Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Onze Eeredienst.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Onze Eeredienst.

8 minuten leestijd

L

Formeel zijn de gebeden in onze Liturgie niet gelukkig uitgevallen. We kunnen verder gaan en zeggen, dat ze, altoos formeel genomen, niet beantwoorden aan de. norma der Heilige Schrift.

Of is het niet zoo, dat de kerk van Christus voor haar gebeden steeds, ook wat den vorm betreft, het Otise Vader als norma te eeren heeft?

In dat Onze Vader nu heerscht van het begin tot. het einde de dusgenaamde gnomische dictie, d. w. z. het bestaat uit een reeks van op elkander volgende korte smeekingen, die zonder tusschenzinnen, veelal zelfs zonder verbindingswoorden, op elkander volgen.

Niet dat het enkel uit" smeekingen bestaat. Integendeel het begint met een aanroeping, en voegt bij die aanroeping een belijdenis. Bij de bede om schuldvergiffenis haakt het een verklaring onzerzijds aan. En aan het slot loopt het uit in een doxologie, ook al komt het ook voor in een vorm, die deze doxologie weglaat.

Maar ook dré^aWnroeping, die belijdenis, die verklaring, en"die doxologie, ze zijn alle kort. Ze loopen in zeer korte zinsneden af. Ze kennen geen tusschenzinnen. Ze zijn op het eerste hooren te volgen. Ze zijn licht in het geheugen te prenten. Ze staan op zichzelf. Ze redeneeren niet, maar uiten en betuigen.

Voorts heerscht er in het Onze Vader juiste volgorde, symmetrie, en proportioneel verband. Het is niet onverschillig welke bede vooropgaat, en welke volgt. De drie eerste beden staan symmetrisch tegenover de volgende. En elke bede neemt juist zooveel plaats in, dat het geheel schoon in zijn proportion afloopt.

Die gnomische dictie nu in het Ome Vader vindt ge op zekeren afstand in alle gebeden der Heilige Schrift terug.

Ge vindt ze in verzen afgedeeld, en ge voelt dat die indeeling niet kunstmatig is aangebracht, maar in het gebed inzit.

Zeker een gebed als van Salomo bij de inwijding van den tempel, of als dat van Ezra en van Nehemia is veel langer, en haalt niet in schoonheid van harmonie bij het allervolmaaktste gebed. Maar toch zelfs in die langere gebeden blijft rhythmus heerschen, zijn tusschenzinnen zeldzaam, en komt het telkens op een bepaalde bede neer.

Het is en blijft bidden. Bidden op een wijze, die als vanzelf te volgen is. Bidden in zekere orde en met vasten gang.

Hieruit volgt, dat het bidden in de kerk des Nieuwen Verbonds niet achter Salomo en Ezra mag teruggaan, maar zich als richtsnoer veeleer dat hoogere ideaal te kiezen heeft, dat Christus ons zelf in het Onze Vader voorhield.

En daaraan nu beantwoorden de gebeden in onze Liturgie niet in die mate als men wenschen zou.

We maken geen aanmerking op den inhoiid dezer gebeden, we oefenen nu alleen critiek op hun vorm.

En dan kan kwalijk ontkend, dat ze veelal vervat zijn in te lange volzinnen, die de Voorganger niet dan met moeite, in een adem lezen of voorbidden kan, en waarbij slechts een enkele onder hen die meebidden, zonder te groote inspanning van het denken, den gèdachtengang volgen kan.

We wenschen in de keuze onzer voorbeelden hier spaarzaam te zijn. Het is altoos pijnlijk een stuk uit een gebed als inishkte proeve aan te halen.

Toch kunnen we — zal gevofeld worden wat we op het oog hebben — er ons niet geheel van onthouden, en kiezen dan als voorbeeld de twee breede volzinnen uit het gebed vóór den Kerkeraad, en uit het gebed vóór den Kinderdoop.

De derde volzin uit het gebed voor den kerkeraad luidt aldus:

Dewijl wij dan nu hier in uwen heiligen naam verzameld zijn, om, naar het voorbeeld der Apostolische Kerken, van die dingen, die ons vóórkomen zullen, aangaande den welstand en de stichting uwer Kerken, volgens ons ambt, te handelen; waartoe wij onszelven belijden onnut en onbekwaam te wezen, als die van nature niet vermogen iets goeds uit onszelven te denken, veel min in het werk te stellen; zoo bidden wij U, o getrouwe God en Vader, dat Gij, naar uwe belofte, wezen wilt in het midden van onze tegenwoordige vergadering met uwen Heiligen Geest, die ons in alle waarheid leide.

En dan de ééne al doorloopende volzin waaruit heel het gebed vóór den Doop bestaat:

O almachtige, eeuwige God; Gij die naar uw streng oordeel de ongeloovige en onboetvaardige wereld met den zondvloed gestraft hebt, en den geloovigen Noach zijne acht zielen uit uwe groote barmhartigheid behouden en bewaard; Gij die den verstokten Pharaö met al zijn volk in de Roode Zee verdronken hebt, en uw volk Israël droogvoets daardoor geleid, door hetwelk de Doop beduid werd; wij bidden U, bij uwe grondelooze barmhartigheid, dat Gij dit uw kind genadiglijk wilt aanzien, en door uwen Heiligen Geest uwen Zoon Jezus Christus inlijven; opdat het met Hem in zijnen dood begraven worde, en met Hem moge opstaan in een nieuw leven; opdat het zijn kruis. Hem dagelijks navolgende, vroolijk dragen moge, Hem aanhangende met waarachtig geloof, vaste hope en vurige liefde; opdat het dit leven (hetwelk toch niet anders is dan een gestadige dood) om uwentwille getroost, verlate, en ten laatsten dage voor den rechterstoel van Christus, uwen Zoon, zonder verschrikkingen moge verschijnen, door Hem, onzen Heere Jezus Christus, uwen Zoon, die met U en den Meiligen Geest, één eenig God, leeft en regeert in eeuwigheid. Amen.

