Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Gelijk te Meriba.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Gelijk te Meriba.

10 minuten leestijd

Verhardt uw hart niet, gelijk te Mériba, gelijk ten dage van Mdssa in de woestijn. Psalm 95 : 8.

In Psalm 95, hoe verheven en verheffend op zich zelf ook, is toch iets, dat telkens bij de lezing stuit.

Eerst hoort ge, half den Psalm door, een bezield zanger een schare, tintelend van opgewekt geloof, tot jubelen voor het aanschijn Gods nooden; en dan valt ge opeens uit dienhoogen Jubeltoon in dringend zielsvermaan als tot onbekeerden, en bijna onbekeerlijken, gericht.

Eerst de hooggestemde toon van lofzegging en aanbidding:

De Heer is groot, een heerlijk God, Een Koning, die het zaligst lot, Ver boven alle goón, kan schenken; Het diepst van 's aardrijks ingewand, Het hoogst gebergt' is in zijn hand; 't Is al gehoorzaam op zijn wenken.

Zijn' is de zee; z' is door zijn kracht, Met al 'het droge voortgebracht; 't Moet alles naar zijn wetten hooren. Komt, buigen w' ons dan biddend neer; . Komt, laat ons knielen voor den Heer, Die ons gemaakt heeft en verkoren.

Verkorenen alzoo zijn het, die hier jubelen. „Die ons gemaakt heeft en verkoren". Gelijk ook blijkt uit wat volgt: „Want Hij is onze God, en wij zijn 't volk van zijne heerschappij, de schapen, die zijn hand wil weiden."

Maar hoe kan na zulk een aanhef, nu plotseling heel het tooneel veranderd worden, en in één adem tot diezelfde schare gesproken worden, als stonden ze op den rand van het eeuwig verderf, en als kon hun stug en onvermurwbaar hart niet tot bekeering komen ?

Vanwaar, eerst die ineensmelting van het hart des zangers met de ziel der schare in |; S|jubelende aanbidding van Jehova, en vlak daarop, zonder zweem van overgang zelfs, het harde aanpakken van diezelfde schare met aangrijpend dreigement, op een eedzwering, van niet in de ruste te zullen ingaan, uitloopend?

Dit stuit zelfs derwijs, dat de predikatie gemeenlijk den psalm kortweg doorsnijdt, als ware het een saam voeging van twee afzonderlijke liedereu. Een zoo doet de eene maal de eerste helft dienst als tekst voor lofvermaan, en een ander maal de tweede helft als Schriftwoord voor een boetpredikatie.

Toch bevredigt dit niet.

De psalm is één, en moet in zijn eenheid i S doorzien en verstaan worden. En is dat wel o zoo moeielijk?

We hooren eerst den lofzang ruischen, en dan komt Meriba en Massa. Is dit vreemd? Is deze bijeenvoeging gezocht?

Maar immers Meriba na den lofzang, of wilt ge de lofzang aan Meriba voorafgaande, was uit Israels heilige historie.

Vlak voor hetgeen Exodus omtrent Meriba verhaalt, leest ge in Ex. 15 : „Toen zong Mozes en zongen de kinderen Israels den Heere dit lied: „Ik zal den Heere zingen want Hij is hooglijk verheven. De Heere is mijn kracht en lied, en Hij is mijn heil geweest. Hij is mijns vaders God en dies zal ik Hem verheffen." En toen Mozes aldus aan de Schelfzee was voorgegaan, zong Mirjam den beurtzang in refrein: „Zingt den Heere, want Hij is hooglijk verheven".

Dezelfde toon alzoo als in de eerste helft van Psalm 95.

En nu volgt hierop historisch terstond het murmureeren om het watergebrek. InE.x. 15:21 beluistert ge het laatste ruischen van den lofzang; en in vs. 22 begint onmiddellijk de historie van het watergebrek, en is het eerst een morren, toen een murmureeren, en ten laatste een in openlijk oproer komen van hetzelfde volk, dat zoo pas in den lofzang gejubeld had.

Dat morren begint bij Mara, in de woestijn Sur; wordt een oogenblik bij Elim gedempt door de „twaalf waterfonteinen; " maar breekt aanstonds nog veel heftiger, en in openlijk oproer uit bij Rafidim, in de woestijn Sin. Zóó heftig zelfs dat ze Mozes wilden steenigen. Ja dit liep zoo hoog, dat Mozes Rafidiras naam omzette, en het noemde naam : Massa oe Meriba.

