte de handelwijze der betrokken personen verontschuldigen, maar men schept daardoor een zeer gevaarlijk precedent. De klem der afgelegde belofte wordt er door verzwakt. Het krijgt den schijn, alsof niet de belijdenis zelf maar de in de Kerken geldende opime omtrent de belijdenis, de regel wordt voor onderwijs en prediking. Op deze wijze wordt een achterdeur opengezet, waardoor mettertijd zeer gevaarlijke ketterijen de Kerken zouden kunnen binnensluipen.
Het was daarom, dat door ons met onverholen blijdschap werd vernomen, dat de Generale Synode de zaak ter hand had genomen. Aan een valsche positie werd doordoor een einde gemaakt.
Thans echter wordt ons officieus medegedeeld, dat de tijd tot afdoening van deze kwestie nog niet is gekomen. De Kerken zijn er nog niet rijp voor. Van de vraag zelf dient eerst veel grondiger studie te worden gemaakt. Onze tegenstanders hebben in dit gravamen tegen art. 36 een uitnemend wapen tegen onze Kerken in handen. Onze vaderen hebben in dit art. 36 niet geofferd aan den tijdgeest, maar een zeer besliste principieele overtuiging neergelegd, die het geheele vraagstuk van de verhouding tusschen de Overheid en de Kerk beheerscht. Wijziging der belijdenis op dit punt gaat zoo gemakkelijk niet.
Wij achten deze bezwaren niet gering. Maar de vraag komt onwillekeurig op of de broeders, die in 1896 dit gravamen indienden en die voor een deel zelf in de commissie zitten, die de opdracht ontving om de komende Synode van advies te dienen, destijds deze bezwaren niet hebben ingezien. Het heeft den indruk gemaakt, en zekere organen uit de Herv. Kerk hebben dezen indruk zeer duidelijk vertolkt, alsof de Commissie van advies, of wil men liever een deel van hare leden bij nader onderzoek tot het inzicht is gekomen, dat het gravamen tegen Art. 36 zelf aan zeer ernstige bedenkingen onderhevig is.
Het zal ons, en allen, die dit gravamen declen, daarom lief zijn, wanneer op dit punt op de a. s. Generale Synode klare wijn geschonken wordt. Geschiedt het uitstel alleen — ziedaar de vraag — omdat men het wenschelijk oordeelt, dat de .Synode niet alleen negatief de gewraakte zinsnede schrappe, maar ook positief een ander duidelijk geformuleerd beginsel daarvoor in de plaats geve en de noodige studie voor deze nieuwe formule nog ontbreekt, of ligt in dit uitstel een zwenking van gevoelen? Ziet men na ernstiger onderzoek tïgen de wijziging van Art. 36 op? Is het gravamen reeds gewogen en — feitelijk te licht bevonden ? Op deze vraag wachten wij het antwooid.
Deze opmerking is juist, maar de conclusie te eng.
Er is ook een derde mogelijk.
Er kon ook bij nader onderzoek zijn geble ken, dat het vraagstuk zoo diep in het hart der dogmatiek ingreep, dat een veel breeder en uitvoeriger onderzoek clan waarop men gerekend had noodig bleek, en dat, ter oorzake van allerlei omstandigheden, zij aan wie dat was opgedragen, hiermede niet gereed konden komen voor den gestelden tijd.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 26 februari 1899
De Heraut | 4 Pagina's