Er komen in onze Liturgische gebeden nog andere, evenzoo zeer lange volzinnen voor; maar we bepalen ons tot deze twee, als onder leeraars en ouderlingen meer bekend. Deze twee volzinnen nu bestaan gelijk men ziet, de eerste uit 14 regels druks, de tweede uit 25 regels.

En nu is het zeker waar, dat deze beide lange volzinnen, doordien ze telkens voor onze ooren herhaald werden, er allengs zóó in zijn gegaan, dat ze voor velen bij eenige inspanning, zeer wel te volgen zijn. Maar toch wat principieel verschil niet met het formeel schoone dat ons in het Onze Vader' als norma is gegeven.

Onder het bidden moet er geen herseninspanning zijn, geen onklaarheid of beneveldheid in de opeenvolging der uitdrukkingen. Veelmeer moet het volgen van den gèdachtengang zoo weinig moeite kosten, dat de ziel zelve geheel onbelemmerd in heilige spanning kan geraken, en in zichzelve kan verzinken.

En hieraan nu beantwoordt ook de Schuldbelijdenis in onze Liturgie, zoomin in haar korteren, als in haar langeren vorm.

Er is te veel in. Er is van dat vele te veel in een enkelen volzin saamgepakt. De ziel bereikt haar rustpunt niet, om uit die ruste in een opeenvolging van korte smeekingen tot haar God te komen.

Zeker ze staat als gebed veel hooger dan wat we uit het gebed vóór den kerkeraad en het gebed vóór den Doop afdrukten. Onder onze Liturgische gebeden is het één der uitnemendste, en de volzinnen er in zijn betrekkelijk niet overlang. Maar toch ook zoo voldoet het niet aan den cisch, die te stellen is, wanneer honderden en soms duizenden geloovigen tegelijk, in één gebedsvorm, hun schuld voor God willen belijden.

In zijn langeren vorm bestaat dit gebed uit negen volzinnen, die in de nieuwe uitgave achtereenvolgens, 8, 11, 14, 14, 3, 3, en 4 regels beslaan.

Men leest daar toch :

O eeuwige God en allergenadigste Vader, wij verootmoedigen onszelven uit den grond des harten voor uwe hooge majesteit, tegen welke wij zoo menigmaal en zoo gruwelijk gezondigd hebben, en bekennen, dat (zoo Gij met ons in het gericht wilt gaan) wij niet anders dan den eeuwigen dood verdiend hebben.

Dan volgt:

Want behalve dat wij allen door de erfzonde voor U onrein en kinderen des toorns zijn, ontvangen uit zondig zaad, en in ongerechtigheid geboren, waardoor allerhande booze lusten, tegen U en onzen naaste strijdende, in ons wonen, zoo hebben wij nog bovendien met de daad uwe geboden menigmaal en zonder ophouden overtreden, nalatende wat Gij ons geboden hadt, en doende wat ons klaarlijk ver boden was.

Alsdan :

Wij hebben allen als schapen gedwaald, en hebben grootelijks tegen U gezondigd, hetwelk WIJ bekennen, en het is ons van harte leed; ja wrj belijden, tot onze vernedering en tot prijs van uwe ontferming te onswaarts, dat onze zonden het getal van de haren onzes hoofds te boven gaan, en dat wij tien duizend talenten schuldig zijn, waartegen wij niets hebben om te betalen; waarom wij ook niet waardig zijn uwe kinderen genaamd te worden, noch onze oogen op te slaan ten hemel, om onze gebeden voor U uit te spreken.

Daarna:

Nochtans, o Heerc God en barmhartige Vader, wetende dat Gij den dood des zondaars niet begeert, maar dat hij zich bekeere en leve, en dat uwe barmhartigheid oneindig is, die Gij bewijst aan degenen die zich tot U bekeeren; wij roepen U van harte aan, in het vertrouwen op onzen Middelaar Jezus Christus, dié het Lam Gods is, dat de zonde der wereld wegneemt, en bidden U, dat Gij wilt medelijden hebben met onze zwakheid, ons om Christus' wille alle onze zonden vergevende.

En dan komen achter elkaar deze drie korte volzinnen :

Wasch ons in de zuivere fontein zijns bloeds, opdat wij rein en sneeuwwit worden.

Dek onze naaktheid met zijne onschuld en gerechtigheid, om de eere uws naams.

Reinig ons verstand van alle blindheid, en onze harten van allen moedwil en hardnekkig heid.

Om dan verder met de bede vóór de Predikatie en met het Onze Vader te besluiten.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 9 april 1899

De Heraut | 4 Pagina's

Onze Eeredienst.

Bekijk de hele uitgave van zondag 9 april 1899

De Heraut | 4 Pagina's