Zoo verhaalde Israels historie dus van twee momenten, eerst van den hoogen jubelzang aan de Schelfzee, en vlak daarop van het gemor, van het murmureeren, van het in opstand komen tegen God en Mozes, d. i. van een stuitende verharding van diezelfde schare, uit wier midden zoo straks nog de lofzang voor Jehova zoo bezield en verheffend gerezen was.

^ Juist dus hetzelfde wat ge in Psalm 95 vindt. v Eerst het": Komt laat ons den Heere vroolijk zin­ b gen, laat ons aanbidden en neerbukken, en laat z ons knielen voor den Heere, die ons gemaakt b heeft.

En vlak daarop: Zie toe, dat ge u niet wederom verhardt, gelijk uw vaderen, na bun lofzang aan de Schelfzee, zich bij Massa en Meriba verhardden tegen den God, die hen gered had.

Zoo-is dan op eenmaal het stuitende weg, en wat eerst vreemd scheen, wordt op eenmaal ongedwongen en natuurlijk. Eerst die hooge lofverheffing, en vlak daarop het doordringend vermaan, om zich niet weer als te Meriba te bezondigen, het hoorde onlosmakelijk bijeen. Zóó was het toen geweest, zoo dreigde het ook nu weer te worden. En daartegen gaat het vermaan.

Wat soort verharding hier bedoeld wordt, springt dan ook in het oog.

Zoolang Israël in Egypte voor den drijver kroop, was het volk slaafsch-ingezonken. Ze kermden, maar zonder fierheid. Alle hope was opgegeven. Het vi^as ternauwernood dat ze wilden verlost zijn.

Maar toen datzelfde Israël verlost was, toen het zijn juk van den hals had voelen afglijden, gezien had hoe heel Pharao's macht in de diepte verzonk, en gehoord had van het heerlijke Kanaan waar ze heentogen, toen was datzelfde volk opgezwollen als een vrijgemaakte neger gCAVorden, toen droeg het zijn hart hinderlijk hoog, toen kon het niet tegen zijn tegenspoed, en sloeg in oproer over, zoodra het zijn zin niet kreeg.

Zijn verharding van hart bestond dus hierin, dat het juist door de genieting van Gods weldaden veeleischend was geworden, en dat het Gods wondere genade misbruikte als een prikkel voor de hoovaardij van zijn hart.

En dit gevaar stond nu weer te duchten.

Hierdoor was het volk weer opgewonden. Het was weer één lof en jubel voor Jehova. Juist zooals aan de Schelfzee.

Maar juist daarom voelt de koninklijke zanger het gevaar, dat ook nu weer dreigen kan. Was het volk niet op zijn hoede, dan stond een da capo van Massa en Meriba voor de deur. Dan zou juist op de hooge spanning van het oogenblik, straks, bij den minsten tegenspoed, een zondige reactie in hen volgen, en dat» zelfde Israël nogmaals juist door de aan het volk bewezene genade, tot ontevredenheid, en door ontevredenheid tot trotsch verzet geprikkeld worden.

Zooals het Mozes had willen steenigen, zoo zou het straks onder Absalom, met het zwaard in de hand tegenover David staan. Het zou zich tegen de goedertierenheden des Heeren verharden.

En daarom nu slaat de zanger plotseling na den lofzang in het dreigend vermaan over. Indien ge nu heden werkelijk de stem Gods in de geschonken uitredding hoort, en Hem deswege lofzingt, zie dan toe, dat het u niet wederom als Israël in de woestijn vergaat. Verhard dan niet nogmaals uw hart als bij Massa en Meriba.

Ge zoudt er den ondergang van uw volksbestaan door over u halen. Gelijk dan ook geschied is.

Er is velerlei verharding, maar hier is één bepaald soort van verharding bedoeld. Die verharding, die het gevolg is van geestelijke opwinding en overspanning, indien men te midden dier overspanning der arglistigheid van zijn hart niet indachtig blijft.

Zelfs persoonlijk zijn ze aan te wijzen, kinderen der menschen, die, door zware krankheid neergedrukt, zoo diep en roerend smeekten om levensbehoud, en die, als God ze redde, op den hoogsten toon zijn lof uitzingen, en die toch straks, door zooveel goedheid Gods verwend, als er weer een steen op hun weg lag, aanstonds struikelden, en verhard tegen hun God bleken te zijn.

In Christus' kerk is hetzelfde gezien. Tweemaal zelfs op groote schaal. o

Eerst toen ze pas de wereld inging harde vervolging en het vloeien van het bloed der martelaren. Toen in Constantijn de eindelijke uitedding, en de hooge jubelzangen. Maar schier lak daarop de inzinking, de pijnlijke reactie, en de verharding van het eens zoo teeder gemoed.

En ditzelfde ten tweeden male in den Reforatietijd.

Ook toen eerst bedrukt als bij de tichelovens an Egypte. Toen de verlossing uit dien druk, n ons land onder Willem van Oranje, den ns van God bestelden Mozes. Daarop een ooge lofzang als aan de Schelfzee. Maar even poedig daarna de reactie, de inzinking, de erharding der ziel, het weêropvlammen van de hoovaardij van het wereldsgezinde hart.

Aldoor hetzelfde, eerst de druk, gevolgd door en lofzang aan de Schelfzee, en dan de murureering als te Meriba.

Daarom is Psalm 95, mits in dien samenhang enomen, zoo practisch op alle eeuw, en in elke euw én op Christus' kerk én op ons persoonijk leven toepasselijk.

Altoos het gevaar waarop Paulus wijst, zegende: Veracht den rijkdom van Gods goederierenheid niet, of weet ge niet dat de goederierenheid Gods u moet leiden tot bekeering?

Geestelijke opwekking is heerlijk, maar zoo icht grenst ze aan overspanning, en slaat dan n opwinding over, en wreekt zich dan zoo icht in verharding van het eerst zich in jubel e buiten gaande hart.

Van hoeveel geestelijke opwekkingen verhaalt e historie niet, die ten slotte in jammerlijke erwildering zijn uitgeloopen. Kent ge Jan van eiden's naam niet en weet ge niet van de geuchten waarvan eens Munster gewaagde? Of oordet ge niet van de „heiligen der laatste agen" in Zuid-Afrika, in hun nachtelijke bijenkomsten? Of, erger nog, van de secte der pgewekten in Brazilië, waartegen ten slotte met et kanon moest opgetrokken, om hun gruwelen e stuiten?

En al is het nu zoo, dat dit excessen zijn, ie op dien voet zeldzaam blijven, toch zegt eigen erinnering het aan elk kind van God wel, hoe a te hoog gestemde geestelijke verheffing, bijna ltoos een tijdperk van inzinking en dorheid ntrad.

Eerst was alles licht, verblindend licht zelfs, n daarna donkere nacht die de ziel omving.

En waarom dat?

Waarom anders dan omdat het eerste en weede deel van Psalm 95 van elkaar werden escheiden ?

Het medicijn hiertegen ligt juist in de saam oeging van beide deelen. Juist in die oogenlikken van hooggestemden lof, zult ge indachtig ijn het gevaar van reactie waaraan ons hart lootstaat. Dan alleen kan die reactie voorkomen f afgewend worden, doordien ge tegen het oortleven in overspanning en opwinding op w hoede zijt.

Dit bedoelt niet, dat ge uw lof derapen, of uw opgeheven ziel neerdrukken zult. Een kind van God dat den hartstocht der liefde voor zijn God niet kent, en niet door zijn lof vervoerd wordt, kent de Schrift niet.

Afgetrokkenheid en koelheid komen uit een berekenend en redeneerend geloof, niet uit het geloof dat zalig maakt, en dat daarom de liefde ontgloeien doet.

Maar ook dat echte geloof draagt ge in een zondig hart. Dezelfde Zon die uw ziel koestert, kan ook den bodem van dat hart doen verharden.

harden. En daarom zult ge ook te midden van uw hoogste lofverheffing indachtig blijven aan de zondige reactie, die dreigt, en daarom juist als ge tot in de hemelen lofzingt, gedenken aan Massa en Meriba.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 26 februari 1899

De Heraut | 4 Pagina's

Gelijk te Meriba.

Bekijk de hele uitgave van zondag 26 februari 1899

De Heraut | 4 Pagina's